Conclusie
www.okolie.nl.
info@totalcare.nl”
www.okolie.nlen een bevel tot medewerking aan overdracht van
grieven I en IIgericht.
anders dan ter onderscheidingvan waren of diensten als bedoeld in artikel 5 lid Pro 5, niet onder de communautaire harmonisatie valt. Dit heeft tot gevolg dat uitleg van artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE is voorbehouden aan het Benelux Gerechtshof (hierna: BenGH) en niet aan het HvJ. Dit heeft tevens tot gevolg dat de rechtspraak van het HvJ met betrekking tot de leden 1 en 2 van artikel 5 niet Pro overeenkomstig van toepassing is op lid 5. De rechtspraak van het HvJ heeft bij de uitleg van de in lid 5 gebruikte begrippen mogelijk een voorbeeldfunctie, zoals ook partijen menen, maar daarbij dient in ogenschouw te worden gehouden dat lid 5 door een andere ratio is ingegeven dan de leden 1 en 2 (vgl. de conclusie van de AG bij yoornoemd arrest Robeco/Robelco). Lid 5 behelst geen bescherming in de door de Harmonisatierichtlijn bedoelde merkenrechtelijke zin, maar een bescherming tegen oneerlijke mededinging (zie punt 32 van het Robeco/Robelco-arrest), waaronder, zoals ook de rechtbank met juistheid heeft overwogen, goodwillbescherming.
gebruikanders dan ter onderscheiding van waren en diensten in de zin van artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daartoe is het volgende redengevend.
louter geregistreerdhouden van een domeinnaam gebruik oplevert, kan naar het oordeel van het hof in deze zaak in het midden blijven, nu de domeinnaam ok.nl wordt gebruikt voor de hiervoor onder (...) [1.8] opgenomen mededeling en Gaos in haar memorie van antwoord en ter gelegenheid van het pleidooi heeft aangekondigd de domeinnaam op korte termijn te willen gaan gebruiken. Dat Gaos de domeinnaam ok.nl slechts in een maatschappelijke context wil gaan gebruiken, zoals zij stelt, is vanwege het schrappen van genoemde voorwaarde niet relevant.
Deze domeinnaam is geregistreerd door een van onze klanten”negatief appelleren aan de activiteiten van Fuelplaza onder het beeldmerk OK.
grief Vmaakt Fuelplaza bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis dat er geen zodanige bijkomende omstandigheden zijn gesteld of gebleken. Het belangrijkste argument van Fuelplaza is dat Gaos door het registreren van ruim 300 domeinnamen zich schuldig maakt aan domeinnaamkaping en om die reden als te kwader trouw moet worden beschouwd. (…)
grief VI, dat Fuelplaza Gaos meerdere financiële voorstellen heeft gedaan om de domeinnaam ok.nl over te nemen, die Gaos kennelijk heeft afgewezen, maakt niet dat er sprake is van misbruik van recht. Het staat Gaos als rechthebbende op de domeinnaam ok.nl immers vrij te bepalen of en aan wie zij de domeinnaam overdraagt. De grief faalt.”
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
eerste onderdeelis gericht tegen het oordeel dat geen sprake is van merkinbreuk “sub d”.
tweede onderdeelbestrijdt dat Gaos door het geregistreerd houden van de domeinnaam
derde onderdeelvalt het oordeel aan dat Gaos geen van misbruik van recht maakt.
domain name grabbingof
cyber squatting): het te kwader trouw registreren van, handelen in, of bezet houden van een domeinnaam met het oogmerk te profiteren van een merk, handelsnaam of enig ander teken dat door een ander gebruikt wordt (procesinleiding in cassatie 3.1 en s.t. 1.1).
free riding/kielzog varen:
Intel-arrest (als bevestigd in
Ferrero) de mate van bekendheid van het merk en het onderscheidend vermogen ervan [11] .
als merk,
markenmässigin het Duits [20] . Bij gebruik van een teken anders dan ter onderscheiding van waren of diensten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gebruik zuiver als handelsnaam [21] . Andere voorbeelden zijn het gebruiken van het merk van een ander in vergelijkende reclame [22] of het gebruik als domeinnaam of hyperlink [23] .
markenmässiggebruik in het maatschappelijk verkeer kon merkinbreuk opleveren, dat was alleen zo wanneer het plaatsvond met het oogmerk van behalen van economisch voordeel [24] . Volgens het BenGH was van gebruik in het economisch verkeer sprake indien “zulks – anders dan met een uitsluitend wetenschappelijk doel – plaatsvindt in het kader van een bedrijf, van een beroep, of van enig andere – niet in de particuliere sfeer verrichte – activiteit waarmede economisch voordeel wordt beoogd” [25] .
