Conclusie
UWV/X. Partijen worden hierna aangeduid als
BKR [1] respectievelijk
de Provincie.
1.Feiten
GS) van de Provincie hebben bij besluit van 6 juli 1999 aan BKR een ontgrondingsvergunning verleend (hierna:
de Vergunning). [4] Daarin is onder meer bepaald dat BKR voor een periode van twaalf jaar in het totaal circa 12,5 miljoen m3 zand mocht winnen. Daarvan was circa 3,5 miljoen m3 bestemd voor de ophoging van de grond onder de aan te leggen woonwijk Nesselande. De resterende hoeveelheid zou worden gebruikt voor toekomstige werken in de omgeving. [5] Voorts diende KBR de bij de aanvraag door BKR overgelegde stabiliteitsanalyse in acht te nemen. Daarin stond dat het aanhouden van een taludhelling van 1:4 [6] voldoende veiligheid bood tegen het afschuiven van zand aan de oevers.
1.1) en dat zij een calamiteit, zoals een oeverval, onmiddellijk meldt aan het bureauhoofd, die dan aanwijzingen kan geven (in
8.8).
Aanwijzing 1) tot het maken van een risicoanalyse en een geactualiseerd werkplan. BKR heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend en, na ongegrondverklaring daarvan bij besluit van 6 november 2009, beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna:
de Afdeling).
Aanwijzing 2). Deze tweede aanwijzing heeft als strekking dat zandwinning tot aan een steilere taludhelling dan 1:6 niet was toegestaan, tenzij uit een uitgevoerde risicoanalyse en een geactualiseerd werkplan was gebleken dat – eventueel door het treffen van beheersmaatregelen – veilige en stabiele oevers zouden ontstaan. BKR heeft ook tegen Aanwijzing 2 bezwaar gemaakt. Na ongegrondverklaring daarvan bij besluit van 16 februari 2010 heeft zij tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Afdeling.
gewijzigde Vergunning). [10] De toegestane taludhelling is daarbij gewijzigd naar 1:6. In het aan de vergunning verbonden
voorschrift 1.17is de mogelijkheid geopend om onder specifieke voorwaarden de taludhelling 1:6 te onderschrijden. In
voorschrift 1.19is opgenomen dat BKR bij afronding van het werk dient aan te tonen dat er veilige en stabiele oevers worden opgeleverd. In
voorschrift 11.10is opgenomen dat BKR tot uiterlijk twee jaar na oplevering nazakkingen van de taluds en uitspoelingen hiervan moet herstellen.
2.Procesverloop
de rechtbank) bij tussenvonnis van 22 juni 2016 dit verweer van de Provincie verworpen:
het hof). Zij heeft onder meer gevorderd dat het hof het bestreden tussenvonnis vernietigt en de vordering van BKR alsnog afwijst. Daartoe heeft de Provincie bij memorie van grieven tien grieven aangevoerd. BKR heeft de grieven gemotiveerd bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de Provincie in haar vorderingen, althans tot ongegrondverklaring van deze vorderingen onder bevestiging van het bestreden tussenvonnis, zo nodig met verbetering van gronden.
3.Inleidende opmerkingen
csqn-verband) als bedoeld in art. 6:162 lid 1 BW Pro (‘dientengevolge’).
Meerssenen
Amelandse benzinepomp, [26] overwoog de Afdeling dat aan het csqn-verband niet is voldaan indien (mijn onderstreping):
zou hebben kunnen worden genomen, dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad.”
Hengelo/W.) [30] en 6 januari 2017 (
UWV/X) [31] duidelijkheid gegeven.
Hengelo/W.draaide het om de vraag of de gemeente Hengelo was gehouden tot vergoeding van de schade die W. stelde te hebben geleden als gevolg van de vernietiging door de Afdeling van een aan hem verleende milieuvergunning – een begunstigend besluit dus. De gemeente verweerde zich onder meer met de stelling dat er geen causaal verband was tussen de vernietigde vergunning en de schade van W., omdat zij destijds de vergunning (ook) rechtmatig had kunnen weigeren. De Hoge Raad volgde de gemeente daarin niet. De overwegingen van de Hoge Raad op dit punt luiden, voor zover hier van belang (mijn onderstreping):
NJ1980/261 (
Grubbenvorst/Caldenbroich), en HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2598,
NJ2009/515 (
Barneveld/Sierkstra)). Wordt een begunstigend besluit door de bestuursrechter (onherroepelijk) vernietigd, dan kan de aanvrager daarom op grond van onrechtmatige daad aanspraak maken op vergoeding van de schade die hij daardoor lijdt, mits het bestuursorgaan ook een begunstigend besluit zou hebben genomen indien het wel overeenkomstig de wet
zou hebben beslist. Dit laatste zal in beginsel kunnen worden aangenomen als het bestuursorgaan, wanneer het na de vernietiging opnieuw beslist, andermaal een begunstigend besluit neemt en dat besluit, al dan niet na daartegen ingesteld bezwaar en beroep, onherroepelijk wordt. Dit laatste kan echter ook worden afgeleid uit andere omstandigheden.
