Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
3.Het geding in cassatie
4.Bijtelling per 1 januari 2017 en overgangsrecht
Wetgeving
Stb. 2016-275.
5.Non-discriminatiebeginsel van artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro
Wetgeving
BNB1994/112 was de gerechtvaardigde doelstelling gelegen in redenen van uitvoerbaarheid en controleerbaarheid: [16]
BNB1990/61: [17]
BNB2013/276 [18] inzake de tariefverlaging in de overdrachtsbelasting van 6% naar 2%. In beide zaken wordt een ‘nieuwe situatie’ gunstiger behandeld dan een ‘bestaande situatie’. In de onderhavige zaak volgt dit uit het overgangsrecht. In HR
BNB2013/276 was het de terugwerkende kracht van de wetswijziging. Naar het oordeel van de Hoge Raad was het non-discriminatiebeginsel niet geschonden:
Schuver-Bravenboeris overgangsrecht niet in strijd met het non-discriminatiebeginsel indien met het overgangsrecht een legitiem doel wordt nagestreefd én de aangewende middelen in proportie staan tot dat doel. [19]
Schuver-Bravenboeronder meer geschreven:
6.Eigendomsrecht van artikel 1 EP Pro EVRM
Wetgeving
interference) met het ongestoord genot van dit eigendom?
interference?
interferencetot gevolg heeft rechtmatig (l
awful)?
legitimate aim) voor de
interference?
fair balancetussen het nagestreefde algemene belang en individuele rechten op regelniveau?
excessive individual burden?
belastendeals
begunstigendewetswijzigingen een rol. Bij begunstigende wetswijzigingen is deze rol evenwel beperkter. Een schending van het eigendomsrecht is bij de invoering van een begunstigende regel namelijk niet mogelijk, omdat het genot van eigendom in dat geval niet wordt beperkt. Bij begunstigende wetswijzigingen blijft de toets aan het vereiste van overeenstemming met hogere regelgeving dan ook beperkt tot toetsing aan het non-discriminatiebeginsel. Het kan voorkomen dat nieuwe – gunstigere – regel niet op alle belastingplichtigen tegelijk van toepassing wordt.
7.Beoordeling middelen
Inleiding
nietop tegen het bijtellingsregime als zodanig. Hij wenst ‘slechts’ aanspraak te maken op de per 1 januari 2017 ingevoerde verlaging van de bijtelling van 25% naar 22%, zoals belastingplichtigen met een gelijksoortige auto met een datum eerste toelating van 1 januari 2017 of later dat kunnen. Het bij hem toegepaste bijtellingspercentage moet in zijn optiek dan ook worden vastgesteld op 22.
BNB2013/276 [31] ). Hierbij geldt de algemene regel dat hem een
wide margin of appreciationtoekomt.
interference) met het ongestoord genot van dit eigendom; en
interference.
interferencetot gevolg heeft rechtmatig (l
awful)?
legitimate aim) voor de
interference?
fair balancetussen het nagestreefde algemene belang en individuele rechten op regelniveau?
excessive individual burden?
legitimate aimvoor de
interferenceontbreekt. Een onderscheid op basis van datum eerste toelating is niet een onderscheid op basis van het algemeen belang.
fair balanceontbreekt). Hij betoogt dat – als gevolg van het gebrek aan overgangsrecht in het verleden – bij veel autorijders de verwachting bestond dat overgangsrecht ook nu zou ontbreken. [37] Voorts voert belanghebbende aan dat belastingplichtigen met een identieke auto worden geconfronteerd met een autokostenforfait dat 14% hoger ligt. [38]
fair balancegeen sprake is. [39] Ook het mislopen van een ‘voordeel’ van 3% kan bezwaarlijk als buitensporig worden aangemerkt.