/free riding/kielzog varen);
l’Oréal/Bellure-arrest [31] ). Dat tast de goodwill-functie van het merk aan. Het risico op een dergelijke afbreuk kan met name volgen uit het feit dat de waren of diensten die door de derde worden aangeboden een kenmerk of kwaliteit bezitten waarvan een negatieve invloed op het imago van het merk kan uitgaan. Hierbij geldt dat hoe groter het onderscheidend vermogen en de bekendheid van het merk zijn, hoe gemakkelijker afbreuk zal kunnen worden vastgesteld [32] .
free riding [33] . Om uit te maken of ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken moet een globale beoordeling worden gemaakt met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval, waaronder met name de mate van bekendheid en de mate waarin het merk onderscheidend vermogen heeft, de mate van overeenstemming van merk en teken en de aard en de mate waarin de betrokken waren en diensten gerelateerd zijn [34] . Bij kielzog varen wordt getracht van de aantrekkingskracht, de reputatie en het prestige van het merk te profiteren en om zonder enige financiële vergoeding en zonder daarvoor passende inspanningen te moeten leveren, voordeel te halen uit de commerciële inspanning die de houder van het merk heeft gedaan om het imago van dat merk te creëren en te onderhouden [35] .
Claeryn/Klarein [36] , een geval van afbreuk doen aan het kooplustopwekkend vermogen van het jenevermerk door een overeenstemmend teken voor een schoonmaakmiddel
.In 1975 werd slechts plaats gezien voor een geldige reden “sub d” in geval van noodzaak tot ander gebruik of bij een eigen recht met betere papieren, zij het met de weinig verrassende aantekening dat de betreffende beoordeling steeds afhankelijk is van de omstandigheden van het geval [37] . Noodzaak in de zin van het redelijkerwijs niet kunnen vergen van de “andere gebruiker” zich van dat gebruik te onthouden, ondanks het berokkenen van schade aan de merkhouder. Een eigen recht moest volgens het BenGH een zodanig karakter hebben, dat dat niet voor dat van de merkhouder hoefde te wijken, bijvoorbeeld in geval van een ouder recht. Wanneer daarvan kon worden gesproken viel volgen het BenGH niet in algemene zin te beantwoorden.
Leidseplein/Red Bull [38] Unierechtelijk uitgelaten over geldige reden “sub c”. Deze Unierechtelijke invulling is ruimer dan wat oudtijds daaronder werd verstaan onder Beneluxmerkenrecht “sub d” [39] .
Claeryn/Klarein-arrest als het
Leidseplein Beheer/Red Bull-arrest en lijkt aldus de Unierechtelijke “sub c”-uitleg uit laatstgenoemd arrest door te trekken naar de in onze zaak aan de orde zijnde “sub d”-beoordeling van geldige reden.
escape.
pour besoin de la causeeen niet concreet toekomstig belang noemt dat niet overeenstemt met haar statutaire doel (onder verwijzing naar dezelfde vindplaatsen in feitelijke instanties).
sechier al ander gebruik zou opleveren, omdat er namelijk meer gebeurt waarmee in zijn ogen over de lage gebruiksdrempel wordt gekomen: bij intypen van
info@totalcare.nl” en dat vindt het hof hier voldoende om te kwalificeren als ander gebruik dan als merk “sud d”. Dat is helemaal niet onbegrijpelijk en behelst een impliciete maar goed te volgen redenering waarom dit in het kader van de “sub d” beoordeling zodoende gaat om “in rechte te respecteren gebruik” door Gaos op deze manier. Hier ligt merkenrechtelijk geen misbruiktoets voor, maar een gebruikstoets (met een lage drempel).
l’Oréal/Bellure(vp. vt. 31, vgl. hiervoor in 2.21).
subonderdeel 2.3.1in de eerste plaats aan dat de overweging in rov. 5.17 dat rekening moet worden gehouden met het beperkte onderscheidend vermogen van het beeldmerk tegenstrijdig is aan het oordeel in rov. 5.16 dat het beeldmerk wel onderscheidend vermogen heeft en alleen al daarom onbegrijpelijk is.
