Conclusie
1.Feiten en procesverloop
partijbij een gegeven beslissing was het recht toekomt herziening daarvan te vragen [7] ,
strafprocesrechtbestaat vanouds het buitengewoon rechtsmiddel van herziening [13] . Hier is het niet dezelfde rechter, maar de Hoge Raad die de toelatingsbeslissing neemt. Op de voet van art. 457 lid 1 Sv Pro kan de Hoge Raad, op vordering van de procureur-generaal of op verzoek van de verdachte te wiens aanzien een vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, ten voordele van de gewezen verdachte een uitspraak van de Nederlandse strafrechter, houdende een veroordeling, herzien:
nova’(nieuwe feiten). In een conclusie heeft de A-G Aben zich uitgesproken over de ratio van een herziening op grond van
nova. Hij schreef onder het kopje ‘spanning tussen rechtszekerheid en rechtsherstel’:
burgerlijk procesrechtstelt art. 382 Rv Pro het buitengewoon rechtsmiddel van herroeping open tegen een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, indien (a) het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd, (b) het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis of arrest is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of (c) de partij na het vonnis of arrest stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden. Onder het ‘bedrog’, in de a-grond genoemd, valt het verzwijgen van feiten die tot een voor de wederpartij gunstige afloop van de procedure zouden hebben kunnen leiden [16] . Heeft het verzwijgen/achterhouden geen bedrieglijk karakter, dan kan de c-grond van toepassing zijn [17] . Herroeping maakt inbreuk op het gezag van gewijsde en is daarom slechts mogelijk in uitzonderlijke gevallen, waarin het vasthouden aan het gewijsde in ernstige mate onrechtvaardig zou zijn [18] .
beroepen in de individuele gezondheidszorg(wet BIG; Stb. 1993/655) is herstel van een verloren bevoegdheid als beroepsbeoefenaar – alléén ten voordele van de betrokken beroepsbeoefenaar – mogelijk wanneer naderhand omstandigheden zijn gebleken die naar ernstig vermoeden tot een afwijkende beslissing zouden hebben geleid, indien zij tijdig bekend waren geworden [21] . Volgens de parlementaire geschiedenis kan deze regeling worden gebruikt bij ‘rechterlijke dwalingen in het nadeel van de aangeklaagde’ en tot redres van ‘dwalingen ten aanzien van feitelijke omstandigheden’ [22] . De mogelijkheid van herstel is gehandhaafd in het thans bij de Tweede Kamer in behandeling zijnde wetsvoorstel ter modernisering van het tuchtrecht voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg [23] .
nova’) onder bepaalde voorwaarden. Deze functie maakt het volgens hem verantwoord om, naar systeem-analogie, herziening ook mogelijk te achten in het notarieel tuchtprocesrecht. Hij tekent wel aan dat het hof Amsterdam in zijn beslissing van 25 maart 1999 deze mogelijkheid uitdrukkelijk voorbehield voor ‘bijzondere gevallen’. Daaruit is voor het notarieel tuchtprocesrecht af te leiden dat in het algemeen slechts nieuwe feiten of feiten die schending van fundamentele beginselen van behoorlijke tuchtrechtspraak opleveren, een herziening mogelijk maken [35] .
3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
in beginselberoep in cassatie openstaat tegen de beslissing van het gerechtshof en art. 94 lid 1 Wna Pro wordt opgevat als een beperking daarvan – een rechtsmiddelverbod −, is een afzonderlijke afweging door de wetgever niet vereist. Binnen het verzamelbegrip ‘tuchtrechtspraak voor notarissen’ behoefde de wetgever, bij zijn afweging of een rechtsmiddelenverbod wenselijk is, geen onderscheid te maken tussen de beslissing in de tuchtzaak (in hoger beroep) en anderzijds de beslissingen van het hof op een verzoek tot herziening daarvan.
trias politica), het invoeren van een herzieningsmogelijkheid de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Bij dit onderwerp zou ik onderscheid willen maken tussen een herziening ten voordele en een herziening ten nadele van de betrokken beroepsbeoefenaar. Ingeval een tuchtrechter voor notarissen een hem bij wet toegekende bevoegdheid heeft uitgeoefend en een maatregel heeft opgelegd, en hetzelfde tuchtrechtelijk college dit later ongedaan maakt, weegt het argument van de ontbrekende wettelijke grondslag voor herziening niet heel zwaar [43] . Anders ligt het in de omgekeerde situatie. Stel, dat het hof een klacht tegen een notaris ongegrond heeft verklaard: in dat geval gaat het m.i. de rechtsvormende taak van de tuchtrechter te buiten om, zonder dat de wet daarvoor een deugdelijke grondslag biedt, een herziening ten nadele van de betrokken notaris in te voeren. Ik stip in dit verband de uit het strafrecht bekende problematiek van
ne bis in idemaan. In de thans betreden beslissing gaat het om een herziening ten voordele. Indien de Hoge Raad toekomt aan onderdeel 1, faalt dit.
middelonderdelen 5 en 6.1 – 6.3behelzen een reeks motiveringsklachten die voornamelijk zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat de in het herzieningsverzoek van de oud-notaris bedoelde (nieuw gebleken) feiten tot een andere beslissing in de tuchtzaak hadden kunnen leiden, indien zij in de tuchtzaak tijdig bekend zouden zijn geweest. Een afzonderlijke bespreking van deze klachten lijkt mij op dit moment niet nodig, mede in het licht van de beslissing die het hof op 13 juni 2017 na heropening van de zaak heeft genomen. Mocht de Hoge Raad daarop prijs stellen, dan houd ik mij gereed om hierover een aanvullende conclusie te nemen.