Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Oost-Nederlandvan 29 januari 2013, nr. AWB 12/5950, betreffende een aanslag in de erfbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting over de nalatenschap van zijn overleden ouder, waarbij geen ondernemingsvermogen aanwezig was, maar hij stelde dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit onterecht niet werd toegepast. De Rechtbank Oost-Nederland verklaarde het beroep ongegrond, omdat de faciliteit gericht is op het voorkomen van liquiditeitsproblemen bij ondernemingen en niet-ondernemingsvermogen niet gelijk is aan ondernemingsvermogen.
In cassatie voerde belanghebbende aan dat de faciliteit in strijd is met het discriminatieverbod van internationale verdragen, omdat het onderscheid tussen ondernemingsvermogen en ander vermogen niet objectief gerechtvaardigd zou zijn. De Hoge Raad oordeelde dat het discriminatieverbod niet iedere ongelijke behandeling verbiedt, maar alleen die zonder redelijke en objectieve rechtvaardiging. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid, zeker op fiscaal terrein.
De Hoge Raad analyseerde de wetsgeschiedenis en concludeerde dat de faciliteit is ingesteld om de continuïteit van familiebedrijven te waarborgen en ondernemerschap te stimuleren. Hoewel de faciliteit een ongelijke behandeling inhoudt, is deze niet evident onredelijk of disproportioneel. De wetgever baseerde zich op praktijkrapporten en beleidsdoelen, wat voldoende rechtvaardiging biedt.
De Hoge Raad bevestigde dat de faciliteit niet leidt tot discriminatie in de zin van internationale verdragen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank blijft in stand.