l’Oréal/Bellurein deze andere sleutel opnieuw onder meer de vraag naar de onderscheidende kracht van het merk van belang (vgl. hiervoor 2.21 en 2.30).
van huis uitweinig onderscheidend is (kennelijk ook voor waren in klassen 4 en 19). Maar het hof voegt daar meteen aan toe dat naar zijn feitelijk oordeel dat het beeldmerk OK
vanwege het toegevoegde beeldelementvoor waren in klassen 4 en 19
niet uitsluitend beschrijvendis en er bovendien, zo er al sprake zou zijn van onvoldoende onderscheidend vermogen ten tijde van depot van het merk, dit inmiddels
door het recente gebruik alsnog is verkregen. Nu er ook (onweersproken volgens het hof) sprake is van
enige mate van bekendheidvan OK Oliecentrale’s beeldmerk na de re-branding van 32 overgenomen Q8 benzinestations tot OK-stations, oordeelt het hof feitelijk dat gelet op de auditieve en begripsmatige overeenstemming tussen merk en teken en het groeiende marktaandeel van OK, de
overeenstemmingsdrempel(in de ogen van het hof: een lage) wordt geslecht. Die overeenstemming wordt andermaal naar het feitelijke hofoordeel niet weggenomen door de afwijkende vormgeving van het beeldmerk.
l’Oréal/Bellure(vp. vt. 31)
.
ongerechtvaardigd voordeel trekt uit het occuperen van de domeinnaam
ongerechtvaardigd voordeel trekt uit OK Oliecentrale’s merk.
ongerechtvaardigd voordeel trekkenis het niet aan de vermeende inbreukmaker om te onderbouwen welk belang deze heeft bij gebruik van het teken. Dat belang kan eventueel wel aan de orde komen bij de vraag naar de
geldige reden [43] , maar dat is niet waar het hier bestreden oordeel van het hof op ziet. Dat wordt door de klacht met de verwijzing naar de in evenbedoelde voetnoot genoemde rechtspraak miskend.
subonderdeel 2.5.2klemt het voorgaande te meer nu OK Oliecentrale heeft gesteld dat het niet mogelijk is in de registers te onderzoeken welke domeinnamen door welke domeinnaamhouders worden gehouden en het onmogelijk is om de
animusvan Gaos te bewijzen (onder verwijzing naar MvG 36). Bovendien is het hof op onbegrijpelijke wijze voorbijgegaan aan het feit dat Gaos wel degelijk bereid was om de domeinnaam aan OK Oliecentrale te verkopen en dat ook in de laatste mailwisseling tussen partijen geen weigering kan worden gelezen om de domeinnaam aan haar te verkopen.
blijkens het uittreksel van de kamer van koophandel, bezig houdt met beleggingen (rov. 3.1). Het hof hoefde deze stelling niet uit zichzelf te betrekken bij de beoordeling of Gaos ongerechtvaardigd voordeel trekt uit de reputatie van het merk.
inmiddels verkregen(geringe) bekendheid van het merk exploiteert. Daarbij zou van belang kunnen zijn dat de door OK Oliecentrale gestelde grondslag voor het ongerechtvaardigd voordeel trekken niet is het registreren van de domeinnaam door Gaos, maar het zo lang mogelijk uitstellen van de verkoop van de domeinnaam om daar een zo hoog mogelijke prijs voor te vragen. Ik laat dit hier verder rusten, waarbij naast het gebrek aan een hierop geënte klacht ook van belang is dat het hier bestreden oordeel een tweede grond is die het hof onder het oordeel dat geen sprake is van ongerechtvaardigd voordeel trekken heeft geschoven en dat de eerste grond (niet is gebleken dat Gaos de domeinnaam
Claeryn-arrest. Het recht op een domeinnaam is immers te beschouwen als een abonnement dat jaarlijks wordt verlengd door het betalen van het abonnementsgeld aan SIDN.