welk besluit het zou hebben genomenindien het wel overeenkomstig de wet zou hebben beslist.”
zou hebben kunnen nemen’ is vervangen door het meer feitelijke criterium ‘
zou hebben genomen’. [32] Bij de beoordeling van het causaal verband tussen een onrechtmatig besluit en schade komt het er volgens de Hoge Raad dus op aan welk rechtmatig besluit het bestuursorgaan (feitelijk) zou hebben genomen in plaats van het onrechtmatige besluit.
Hengelo/W.bestond enige onzekerheid of het daar geformuleerde causaliteitscriterium ook gold in het geval van vernietiging, intrekking of herroeping van een
belastendbesluit, zoals een sanctiebesluit of een besluit waarin afwijzend op een aanvraag is beslist. [33] In het arrest
UWV/Xheeft de Hoge Raad daarover duidelijkheid geschapen. De zaak betrof een door het UWV verleende ontslagvergunning, [34] Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat het UWV bij de beoordeling van de ontslagaanvraag onvoldoende onderzoek had verricht en vorderde schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. Het UWV erkende dat het met zijn handelwijze onrechtmatig jegens de belanghebbende had gehandeld – wat verklaart waarom de rechtspraak inzake besluitenaansprakelijkheid aan de orde was –, maar betwistte het causaal verband tussen dit onrechtmatig handelen en het aan de belanghebbende verleende ontslag (en de daaruit voor deze voortvloeiende schade). Daartoe voerde het UWV aan dat het de ontslagvergunning rechtmatig had kunnen verlenen en dat ook zou hebben gedaan als het wél zorgvuldig zou hebben gehandeld. Het hof in die zaak had het UWV in het ongelijk gesteld.
Hengelo/W.ingezette lijn door. De Hoge Raad stelt het volgende voorop:
eerste categorieziet op gevallen van ‘verlengde besluitvorming’ waarbij het bestuursorgaan opnieuw in de zaak moet voorzien door het nemen van een nieuw besluit. Te denken valt vooral aan besluiten op aanvraag. De Hoge Raad overweegt dat in deze gevallen de inhoud van het nieuwe besluit
“veelal”bepalend zal zijn voor het bestaan van een causaal verband tussen het eerdere, onrechtmatige besluit en de schade. Bepalend daarbij is of de schade van de belanghebbende is veroorzaakt door het rechtsgevolg van het onrechtmatige besluit. Is dat het geval, dan ontbreekt het causaal verband indien het nieuwe, rechtmatige besluit voor de belanghebbende hetzelfde rechtsgevolg heeft als het eerdere, onrechtmatige besluit (zie rov. 3.4.2). Voor zover het gaat om andere schade dan schade die veroorzaakt wordt door het rechtsgevolg van het besluit, en waarvan de vergoedbaarheid daarom niet afhankelijk is van een nieuw besluit van het bestuursorgaan, dient het causaal verband te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf die de Hoge Raad voor de tweede categorie van gevallen heeft geformuleerd (zie rov. 3.4.2, slot). [36]
tweede categoriebetreft gevallen waarin het bestuursorgaan, na vernietiging of herroeping van een onrechtmatig geoordeeld besluit, niet opnieuw in de zaak hoeft te voorzien. Te denken valt aan ambtshalve genomen besluiten, zoals een aanwijzing of een sanctiebesluit. De Hoge Raad overweegt voor deze tweede categorie van gevallen het volgende:
NJ2016/291 (
Hengelo/W., rov. 3.5.2).
Hengelo/W.t.a.p.).”
UWV/Xvolgt dat in de tweede categorie van gevallen een eventueel nieuw (in de zin van: later genomen) besluit van het bestuursorgaan dat het onrechtmatige besluit had genomen, een belangrijke indicatie kan vormen voor de invulling van de maatstaf voor het bepalen van de hypothetische situatie. Daarbij geldt als voorwaarden dat (i) het latere besluit rechtmatig is, (ii) het tot hetzelfde rechtsgevolg leidt als het onrechtmatig bevonden besluit, en (iii) het voor het bestuursorgaan ten tijde van het nemen van het onrechtmatig bevonden besluit rechtens mogelijk was om een besluit als het latere besluit te nemen, wat impliceert dat de eerder gemaakte fout reparabel moet zijn. Als aan deze voorwaarden is voldaan, [39] kan het nieuwe besluit grond zijn
“om tot uitgangspunt te nemen”dat het bestuursorgaan dít besluit zou hebben genomen in plaats van het onrechtmatige besluit. Voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van csqn-verband dient vervolgens te worden getoetst of in de aldus vastgestelde hypothetische situatie voor de benadeelde dezelfde schade zou zijn opgetreden.
