Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het verzet
onbepaalde waarde, waarvoor een bedrag van € 811,-- [6] aan griffierecht dient te worden geheven. [7]
erop is gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak”. [8] Vervolgens overwoog de Hoge Raad het volgende: [9]
aan het financiële belang van de zaak, voor zover dat belang tot uitdrukking komt in een tot betaling van een bepaalde geldsom strekkende vordering”. [10] Dit betekende dat wanneer geen betaling van een geldsom werd gevorderd maar bijvoorbeeld een verklaring voor recht dat een bepaald geldbedrag verschuldigd is, sprake was van een vordering van onbepaalde waarde omdat het niet ging om betaling van dit geldbedrag. [11]
De rechtbank
niettoekomt aan ING. Hoewel hier dus niet de betaling van een geldsom is gevorderd, volgt wel duidelijk dat de waarde van de gevorderde verklaring voor recht € 155.000,- is. Daardoor moet bij de berekening van het griffierecht worden aangeknoopt bij het bedrag van € 155.000,-- als waarde van de vordering waarover de rechter te oordelen had. Daarmee wordt uitgekomen in het hoogste tarief (meer dan € 100.000,--).