sui generisrecht zonder wettelijke basis dat zich onttrekt aan de tegenstelling relatief/absoluut en daar is veel voor te zeggen. Want een puur contractuele aanspraak tegenover SIDN (een uit overeenkomst volgend recht om de domeinnaam te gebruiken), zoals OK Oliecentrale blijkens de klachten voorstaat, is het ook niet helemaal, omdat - in de woorden van plv. P-G Langemeijer [46] - “dat recht (...) weliswaar exclusief [is] in
feitelijkezin, omdat een domeinnaam naar zijn aard slechts éénmaal vergeven kan worden, maar niet in juridische zin, aldus dat een ’inbreuk’ op dat recht per definitie onrechtmatig zou zijn.” Over de precieze merites hoeven wij ons naar mij voorkomt nu verder niet het hoofd te breken [47] . De rechthebbende wordt immers volgens
Artiestenverloningenbeschermd tegen een later gebruik door een ander van dezelfde of een overeenstemmende domeinnaam, als dat gebruik jegens hem onrechtmatig is of daarvoor een contractuele grond bestaat [48] . Hieruit volgt dat de rechthebbende op een domeinnaam dit recht als het ware kan inroepen tegen anderen die dezelfde domeinnaam willen (registreren). Van een strikt persoonlijk recht dat alleen kan worden ingeroepen tegen de contractuele wederpartij SIDN, is zo bezien geen sprake [49] . Het door het hof in rov. 5.24 bedoelde “eigen recht” sluit hier goed op aan, indien dat begrepen wordt in de hier besproken zin. Ik zie hier dit deel van de klacht op stuklopen.
eo ipsobetekent dat sprake is van een geldige reden in de zin van art. 2.20 lid 1 sub d BVIE.
domain name grabbing –aan de orde gesteld, die verder reikt dan ongeoorloofde mededinging en dus aan de hand van een ander criterium moet worden beoordeeld.
Holland Nautic/Decca [50] – in navolging van de rechtbank tot uitgangspunt neemt dat het enkele profiteren van andermans inspanningen en de resultaten ervan niet onrechtmatig is, maar dat daarvoor bijkomende omstandigheden nodig zijn, is dan ook alleen al om die reden niet onjuist. De klacht faalt.
subonderdeel 3.2.1dat onbegrijpelijk is dat geen sprake is van grootschalige domeinkaping, nu OK Oliecentrale gemotiveerd heeft gesteld dat Gaos sinds de aanvang van haar activiteiten 346 domeinnamen heeft geregistreerd en dat er thans nog 131 domeinnamen op haar naam zijn geregistreerd (MvG 38). Dat door beperkingen in zoekmogelijkheden slechts aantoonbaar is dat Gaos zestien .nl-domeinnamen heeft, maakt niet dat geen sprake is van domeinkaping. Waar domeinkaping ook mogelijk is met andere dan .nl-domeinnamen, is onbegrijpelijk dat het jarenlang zonder enig gebruik houden van zestien domeinnamen niet zou kwalificeren als (grootschalige) domeinkaping.
door het registreren van ruim 300 domeinnamenzich schuldig maakt aan domeinnaamkaping en om die reden als te kwader trouw moet worden beschouwd (rov. 5.27, tweede volzin). Dat het hof niet sec heeft beoordeeld of Gaos – ongeacht de omvang – zich schuldig heeft gemaakt aan domeinnaamkaping, kan het hof dan naar mij voorkomt niet worden tegengeworpen. De klacht treft geen doel.
beeldmerkOK, dus voorzien van grafische elementen, niet
identiekis aan de
domeinnaam
verwarringkan ontstaan. Dat echoot meteen de merkenrechtelijke “sub b”-grond. Op zichzelf terecht stelt de klacht dat het vereiste dat er verwarring kan ontstaan blijkens art. 2.1 onder a niet geldt indien de domeinnaam identiek is aan het merk. Dit kan echter niet tot cassatie leiden, omdat in feitelijke instanties niet is vastgesteld dat de domeinnaam identiek is aan het merk, er is dus geen “sub a”-situatie voorhanden. Dat is aanvankelijk wel zo ingestoken door OK Oliecentrale, zo hebben we gezien, maar tegen de verwerping daarvan door de rechtbank is niet gegriefd en het hof slaat dat piketpaaltje ook maar even in het begin van zijn merkenrechtelijke betoog onder het kopje “omvang van het hoger beroep” in rov. 5.2. Wel is (onbestreden) vastgesteld dat gevaar voor verwarring zich in dit geval niet voordoet (in het slot van rov. 5.30). Daarnaast is door het hof in het kader van de merkenrechtelijke toets geoordeeld dat er een zodanige mate van overeenstemming bestaat tussen het merk en de domeinnaam dat het relevante publiek een verband tussen beide kan leggen. In dat verband heeft het hof echter mede van belang geacht dat het beeldmerk OK
vanwege het toegevoegde beeldelementniet uitsluitend beschrijvend is, rov. 5.16). Daar loopt deze klacht lijkt mij op stuk.
pour besoin de la causeeen buitengewoon vaag en niet serieus te nemen plan voor toekomstig gebruik heeft aangevoerd. Ik begrijp de klacht zo, dat hiermee is miskend dat een ander criterium moet worden gehanteerd, namelijk of de handelwijze van Gaos, indachtig het karakter van de domeinnaam, misbruik van recht oplevert.
