6.2.Uit de processen-verbaal in hoger beroep en het bestreden arrest leid ik wat betreft de verzoeken van de verdediging tot het benoemen van deskundigen en de in eerste en tweede aanleg daadwerkelijk uitgebrachte deskundigenrapporten, kort gezegd, het volgende af:
- Het NFI heeft op 1 december 2011 een rapport uitgebracht waarin is geconcludeerd dat het op de onderzochte sporendragersaangetroffen bloed/celmateriaal afkomstig kan zijn van de aangeefster.
- Ten aanzien van het letsel van de aangeefster hebben het NFI bij rapport van 21 maart 2012 en The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI) bij rapport van 26 maart 2013 geconcludeerd dat er meer aanwijzingen zijn voor de hypothese dat de verwondingen door een ander zijn toegebracht dan voor de hypothese dat de aangeefster zichzelf de verwondingen heeft toegebracht.
- Op verzoek van de verdediging heeft het IFS op 1 en 2 december 2013 voorlopige rapporten uitgebracht. Het IFS heeft onder meer een biologisch sporenonderzoek, een DNA-onderzoek en een bloedspoorpatroononderzoek verricht en heeft geconcludeerd dat er meer steun is voor de hypothese dat de aangeefster de plaats delict in scène heeft gezet dan voor de hypothese dat de verdachte de aangeefster heeft mishandeld.
- Op het verzoek van IFS is op 28 november 2013 gerapporteerd door J. Dicke, op 29 november 2013 door M.J. Dobersen en op 2 december 2013 door D. Spendlove. Dobersen heeft geconcludeerd dat de plaats delict en de verwondingen niet consistent zijn met de verklaringen van de aangeefster. Spendlove heeft geconcludeerd dat er meer aanwijzingen zijn voor zelf toegebracht letsel dan dat er aanwijzingen zijn voor verwonding door een ander.
- Op 17 februari 2014 is door het TMFI aanvullend gerapporteerd. In het rapport is een reactie gegeven op onderdelen van de rapporten van IFS. Op 14 februari 2014 heeft het NFI hetzelfde gedaan.
- Ter terechtzitting van 23 januari 2015 heeft de verdediging een verzoek gedaan tot het verrichten van nader deskundigenonderzoek door de deskundige Eikelenboom naar i) bloedkwantificatie (nader onderzoek naar de vraag of al het op de foto’s zichtbare bloed vanuit de snijverwondingen in de hoofd-halsstreek en rechterborst van de aangeefster afkomstig is of kan zijn, en of de relatief oppervlakkige snijverwondingen bij de aangeefster een dergelijke hoeveelheid bloedverlies hebben veroorzaakt. Indien dat niet het geval blijkt te zijn, moet de conclusie worden getrokken dat niet al het aangetroffen bloed uit de letsels van aangeefster afkomstig is en dat het overgrote deel derhalve op een andere wijze in de slaapkamer terecht is gekomen) en ii) bloedspoorpatroononderzoek (nadere analyse middels reconstructie met het oog op de beantwoording van de vraag of het aangetroffen bloedspoorpatroon overeenkomt met een worsteling op bed, zoals door aangeefster is beschreven, en of de hoeveelheid en eventueel dichtheid van de aangetroffen bloedspatten overeenkomt met de verwondingen die bij de aangeefster zijn geconstateerd). De uitvoering van dit onderzoek is volgens de verdediging noodzakelijk teneinde te kunnen beoordelen of het door de verdediging geschetste alternatieve scenario waarin de aangeefster zichzelf heeft verwond, overtuigend en aannemelijk is. Op diezelfde zitting heeft de verdediging voorts het voorwaardelijke verzoek gedaan om naar aanleiding van de aanbevelingen die Eikelenboom in zijn rapport van 1 december 2013 deed, door het IFS nader onderzoek te laten verrichten naar onder meer sporen op de handschoenen die op de plaats delict zijn aangetroffen en een reconstructie van bloedsporenpatronen te laten verrichten. Ter terechtzitting is door de verdediging aangegeven dat zij de bevindingen en conclusies in de rapporten van het NFI betwist nu daarin bij voorbaat is uitgegaan van het scenario van de aangeefster, hetgeen niet van een open blik getuigt. Voorts heeft de raadsman van de verdachte aangegeven dat het IFS een interpretatie zal geven van het sporenbeeld en zal rapporteren over de vraag op welke wijze de sporen daar terecht zijn gekomen (het activiteitenniveau), terwijl het NFI rapporteert door wie cq. wat het spoor is achtergelaten (het bronniveau).
