ECLI:NL:HR:2003:AL8481
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- E.J. Numann
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toepasselijk griffierecht bij renvooiprocedure in faillissement
In deze zaak stond centraal de vraag welk griffierecht van toepassing is op een eis in een renvooiprocedure binnen een faillissement. Gerling Namur Kredietverzekeringen N.V. had een vordering ingediend in het faillissement van Suned International B.V., welke werd betwist. De rechter-commissaris verwees de zaak naar de rechtbank, die de vordering toewijst. De curator ging in hoger beroep bij het hof, waarbij het griffierecht werd vastgesteld op basis van art. 2 lid 3 sub d Wet Pro tarieven burgerlijke zaken (Wtbz), dat geldt voor eisen die streken tot betaling van een geldsom.
Gerling en de curator kwamen hiertegen in verzet en stelden dat art. 2 lid 3 sub f Wtbz Pro van toepassing was, omdat de renvooiprocedure niet gericht is op daadwerkelijke betaling maar op erkenning van de vordering. Het hof verklaarde het verzet ongegrond. De Procureur-Generaal stelde cassatie in het belang der wet in en voerde aan dat de wettekst strikt moet worden geïnterpreteerd en dat de renvooiprocedure niet onder de bepaling voor betaling van een geldsom valt.
De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het hof en bevestigde dat de eis in een renvooiprocedure niet gelijkgesteld kan worden met een eis tot betaling van een geldsom, omdat het doel is erkenning van de vordering en niet daadwerkelijke betaling. Deze interpretatie heeft gevolgen voor de hoogte van het verschuldigde griffierecht. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 21 november 2003.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof en bepaalt dat het griffierecht voor een renvooiprocedure niet gelijk is aan dat voor een eis tot betaling van een geldsom.