Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB2013/109 meebrengt dat niet beoordeeld hoeft te worden of een niet van de winst van de debetstand-vennootschappen afhankelijke vergoeding kon worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, omdat de overeenkomst slechts binnen een concern denkbaar is en daarmee in de kapitaal- c.q. deelnemingssfeer ligt.
debetsaldi (die zich volgens de overeenkomst slechts ‘incidenteel’ zouden voordoen); anderzijds is het verrekeningsrecht van de bank beperkt tot de
creditsaldi en hebben de vennootschappen alleen hun
creditsaldi (en eventuele regresvorderingen) aan de bank verpand.
cash poolingvan kennelijk incidentele debetstanden ter voorkoming van debetrente niet onbestaanbaar achtte tussen derden tegen zakelijke voorwaarden en daarom geen handelen als aandeelhouder/dochter aannemelijk achtte (zie r.o. 4.9). Het Hof achtte kennelijk zelfs berekening van onderlinge
arm’s lengthvergoedingen niet nodig omdat hij de Inspecteur niet geslaagd achtte in het bewijs dat er tussen de vennootschappen significante verschillen in kansen op voor- en nadeel bestonden (zie r.o. 4.9). Dat lijkt mij geen onbegrijpelijk oordeel, dat verweven is met uitleg van de overeenkomst en waardering van feiten die in cassatie niet ter beoordeling staan.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
cash pooling) ter zake van die tien bankrekeningen overeengekomen (de overeenkomst). De debetrente op de saldi bedroeg 12% per jaar en de creditrente 0,25% per jaar. De Hofuitspraak citeert een deel van die overeenkomst (zie r.o. 2.7). Ik citeer daarvan enige onderdelen:
NTFR2015/1533) becommentarieerde deze uitspraak als volgt:
NTFR2017/3053) acht onbeslist de vraag of ‘s Hofs kennelijke uitgangspunt juist is dat u met ‘voordelen’ in het Paraplukredietarrest niet doelde op rentestandvoordelen, nu u die niet noemde maar wel uitdrukkelijk op andere voordelen van het arrangement inging:
NLF2017/2860) meent dat het Hof ten onrechte het Paraplukredietarrest terzijde heeft gelegd, maar ook dat u met dat arrest wellicht iets te ver bent doorgeschoten in het uitschakelen van de
arm’s lengthtest bij garanties binnen concerns:
FutD(2017/2869) speculeert over de reikwijdte van het Paraplukredietarrest en de vraag of het Hof dat arrest terecht terzijde heeft gelegd:
3.Het geding in cassatie
arm’s lengthkan maken:
repliekreageert de Staatssecretaris op de stelling van de belanghebbenden dat de debetsaldi pas zijn ontstaan onder de nieuwe eigenaar van de vervreemde vennootschappen:
dupliekherhalen de belanghebbenden dat op groepsniveau geen sprake was van enig krediet en (mede daarom) evenmin van een onzakelijk debiteurenrisico, nu alle vennootschappen vergelijkbare (kansen op) saldofluctuaties vertoonden.
4.Behandeling van het middel
überhauptgeen debetrente betaald hoeft te worden, zoals in casu. U noemde alleen de mogelijk ruimere toegang tot krediet en mogelijk betere ondernemingsresultaten door synergie ter zake van de door het paraplukrediet gefinancierde ondernemingsactiviteiten, die u in de ondernemingssfeer en niet in de kapitaalsfeer situeerde.
cash pooling. Per saldo wordt op groepsniveau niets geleend van de bank. In wezen lenen de groepsvennootschappen via de bank overtollig kasgeld van en aan elkaar zonder elkaar rente te berekenen of van elkaar zekerheden te bedingen.