- Het hof heeft ter terechtzitting van 11 februari 2015 geoordeeld dat het noodzakelijk is dat het bloedsporen- cq. bloedspoorpatroononderzoek zal worden verricht teneinde meer helderheid te krijgen over i) de hoeveelheid van het aangetroffen bloed in de slaapkamer van de aangeefster, ii) de aard van dat aangetroffen bloed en iii) het bloedsporenbeeld. Het hof heeft voorts (ambtshalve) beslist dat het de raadsheer-commissaris opdracht geeft een of meer deskundigen van het NFI te benoemen om een deskundigenrapport uit te brengen. Het hof heeft ten slotte geoordeeld dat het hof, gelet op deze ambtshalve beslissing, de beslissing op de verzoeken van de verdediging om door het IFS nader onderzoek te laten verrichten, aanhoudt.
- Op latere zittingenheeft de raadsman herhaald dat hij van oordeel is dat het deskundigenonderzoek door het IFS moet worden verricht, dat hij om een tegenonderzoek door deskundigen van het IFS verzoekt en dat enkele nadere stellingen in het onderzoek moeten worden betrokken. Ook heeft de raadsman het eerder gedane voorwaardelijke verzoek geherformuleerd tot een onvoorwaardelijk verzoek.
- Op 19 februari 2016 is door het NFI een interdisciplinair rapport opgesteld waarin het concludeert dat de beschreven interdisciplinaire forensische bevindingen gezamenlijk ten minste zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de verklaring van de aangeefster waar is dan wanneer de aangeefster het letsel zichzelf heeft toegebracht.
- Ter terechtzitting van 2 maart 2016 heeft het hof de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde een schriftelijke ronde tussen het NFI en IFS te doen plaatsvinden.
- Dat heeft geleid tot drie rapporten van het IFS van 31 mei 2016 waarin is gereageerd op het interdisciplinair rapport van het NFI van 19 februari 2016 en een interdisciplinair rapport van het NFI van 1 november 2016 waarin is gereageerd op de drie rapporten van IFS.
- Op verzoek van de verdediging heeft het IFS bij rapporten van 25 en 27 november 2016 gereageerd op het rapport van het NFI van 1 november 2016.
- Ter terechtzitting van 7 december 2016 heeft het hof alle verzoeken van de verdediging afgewezen. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt daaromtrent het volgende in:
“
iv. De verzoeken tot het verrichten van nader onderzoek door Independent Forensic Services (IFS) en de voorwaardelijke verzoeken tot het horen als deskundige van R. Eikelenboom, S.J.M. Eikelenboom-Schieveld en D. Spendlove.
De verdediging heeft primair verzocht om door IFS de onderzoeken te laten verrichten zoals die door IFS worden voorgesteld in het aanvullend rapport van IFS d.d. 27 november 2016, opgemaakt door ing. R. Eikelenboom, onder de nummers 1 tot en met 14 op de pagina’s 6 en 7.
Subsidiair heeft de verdediging gepersisteerd bij de verzoeken die op de terechtzitting van 23 januari 2015 zijn gedaan, en de aanpassingen daarop zoals gedaan ter terechtzitting van 2 maart 2016, waarop het hof nog geen beslissing heeft genomen.
Voorts heeft de verdediging voorwaardelijk, indien het hof de verzoeken tot het verrichten van nader onderzoek door IFS afwijst, verzocht om R. Eikelenboom, S.J.M. Eikelenboom-Schieveld en D. Spendlove als deskundige te horen.
Het hof overweegt en beslist als volgt.
Ten aanzien van het door IFS in het aanvullend rapport d.d. 27 november 2016 onder nummer 7 voorgestelde toxicologisch onderzoek aan het bloed en de urine van verdachte overweegt het hof het volgende.
Op de terechtzittingen van 11 februari 2015 en 20 april 2016 heeft het hof het verzoek van de verdediging tot het laten verrichten van toxicologisch onderzoek door IFS reeds afgewezen. Het hof blijft bij die beslissing, inhoudende dat die verzoeken als niet noodzakelijk worden afgewezen.
Wat betreft de overige door IFS voorgestelde en door de verdediging verzochte onderzoeken overweegt het hof als volgt.