3.Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatiemiddel
escapebeidt volgens mij voldoende waarborgen ter voorkoming van ongelukken.
louter geregistreerd houdenvan een domeinnaam gebruik oplevert – de grondslag van de stellingen van OK Oliecentrale ongeoorloofd heeft aangevuld, althans een ontoelaatbare verassingsbeslissing heeft gegeven, althans het oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd in het licht van het partijdebat en de verdere beoordeling van het geschil.
loutergeregistreerd houden van de domeinnaam (en het middel klaagt (hier) niet dat het getoetste gebruik in het arrest inconsequent is). Zo bezien is de klacht gericht tegen een niet dragende overweging, zodat deze ook op die grond niet tot cassatie kan leiden.
en Gaos in haar memorie van antwoord en ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft aangekondigd de domeinnaam op korte termijn te willen gaan gebruiken.” Hoe deze nadere motivering van voorgenomen gebruik is te zien als uitwerking van de klacht over het in het midden laten of louter geregistreerd houden kan kwalificeren als gebruik, ontgaat mij. Dat het hof ook bij de beoordeling heeft betrokken het gebruik dat Gaos in de toekomst van de domeinnaam ok.nl wenst te maken, lijkt mij niet onjuist of onbegrijpelijk. Bij de vraag of ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken gaat het er immers niet alleen om of op dat moment daadwerkelijk inbreuk wordt gemaakt, maar gaat het er ook om of er elementen zijn op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een ernstig gevaar dat een dergelijke inbreuk zich in de toekomst voordoet. De klacht lijkt mij dan ook tevergeefs.
Lloyd/Loint’s [51] en
Ferrero/BHIM [52] . In deze arresten – en in overige jurisprudentie van het HvJEU – is de hier aangevallen regel echter niet (met zoveel woorden) terug te vinden. Een dergelijke algemene
regelstaat mogelijk op gespannen voet met het hiervoor in de inleiding samengevatte systeem dat door het HvJEU is vormgegeven en dat zich kenmerkt door een op de omstandigheden van het geval toegespitste beoordeling, maar het lijkt ook niet onmogelijk dit in het systeem te passen. Het is weliswaar niet zo dat dit één op één samenvalt met de regel dat bij de globale beoordeling van overeenstemming merk en teken in hun geheel moeten worden beschouwd en dat het bij beoordeling van de totaalindruk onder meer rekening moet worden gehouden met de onderscheidende en dominerende bestanddelen, zoals we al weten sinds
Puma/Sabel [53] . De onderscheidene en dominerende bestanddelen zullen in het totaalbeeld meer opvallen, zodat de praktijk met en zonder de aangevallen regel mogelijk vergelijkbare uitkomsten zal geven doorgaans, maar er is geen 100% samenval hier.
