Conclusie
1.Feiten en procesverloop
.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
, toevoeging plv. P-G] voor de machtiging een individuele voorziening vragen bij het college; het besluit van het college wordt samen met het verzoek van de raad aan de rechter overgelegd. Het kan noodzakelijk zijn dat op verzoek van de raad een machtiging wordt verleend zonder dat een voorziening van de gemeente is getroffen. Dit doet zich voor in het geval het college niet op tijd besluit, of bij een blijvend meningsverschil tussen de raad voor de kinderbescherming en het college. Het voorgestelde artikel 261 [thans: 265b
, toev. plv. P-G], derde lid, bepaalt dat in die gevallen de rechter toch een machtiging uithuisplaatsing kan verlenen in het belang van het kind. Zo kan er sprake zijn van een spoed- of crisisuithuisplaatsing waarbij het besluit van het college niet kan worden afgewacht.
dat strekt tot plaatsing bij een andere met het gezag belaste ouder,een besluit van het college van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet niet behoeft te worden overgelegd [20] . Dat standpunt lijkt mij juist. Het op grond van art. 1:265b lid 2 BW over te leggen besluit van het college van burgemeester en wethouders ziet op het verlenen van een individuele voorziening (met betrekking tot de uithuisplaatsing). Dat volgt uit de hiervoor aangehaalde toelichting tijdens de parlementaire behandeling, maar logisch ook uit het voorschrift zelf. Indien het verzoek strekt tot plaatsing bij de andere met het gezag belaste ouder, is een door de gemeente te verschaffen individuele voorziening niet aan de orde. De plaatsing bij de andere ouder is geen vorm van ondersteuning die afhankelijk is van een verleningsbesluit van de gemeente. De gemeente is voor die plaatsing ook niet financieel verantwoordelijk [21] . Hieruit maak ik op dat de wetgever in de Jeugdwet en in het daarop afgestemde art. 1:265b lid 2 BW slechts het oog heeft op de (in de praktijk meest voorkomende) situatie dat de minderjarige in de pleegzorg of in een instelling wordt geplaatst; niet op de plaatsing bij de andere ouder of ander naast familielid. Dat brengt met zich dat bij een verzoek van de Raad of het Openbaar Ministerie om een machtiging tot uithuisplaatsing geen verleningsbesluit van het college van burgemeester en wethouders behoeft te worden overgelegd indien het verzoek strekt tot plaatsing bij een andere ouder of een naaste (niet-pleegouder).
onderdeel 2klaagt het middel allereerst dat het college van burgemeester en wethouders op grond van art. 2.3 lid 1 Jeugdwet had behoren te onderzoeken of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de moeder al dan niet toereikend waren [26] .
Ten behoeve van de moeder merkt het hof op dat voor een goede beoordeling van een mogelijke thuisplaatsing van [de minderjarige] het noodzakelijk is dat de moeder zo snel mogelijk haar volledige medewerking verleent aan het onderzoek en de hulpverlening die de GI hiertoe noodzakelijk acht.” Deze oordelen zijn feitelijk van aard en in cassatie niet bestreden.