Biolicious [40] waarin de Afdeling onder verwijzing naar het arrest
Hengelo/W.het volgende overweegt:
X/Medemblik [41] verwijst de Afdeling naar het arrest
UWV/X:
4.Bespreking van het cassatiemiddel
UWV/Xuiteenzet welke maatstaf het hanteert bij de beantwoording van de causaliteitsvraag. Het subonderdeel betoogt dat het hof aldaar blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door – in aansluiting op het arrest
UWV/X– bij de beantwoording van de causaliteitsvraag bepalend te achten of het hypothetisch rechtmatige besluit ‘hetzelfde rechtsgevolg’ heeft als het onrechtmatige besluit. In de tweede categorie van gevallen die de Hoge Raad in het arrest
UWV/Xonderscheidt en waartoe de onderhavige zaak behoort, is volgens het onderdeel uitgangspunt dat de gevorderde
schadeniet is veroorzaakt door het (onrechtmatige) besluit. Het hof had daarom moeten bezien of het hypothetisch rechtmatige besluit tot
dezelfde schade(en niet tot hetzelfde rechtsgevolg) zou hebben geleid als het onrechtmatig bevonden besluit. [43] Het subonderdeel stelt zich daarbij op het standpunt dat – tenzij in het arrest
UWV/Xsprake is van een ‘slip of the pen’ – ook de Hoge Raad in genoemd arrest een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.
UWV/Xvoor de aldaar genoemde tweede categorie van gevallen heeft geformuleerd. [44] Partijen verschillen echter van mening over de vraag op welke gevallen deze tweede categorie nu precies van toepassing is. Volgens het subonderdeel zijn dat uitsluitend gevallen waarin de schade niet is veroorzaakt door het rechtsgevolg van het onrechtmatige besluit. [45] Het is m.i. juist dat de genoemde tweede categorie
ookgevallen bestrijkt waarin de schade niet (direct) is veroorzaakt door het rechtsgevolg van het onrechtmatige besluit [46] – de situatie die zich volgens het subonderdeel in deze zaak voordoet –; [47] onjuist evenwel acht ik het in het middel betrokken uitgangspunt dat de tweede categorie
uitsluitendgevallen zou betreffen van andere schade dan schade die veroorzaakt wordt door het rechtsgevolg van het besluit.
UWV/Xheeft geformuleerd en die het hof in rov. 6 heeft vooropgesteld. Deze maatstaf is volgens het subonderdeel onjuist: niet moet beoordeeld worden of in het hypothetische geval een rechtmatige besluit zou zijn genomen dat tot
dezelfde rechtsgevolgenleidt als het onrechtmatig bevonden besluit, maar of in het hypothetisch geval het rechtmatige besluit
dezelfde schadezou hebben veroorzaakt als het onrechtmatig bevonden besluit. [48]
UWV/Xmoet worden bezien
“hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist (of gehandeld) indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen”en
vervolgensof deze – rechtmatige – beslissing (of handeling) tot dezelfde schade zou hebben geleid als waartoe het onrechtmatige besluit heeft geleid. De toets omvat dus twee stappen; zie reeds hiervoor onder 3.5. Uit rov. 3.4.4 van het arrest
UWV/Xvolgt derhalve niet dat bij de beoordeling van het causaal verband enkel gekeken zou moeten worden naar de vraag of het bestuursorgaan een rechtmatig besluit zou hebben genomen dat tot hetzelfde rechtsgevolg als het onrechtmatige besluit leidt (zoals de verplichting voor de geadresseerde partij iets te doen of te laten). Dat rechtsgevolg kan overigens ook niet los worden gezien van daardoor eventueel ontstane schade. M.i. volgt uit rov. 3.4.4 daarom precies hetgeen het subonderdeel voor ogen staat, namelijk dat bij de te maken beoordeling moet worden bezien of het hypothetisch rechtmatige besluit tot naar aard en omvang dezelfde schade zou hebben geleid.