In de onderhavige zaak is op verschillende deskundigheidsgebieden onderzoek verricht, zoals het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek en onderzoek naar het letsel van aangeefster.
Met betrekking tot het sporenonderzoek op de plaats van het delict en het onderzoek aan sporendragers, heeft het NFI als eerste een rapport uitgebracht gedateerd 1 december 2011. Het NFI heeft enkele sporendragers, te weten een plastic zak, een mes en delen van plastic handschoenen, onderzocht op biologische sporen en heeft deze onderworpen aan een DNA-onderzoek. Geconcludeerd wordt dat het op de onderzochte sporendragers aangetroffen bloed/celmateriaal afkomstig kan zijn van aangeefster [betrokkene 1] .
Door het NFI is ook een onderzoek verricht naar biologische sporen en DNA op een bemonstering van de slaapkamer, een laken, een kussensloop, een dekbed en ondergoed. In het rapport van 1 mei 2013 wordt geconcludeerd dat het op de onderzochte sporendragers aangetroffen bloed/celmateriaal afkomstig kan zijn van aangeefster [betrokkene 1] .
Ten aanzien van het letsel van aangeefster hebben het NFI (rapport d.d. 21 maart 2012) en TMFI (rapport d.d. 26 maart 2013) gerapporteerd. Kort gezegd komen de conclusies erop neer dat er meer aanwijzingen zijn voor de hypothese dat de verwondingen door een ander zijn toegebracht dan voor de hypothese dat aangeefster zichzelf de verwondingen heeft toegebracht.
Op verzoek van de verdediging heeft IFS voorlopige rapporten uitgebracht op 1 en 2 december 2013. Ten behoeve van het onderzoek heeft IFS processen-verbaal van verhoor en van het forensisch technisch onderzoek ontvangen, alsmede foto’s en stukken van overtuiging (hoeslakens, handdoeken, kleding, plastic handschoenen, een mes en een dekbedovertrek). IFS heeft ook de rapporten van het NFI en het rapport van het TMFI ontvangen (op het gebied van DNA, toxicologie en letsel interpretatie). IFS heeft (onder meer) een biologisch sporenonderzoek, een DNA-onderzoek en een bloedspoorpatroononderzoek verricht. Kort gezegd komen de conclusies van IFS erop neer dat, onder meer gelet op de aard van de verwondingen bij aangeefster en de hoeveelheid aangetroffen bloed, de aangetroffen (grote) bloedstolsels, het in een van de stolsels aangetroffen bloedvat, het ontbreken van een concentratie bloed waaruit het bloedstolsel verklaard zou kunnen worden, bloedsporen, de bevindingen ten aanzien van het onder het bed aangetroffen mes en de bevindingen ten aanzien van onderzochte kleding, er meer steun is voor de hypothese dat aangeefster de plaats delict in scene heeft gezet dan voor de hypothese dat de verdachte aangeefster heeft mishandeld zoals gesteld in haar verklaringen.
Voorafgaand aan dit rapport van IFS is, op verzoek van IFS, gerapporteerd door J. Dicke, M.J. Dobersen en D. Spendlove op respectievelijk 28 november 2013, 29 november 2013 en 2 december 2013. Dobersen heeft (kort gezegd) geconcludeerd dat de plaats delict en de verwondingen niet consistent zijn met de verklaring van aangeefster. Spendlove heeft (kort gezegd) geconcludeerd dat er meer aanwijzingen zijn voor zelf toegebracht letsel, dan dat er aanwijzingen zijn voor verwonding door een ander.
Door TMFI en het NFI is op 17 februari 2014 respectievelijk op 14 februari 2014 (aanvullend) gerapporteerd, waarbij zij een reactie geven op onderdelen van de rapporten van IFS.
Op de terechtzitting van 23 januari 2015 heeft een regiezitting bij het hof plaatsgevonden waarop de verdediging haar onderzoekswensen naar voren heeft gebracht. Het hof heeft op de terechtzitting van 11 februari 2015 op verzoeken beslist en heeft ambtshalve aan het NFI de opdracht gegeven tot het verrichten van een bloedsporen- c.q. bloedspoor-patroononderzoek. Die opdracht heeft geresulteerd in een interdisciplinair rapport van 19 februari 2016 en de onderliggende rapporten, waarin het NFI (kort gezegd) heeft geconcludeerd dat de in het rapport beschreven interdisciplinaire forensische bevindingen gezamenlijk ten minste zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de verklaring van aangeefster waar is dan wanneer aangeefster het letsel zichzelf heeft toegebracht en de plaats van het delict in scene heeft gezet.
