Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het
tweede middelkomt op tegen het oordeel van het hof dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld op een bedrag van € 35.038,00. Ik zie aanleiding eerst het tweede middel te bespreken.
Bespreking van verweren
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
(…)
BESLISSING
Het hof:
derde middelbevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.