regeldat bij de waardering van de uitkomst van de vergelijking van het merk en het teken meer gewicht zou moeten worden gehecht aan de punten van overeenstemming dan aan de punten van verschil, wordt in Nederlandse rechtspraak en literatuur afgeleid [54] uit de arresten van Uw Raad in de zaken
Bigott-Batco/Doucal [55] en
Flügel-flesje II [56] . Het eerste arrest betrof echter Arubaans merkenrecht, dat niet identiek is aan het Unierechtelijke merkenrecht. De in dit arrest geformuleerde regel – “volgens welke de rechter, wanneer hij in het kader van de inbreukvraag de uitkomsten van een vergelijking als voormeld waardeert, daarbij meer gewicht behoort te hechten aan de punten van overeenstemming dan aan die van verschil” – kan dan ook niet zonder meer worden doorgetrokken naar ons merkenrecht [57] . Of Uw Raad in het tweede arrest het bestaan van een dergelijke regel heeft aangenomen, kan mogelijk bij precieze nadere lezing worden betwijfeld. In rov. 3.10 van dat arrest is immers overwogen:
dat bij OK tankt,lijkt het hof optisch te zijn uitgegaan van een te beperkt relevant publiek en (dus) van een onjuiste rechtsopvatting, maar dit lijkt mij echt een
slip of the pen. Niet valt in te zien dat hier een bewuste keus is gemaakt voor de beperkte groep tankers bij (uitsluitend?) OK. Het gaat hier (hoofdzakelijk) om de benzine- en smeermiddelenconsument, dus (ook onvoldoende nauwkeurig) huiselijk gezegd: de algemene automobilist. Nergens in de daadwerkelijke beoordeling blijkt dat het hof zich heeft gefocust op de benzinetanker bij OK stations in plaats van de gemiddelde consument van de waren waarvoor het merk is ingeschreven (klasse 4: aardolieproducten, waaronder benzine en smeermiddelen en klasse 19: asfaltproducten) en waarom dit tot een ander oordeel zou kunnen hebben geleid. Dat dat een beperkte groep is, de OK-tanker, realiseert het hof zich ook door (overigens eveneens onnauwkeurig geformuleerd, maar niet in cassatie bestreden) in rov. 5.16 te spreken over “het groeiende marktaandeel van het beeldmerk OK”. Het komt mij ongewenst voor om in een uitvoerig gemotiveerde en omvangrijke appeluitspraak als deze ingeslopen onnauwkeurigheden op deze manier af te straffen. Ik vind niet dat dit tot cassatie zou moeten leiden, nu niet blijkt dat dit tot een andere beoordeling heeft geleid. Maar strikt genomen heeft deze klacht een punt.
Intel-arrest (vp. vt. 11), ten onrechte heeft nagelaten per grondslag (reputatieschade, ongerechtvaardigd voordeel) het relevante publiek in ogenschouw te nemen. Daargelaten dat deze tournure niet in de klacht valt te lezen en zodoende buiten beschouwing moet blijven, gaat dat betoog niet op, omdat het hof in rov. 5.16 alleen beoordeelt of er een verband bestaat tussen het beeldmerk OK en de domeinnaam
Intel– het hiervoor genoemde relevante publiek. Dat is inderdaad een ander publiek dan het publiek dat relevant is om, bijvoorbeeld, te beoordelen of sprake is van reputatieschade, maar nu het hof in rov. 5.16 niet beoordeelt of sprake is van reputatieschade doet dat niet ter zake.
Ferrero/BHIM(vp. vt. 11) volgt dat aan de mate van overeenstemming niet al te hoge eisen mogen worden gesteld. Reeds nu deze overweging in cassatie – overigens: terecht – niet bestreden is, kan niet succesvol worden geklaagd tegen het refereren aan deze vooropstelling in rov. 5.16. Ik roep in herinnering dat hier wordt getoetst of de lage “sub c”-drempel van het leggen van een verband wordt gehaald, die in deze “sub d”-zaak (in cassatie onbestreden, hetgeen Gaos’ s.t. 9.4 uit het oog verliest) analoog wordt toegepast (zie hiervoor in 2.7 en 2.10).
onderdeel 5zijn voorgesteld onder de nadere voorwaarde dat één of meer klachten van het principaal cassatiemiddel tegen rov. 5.23 slagen (zie incidenteel cassatiemiddel onder 5.ii). Deze voorwaarde is niet vervuld, maar ook hier zal ik volledigheidshalve toch ingaan op de klachten.
Intel/CPM [63] arrest, moet worden uitgegaan van de gemiddelde consument die in contact komt met de domeinnaam
wat kwalificeert als ander gebruik“sub d” is geen vraag die moet worden beantwoord aan de hand van de perceptie van het relevante publiek, maar een rechtsvraag. Het hof hoefde in rov. 5.22 dan ook niet uit te gaan van het uit het arrest
Intel/CPMvolgende relevante publiek. Wel moest het hof dat in rov. 5.23, waar het beoordeelt of met het vastgestelde gebruik ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit de reputatie van het merk, maar
daartegen is de klacht niet gericht.
l’Oréal/Bellure [64] , punt 41 zou passen, zoals het hof aangeeft in rov. 5.22.
meeliftenin beginsel ook de verkoop van een met het merk overeenstemmende domeinnaam aan de betrokken merkhouder kan worden verstaan, maar dat zo’n verkoop kan kwalificeren als
ander gebruik. Dat is iets anders. De klacht mist feitelijke grondslag.