Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het verzoek tot het horen van een aantal getuigen onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen, althans dat deze afwijzing onbegrijpelijk is.
[betrokkene 1]
[betrokkene 2]
[betrokkene 3]
[betrokkene 4]
[betrokkene 5]
[betrokkene 6]
[betrokkene 7]
[betrokkene 8]
[betrokkene 9]
[betrokkene 10]
[betrokkene 11]
[betrokkene 12]
[betrokkene 13]
[betrokkene 14]
[betrokkene 15]
[betrokkene 16]
[betrokkene 17]
[betrokkene 18]
[betrokkene 19]
[betrokkene 20]
[betrokkene 21]
[betrokkene 22]
“Verdedigingsbelang
(..)
tweede middelklaagt over (de motivering van) het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld, dan wel uit andere strafbare feiten.
“Beoordeling
als relaas van de rapporteur:
Inleiding.
Ik heb een onderzoek ingesteld naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980.
Onderzoeksresultaten
Berekening wederrechtelijk verkregen vermogen via de eenvoudige kasopstelling.
Beginsaldo kas.
Uit de beschikbare onderzoeksgegevens is achteraf niet meer te herleiden welk bedrag [verdachte] op 1 januari 2003 contant voorhanden had. Als beginsaldo is daarom een stelpost opgenomen van € 250,-.
Legale contante ontvangsten.
Uit onderzoek bij de FIOD te Haarlem bleek dat van de verdachte [verdachte] over de periode 2003 tot en met 2007 geen inkomstengegevens bekend zijn. Voor zover na te gaan heeft [verdachte] in deze periode geen legaal inkomen genoten.
Werkelijke contante uitgaven.
Werkelijke contante uitgaven, zoals daarvan is gebleken uit het financieel onderzoek, zullen hierna worden uitgewerkt.
MOT Transacties.
Uit het onderzoek is gebleken dat door of op naam van [verdachte] in de periode van november 2003 tot en met 6 maart 2008 een groot aantal moneytransfers zijn uitgevoerd voor een totaal bedrag van € 171.953,-.
Kasopnames en kasstortingen.
Uit de beschikbare bankafschriften is op te maken dat in de periode van 7 december 2005 tot en met 21 december 2006 in totaal een bedrag van € 3020,- is gestort op de bankrekening van [betrokkene 23] . [betrokkene 23] heeft hierover verklaard dat zij geld kreeg van [verdachte] en van haar vader. De getuige [betrokkene 24] heeft verklaard geen giften aan haar te hebben gedaan.
Amerikaanse dollars.
Auto.
De koop van een personenauto door [verdachte] , waarvoor hij € 12.824,- heeft betaald bij de aankoop en € 8.500,- heeft ontvangen bij de verkoop ervan, kan worden gezien als een contante uitgave bij koop en een contante ontvangst bij verkoop. Het verschil van € 4.354,- kan worden aangemerkt als een contante uitgave in het kader van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deurwaarderskantoor [A] .
Uit klantenoverzichten van deurwaarderskantoor [A] blijkt dat er op in de periode van 14 december 2006 tot en met 15 november 2007 vijf keer een bedrag, in totaal € 17.706,15, is betaald door of namens [verdachte] .
Eindsaldo.
Bij de aanhouding op 21 mei 2008 werd bij [verdachte] geen contant geld in beslag genomen.
uit het strafdossier en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.” De steller van het middel komt met motiveringsklachten op tegen de grondslag voor de ontnemingsmaatregel. Eerst bespreek ik in dat verband “
het bewezen verklaarde handelen”, daarna komen de “
andere strafbare feiten” aan de orde.
maar ook het overdragen en omzetten van geldbedragen tot een totaal van € 171.953,-” bewezen is verklaard.
uit andere strafbare feiten”.
andere strafbare feitenwaaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. De bewezenverklaring van (kort gezegd) gewoontewitwassen bestrijkt echter de periode van 28 maart 2003 tot en met 6 maart 2008. [13] Het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld is dus begaan vóór 1 juli 2011, zodat het in art. 1, eerste lid, Sr vervatte legaliteitsbeginsel meebrengt dat art. 36e Sr in zijn huidige vorm buiten toepassing dient te blijven. [14] , [15] Hierover is in cassatie echter geen klacht geformuleerd.
oud), Sr [16] de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat ook (dat misdrijf of)
andere strafbare feitener op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Mogelijk knoopt ’s hofs oordeel omtrent de grondslag van de ontnemingsmaatregel dus aan bij art. 36e, derde lid (oud), Sr. Echter, tot 1 juli 2011 was slechts ontneming mogelijk op grond van deze bepaling indien was voldaan aan de toepassingsvoorwaarde dat tegen de betrokkene als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld. [17]
dit(eventuele) verzuim in cassatie ook geen klacht is geformuleerd. Ik kom daarop nog terug.
daadwerkelijkheeft behaald als uitvloeisel van de strafbare gedraging die ten grondslag ligt aan de schatting van het voordeel. [18] De ontneming van een bedrag aan de veroordeelde zonder dat wordt vastgesteld dat dit bedrag in zijn vermogen is gevloeid, verdraagt zich daarom moeizaam met het karakter van de ontnemingsmaatregel. [19]
tweede lid, Sr, moet het bedrag dat aan de hand van die kasopstelling is vastgesteld “
in voldoende mate kunnen worden gerelateerd” aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in die (thans geldende) bepaling, aldus de Hoge Raad. [21] De rechter mag dus niet in het midden laten of het voordeel uitsluitend is verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde (gewoonte)witwassen, dan wel of en in hoeverre aan dat voordeel ook (eventueel andere bewezen verklaarde feiten dan wel) andere strafbare feiten ten grondslag liggen. Voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr is bovendien vereist dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat zij
door de betrokkenezijn begaan.
derde lid (oud), Sr, is vereist dat aannemelijk is dat ook dat misdrijf of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Zoals gezegd dient bovendien tegen de betrokkene als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek te zijn ingesteld.