Vervolgens heeft het hof ter terechtzitting van 2 maart 2016 de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde een schriftelijke ronde tussen het NFI en IFS te doen plaatsvinden. Dat heeft geleid tot:
- drie rapporten van IFS telkens gedateerd 31 mei 2016 (“Reactie 1”, “Reactie 2” en “Reactie 3”) in reactie op voornoemd interdisciplinair rapport van het NFI d.d. 19 februari 2016, waarin bedenkingen zijn opgeworpen tegen de onderzoeksbevindingen van het NFI en waarin aanbevelingen tot nader onderzoek zijn gedaan;
- een interdisciplinair rapport d.d. 1 november 2016 van het NFI, met onderliggende rapporten, waarin is gereageerd op de drie voornoemde rapporten van IFS en waarin het NFI heeft geconcludeerd (kort gezegd) dat de door IFS opgeworpen bedenkingen niet hebben geleid tot significant nieuwe inzichten bij het NFI.
Op verzoek van de verdediging heeft IFS, voorafgaand aan de zitting van het hof, bij rapporten van 25 en 27 november 2016 gereageerd op voornoemd rapport van het NFI d.d. 1 november 2016.
Uit voorgaand (niet uitputtend) overzicht van deskundigenrapporten blijkt dat door verschillende deskundigen uitgebreid onderzoek is verricht. Bovendien blijkt daaruit dat meermalen op elkaars onderzoeksbevindingen is gereageerd. Het hof acht zich thans op grond van alle uitgebrachte deskundigenrapporten voldoende voorgelicht en zal, na de inhoudelijke behandeling, in raadkamer uiteindelijk de inhoud van alle uitgebrachte rapporten, in samenhang met de overige stukken van het dossier, moeten wegen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het verrichten van enig nader deskundigenonderzoek niet noodzakelijk is, zodat de verzoeken van de verdediging tot het verrichten van deskundigenonderzoek door IFS — zowel in primaire als in subsidiaire vorm - worden afgewezen.
Op grond van voornoemd oordeel dat het hof zich thans voldoende voorgelicht acht, is het hof tevens van oordeel dat het horen als deskundige van R. Eikelenboom, S.J.M. Eikelenboom-Schieveld en D. Spendlove evenmin noodzakelijk is, zodat die voorwaardelijk door de verdediging gedane verzoeken eveneens worden afgewezen.”
- Ter terechtzitting van 19 april 2017 zijn twee door de verdediging meegebrachte deskundigen, Eikelenboom en Eikelenboom-Schieveld van het IFS gehoord. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de deskundige Eikelenboom een presentatie gegeven over het bloedsporenbeeld in de slaapkamer aan de hand van experimenten en komt hij tot de conclusie dat er aanzienlijk meer steun is voor de hypothese dat het bloed enige tijd heeft kunnen stollen dan voor de hypothese dat het bloed direct vanuit een verwonding op het laken terecht is gekomen. De deskundige Eikelenboom-Schieveld heeft een presentatie over onder meer de HB-waarde en de bloeddruk van de aangeefster na het delict in relatie tot de hoeveelheid bloedverlies. De advocaat-generaal, de verdediging en het hof hebben deze deskundigen kunnen horen naar aanleiding van hun presentatie.
- Ter terechtzitting van 19 april 2017 heeft de raadsman volhard in zijn wens om nader onderzoek te laten verrichten door de deskundigen van het IFS naar het in de slaapkamer aangetroffen bloed.
- Het hof heeft dit verzoek in zijn arrest afgewezen en heeft daartoe overwogen:
“
F. Door de verdediging bij pleidooi naar voren gebrachte verzoeken
Door de verdediging zijn bij pleidooi onderzoekswensen naar voren gebracht, te weten (kort samengevat):
(…)
2. door IFS laten verrichten van onderzoek aan de plastic handschoenen op de aanwezigheid van DNA van verdachte en/of van menstrueel bloed en/of speeksel van aangeefster (pleitnota nummer 25);
3. door IFS laten verrichten van onderzoek aan het hoofdkussen op de aanwezigheid van dierlijk DNA (pleitnota nummer 29);
(..)