UWV/Xbiedt m.i. evenmin grond voor het in het subonderdeel gehouden betoog. De Hoge Raad verwijst hier weliswaar naar de situatie dat
“een bestuursorgaan een nieuw besluit neemt dat tot hetzelfde rechtsgevolg als het onrechtmatige besluit leidt”, maar geeft daarmee niet een maatstaf voor het bepalen van het causaal verband, zoals het subonderdeel lijkt te veronderstellen. [49] In rov. 3.4.6 wordt een handvat geboden voor het invullen van de eerste stap van de in rov. 3.4.4 ontwikkelde causaliteitstoetsing: een nieuw besluit van het bestuursorgaan vormt onder bepaalde voorwaarden een hypothetisch rechtmatig besluit (zie hiervoor, punt 3.16 van deze conclusie). Met de vaststelling dat sprake is van een dergelijk nieuw besluit, is de vraag naar het causaal verband echter nog niet beantwoord. Op grond van de in rov. 3.4.4 geformuleerde causaliteitsmaatstaf zal – net als in de gevallen waarin rov. 3.4.6 niet van toepassing is – moeten worden beoordeeld of in de aldus vastgestelde hypothetische situatie dezelfde schade zou zijn ontstaan als in de feitelijke situatie het geval is als gevolg van het onrechtmatig bevonden besluit.
UWV/Xeen verkeerde, want niet goed te begrijpen causaliteitsmaatstaf heeft gehanteerd kan gelet op het voorgaande niet worden gevolgd. Anders dan het subonderdeel stelt, zal op grond van deze maatstaf moeten worden bezien of in de hypothetische situatie de gestelde schade naar aard en omvang dezelfde is. Deze maatstaf is goed te begrijpen en ook toepasbaar in gevallen waarin de schade niet direct is veroorzaakt door het rechtsgevolg van het onrechtmatige besluit. Volledigheidshalve merk ik nog op dat ik op dit punt ook geen discrepantie zie tussen de uitspraken van de Afdeling, waarnaar het subonderdeel verwijst. Zoals toegelicht aan het slot van hoofdstuk 3 van deze conclusie loopt de rechtspraak van beide hoogste rechtscolleges nu juist parallel.
UWV/Xeen nieuw rechtmatig besluit grond kan zijn om aan te nemen dat het bestuursorgaan dat besluit ook zou hebben genomen indien het wist van de onrechtmatigheid van zijn eerdere besluit, betekent volgens BKR niet dat het toetsingskader uit rov. 3.4.4 van dat arrest wegvalt. Het hof had de in die rechtsoverweging genoemde vergelijking moeten maken tussen de feitelijke en de hypothetische situatie. [50] In plaats van dat te doen gaat het hof in op wat BKR had moeten doen in de feitelijke situatie. Zo komt het hof tot de conclusie dat het csqn-verband ontbreekt, omdat BKR geen redelijke grond had voor de verwachting dat zij bij de zandwinning een steilere taludhelling dan 1:6 zou kunnen aanhouden.
in dat opzichtsprake is van een verschil tussen de feitelijke en de hypothetische situatie:
wijze waaropde Provincie de vergunning heeft gewijzigd het BKR feitelijk onmogelijk heeft gemaakt om de zandwinning onder de nieuwe vergunning te hervatten. Naar mijn mening is dan ook geen sprake van een ‘eerdere stelling’ dat BKR rekening hield met de mogelijkheid dat de zandwinning onder de nieuwe vergunning hervat zou kunnen worden, wat concreet zou betekenen: zandwinning tot aan een taludhelling van 1:4 omdat daarboven de voorraad zand (nagenoeg) was uitgeput. Bij die stand van zaken kan worden gezegd dat de door het hof als tardief aangemerkte stelling van BKR daarvan een ‘nadere precisering’ zou vormen.
“overigens”geen aanwijzing is dat GS hebben bijgedragen aan de door BKR gestelde verwachting dat zij na het stilleggen van de winzuiger weer aan de gang zou kunnen gaan. Het subonderdeel stelt dat deze overweging blijk heeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu de vraag of de verwachtingen van BKR ‘gerechtvaardigd’ waren, niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of aan het csqn-verband is voldaan.
“in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep”(rov. 11) nog enkele
andereaspecten van het betoog van BKR bespreekt. De klacht mist daarom feitelijke grondslag.
“essentiële en nieuwe stelling”, waarvan zij overigens niet stelt dat de Provincie die
nietbij pleidooi naar voren heeft gebracht, (i) in strijd is met de twee-conclusieregel, (ii) althans met de goede procesorde. Zou het hof deze stelling van de Provincie wel in haar oordeelsvorming hebben mogen betrekken, dan is (iii) het gegeven oordeel onbegrijpelijk voor zover het hof daarbij niet (kenbaar) respondeert op hetgeen BKR in dat verband bij memorie van antwoord naar voren heeft gebracht.