comparable uncontrolled price) voor de onderlinge garanties denkbaar was (zie de onderdelen 3.2 - 3.4 van de bijlage) c.q. beschouwt dat als een (deels) feitelijk oordeel dat u niet zelf kon vellen, maar aan de feitenrechter had moeten overlaten (zie onderdeel 2.17 van de bijlage). Ik meen echter dat dat niet is wat het Paraplukredietarrest zegt. Het zegt mijns inziens (zie onderdeel 4 van de bijlage) dat aan een
CUP-test niet werd toegekomen omdat de objectieve kenmerken van het desbetreffende kredietarrangement geen andere conclusie toelieten dan dat alle betrokken groepsvennootschappen handelden als geconsolideerd groepsonderdeel en daarmee in de deelnemings/kapitaalsfeer, zulks omdat (i) ten behoeve van de groepskredietverlening zowel aan de zijde van de crediteur(en) als aan de zijde van de vennootschappen feitelijk werd geconsolideerd, (ii) de desbetreffende vennootschappen de financiering van de door hen in stand gehouden ondernemingen met vreemd vermogen en de daarbij over en weer gelopen risico’s in functie stelden van het groepsbelang en (iii) zij een aansprakelijkheid aanvaardden die groter is dan de aansprakelijkheid die bestaat bij het zelfstandig aantrekken van vreemd vermogen.
per saldoop geen enkel moment iets aan belanghebbendes groep werd uitgeleend door de bank, zodat geen sprake is onbeperkte hoofdelijke aansprakelijkheid voor een enorme groepsschuld aan de bank, terwijl evenmin sprake was van financiering met vreemd vermogen door de bank van de ondernemingen van de groepsvennootschappen. Ik merk in dat verband op dat de overeenkomst bepaalt dat “het (…) de bedoeling (is) dat van deze [rekening-courant; PJW] kredieten slechts incidenteel gebruik wordt gemaakt”.
debetsaldi (die zich echter slechts incidenteel zouden voordoen); anderzijds is het verrekeningsrecht van de bank beperkt tot de
creditsaldi en verpandden de vennootschappen alleen hun
creditsaldi aan de bank. Ik neem aan dat de aansprakelijkheid beperkt is tot het totaal van de debetstanden.
de garanties zelfook fiscaalrechtelijk een garantie blijft en niet als storting, onttrekking of uitdeling uitdeling moet worden beschouwd, (ii) dat voorts de voorwaarden en omstandigheden ook niet zodanig onzakelijk waren dat geen derde gevonden zou kunnen worden, zodat ook
de gevolgen van de garantiesniet buiten de winstsfeer lagen en ten slotte nogal impliciet (iii) dat zelfs geen prijscorrectie nodig is omdat de kansen op voor- en nadeel bij aanvang, over de lange termijn bezien, voor de betrokken vennootschappen vergelijkbaar waren.
cash poolingvan kennelijk incidentele debetstanden ter voorkoming van debetrente niet onbestaanbaar achtte tussen derden tegen zakelijke voorwaarden en
daaromgeen handelen als aandeelhouder/dochter aannemelijk achtte (zie r.o. 4.9). Dat is geen sluitende redenering (zie onderdeel 4 van de bijlage), maar dat doet aan de uitkomst ervan niet af. Het Hof is niet ingegaan op de berekening van onderlinge
arm’s lengthvergoedingen omdat hij de inspecteur niet geslaagd achtte in het bewijs dat er tussen de vennootschappen significante verschillen in kansen op voor- en nadeel bestonden (zie r.o. 4.9). Dit alles lijkt mij geen onbegrijpelijk oordeel, dat verweven is met uitleg van de overeenkomst en waardering van feiten die in cassatie niet ter beoordeling staan.
alsdeze
cash poolingals handelen in de kapitaal-/deelnemingssfeer wordt beschouwd en de aftrek wordt geweigerd, moeten dan de winsten van de betrokken vennootschappen niet ook
neerwaartsworden bijgesteld met 12% over hun debetstanden, nu dat voordeel dan immers eveneens opkwam uit hun intervennootschappelijke verhoudingen en niet uit hun ondernemingsuitoefening?