5. door IFS laten verrichten van onderzoek aan de handdoek naar de vraag hoeveel bloed nodig is om deze handdoek te verzadigen (pleitnota nummer 34);
6. door IFS laten verrichten van onderzoek naar stolling van bloed (pleitnota nummer 43);
7. door IFS laten verrichten van onderzoek aan de badkamerdeur, te weten of vlakbij de deur een impact heeft plaatsgevonden die de overdrachtspatronen en bloedspatten daarop kunnen verklaren (pleitnota nummer 60);
(..).
Het hof overweegt ten aanzien van voornoemde verzoeken dat deze, zoals door de verdediging ook bij pleidooi naar voren bracht, reeds eerder al door de verdediging zijn gedaan, maar dat het hof die toen (telkens) heeft afgewezen omdat het hof het laten verrichten van die onderzoeken niet noodzakelijk achtte. Het hof verwijst daarvoor naar de motivering van zijn beslissingen daaromtrent in de processen-verbaal van de terechtzittingen van 23 januari 2015 en 11 februari 2015, 20 april 2016 en 30 november 2016 en 7 december 2016. In laatstgenoemd proces-verbaal heeft het hof uitvoerig overwogen waarom het hof zich voldoende voorgelicht acht en het hof het laten verrichten van enig nader deskundigenonderzoek niet noodzakelijk acht. Het hof wijst daarbij in het bijzonder op de navolgende passage uit het hiervoor laatstgenoemde proces-verbaal (pag. 13):
“Uit voorgaand (niet uitputtend) overzicht van deskundigenrapporten blijkt dat door verschillende deskundigen uitgebreid onderzoek is verricht. Bovendien blijkt daaruit dat meermalen op elkaars onderzoeksbevindingen is gereageerd. Het hof acht zich thans op grond van alle uitgebrachte deskundigenrapporten voldoende voorgelicht en zal, na de inhoudelijke behandeling, in raadkamer uiteindelijk de inhoud van alle uitgebrachte rapporten, in samenhang met de overige stukken van het dossier, moeten wegen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het verrichten van enig nader deskundigenonderzoek niet noodzakelijk is, zodat de verzoeken van de verdediging tot het verrichten van deskundigenonderzoek door IFS - zowel in primaire als in subsidiaire vorm - worden afgewezen. ”
(…)
Het hof blijft bij zijn eerder genomen beslissingen en ziet, evenmin in het verhandelde op de terechtzitting van 19 april 2017 op welke terechtzitting de zaak inhoudelijk is behandeld en twee door de verdediging meegebrachte deskundigen (R. Eikelenboom en S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, beiden van IFS) zijn gehoord, geen reden om daarop terug te komen. De verzoeken van de verdediging worden derhalve als niet noodzakelijk wederom afgewezen.”
Deze procesgang komt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op het volgende neer. Zowel door het NFI en het TMFI als door het IFS en de door het IFS gevraagde deskundigen Dicke, Dobersen en Spendlove, zijn deskundigenrapporten uitgebracht waarin een antwoord is gegeven op uiteenlopende onderzoeksvragen van het hof respectievelijk de verdediging. Naar het door de verdediging ter zitting van 23 januari 2015 bedoelde bloedonderzoek, uit te voeren door het IFS, heeft het hof (ambtshalve) door het NFI onderzoek laten doen, hetgeen heeft geresulteerd in een op 19 februari 2016 uitgebracht rapport. Daarop heeft een schriftelijke ronde tussen het NFI en IFS plaatsgehad waarin het IFS en het NFI afwisselend op elkaars rapporten hebben kunnen reageren. Het hof heeft de verzoeken van de verdediging uiteindelijk ter zitting van 7 december 2016 afgewezen door – kort gezegd – te overwegen dat het zich op grond van alle uitgebrachte deskundigenrapporten voldoende voorgelicht acht en dat het van oordeel is dat het verrichten van enig nader deskundigenonderzoek niet noodzakelijk is. Vervolgens hebben de deskundigen Eikelenboom en Eikelenboom-Schieveld van het IFS ter zitting van 19 april 2017 een presentatie gegeven over bloedkwantificatie. De verdediging heeft desalniettemin volhard in haar verzoek om nader onderzoek door deskundigen van het IFS naar het in de slaapkamer van de aangeefster aangetroffen bloed. Het hof heeft de verzoeken vervolgens in zijn bestreden arrest nogmaals afgewezen, onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzing ter zitting van 7 december 2016.