Conclusie
eerste middelbestaat uit twee onderdelen. Onder A wordt opgekomen tegen de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffers] . Onder B wordt geklaagd dat het bewijs voor het opzet op levensberoving tekortschiet.
"Overweging omtrent het bewijs
"Nadere bewijsoverweging
tweede middelklaagt dat het hof niet zonder zelf de betrouwbaarheid van de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter terechtzitting te hebben getoetst hun verklaringen voor het bewijs heeft mogen bezigen, nu de rechtbank had geoordeeld dat de verklaringen van verdachte wel geloof verdienen en de verklaringen van beide broeders niet en daarom verdachte had vrijgesproken. Nu het hof heeft nagelaten zelf de betrouwbaarheid van deze doorslaggevende getuigen te toetsen heeft de verdachte geen eerlijk proces gekregen. Het middel verwijst in dit verband naar rechtspraak van het EHRM, meer bepaald naar EHRM 28 februari 2017, nr. 56875/11 (Manoli vs. Moldavia) en EHRM 29 juni 2017, nr. 63446/13 (Lorifice vs. Italy). [7]
derde middelklaagt over de strafoplegging. De door het hof opgelegde straf is aanzienlijk hoger dan de straf van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk die de AG in hoger beroep heeft gevorderd voor de feiten waarvoor het hof ook veroordeelde. Bovendien beschikte het hof, overigens net als de rechtbank, over een reclasseringsrapportage over verdachte waarin een positief beeld van hem werd geschetst. Voorts heeft het hof in het midden gelaten dat de gebroeders [slachtoffers] verdachte eerder hebben bedreigd. Deze omstandigheid is uitgebreid onderbouwd aan het hof voorgehouden. Gelet op al deze omstandigheden wekt het verbazing dat het hof ten nadeel van verdachte zo fors is afgeweken van de eis van de AG en van het standpunt van de verdediging.