Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof het verzoek tot het oproepen van de aangevers als getuige onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.
“Onderzoekswensen
De aangevers
“Voorwaardelijk verzoek horen getuigen / gehoorde getuigen
“Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen
“2.76.
‘de aard van de zaak, de leeftijd van de aangevers en het tijdverloop van deze zaak’en wijst de verzoeken af
.In dit oordeel ligt besloten dat het tijdsverloop van deze zaak maakt dat een eventuele niet-herkenning van de verdachte door de slachtoffers onvoldoende zal afdoen aan het bewijsmateriaal dat aan de bewezenverklaring ten grondslag ligt. Dit oordeel is, mede gezien hetgeen de verdediging aan die verzoeken ten grondslag heeft gelegd, daarmee niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ook voor zover het middel klaagt over de afwijzing van de voorwaardelijk gedane verzoeken ten aanzien van de aangevers indien die verklaringen voor het bewijs zouden worden gebezigd, kan het niet slagen. Het hof overweegt dat de verdediging dit verzoek heeft gedaan
‘zonder daarbij meer of andere argumenten aan te voeren dan bij het al eerder gedane en afgewezen verzoek’en oordeelt dat het horen van de aangevers en het houden van een fotoconfrontatie
‘niet noodzakelijk is’. Ook dit oordeel is tegen de achtergrond van de reeds eerder genomen beslissing niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het eerste middel faalt.
tweede middelklaagt over de onder 3 en 4g, 4h en 4m bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder over ’s hofs oordeel dat voor de bewezenverklaring gebruik kan worden gemaakt van de constructie van het zogeheten ‘schakelbewijs’ en dat voor de bewezenverklaring gebruik gemaakt kon worden van de door de aangevers afgegeven signalementen van de daders die de verdachte niet uitsluiten.
Enkele inleidende beschouwingen
NJ2017/38, m.nt. T.M. Schalken (overvallen Zeeman en Blokker) waaruit ik citeer:
‘signalementen van de beide mannen niet uitsluiten dat het [verdachte] of [verdachte] betrof’. Voorts klaagt de steller van het middel dat de bewijsconstructie wordt gevormd door de ‘modus operandi’ en die signalementen en dat zodoende uit de bewijsvoering van het hof onvoldoende specifieke omstandigheden blijken die de betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten aantonen. Daarmee is ten onrechte gebruik gemaakt van een schakelbewijsconstructie, aldus het middel. Ik deel deze bezwaren niet. De rechtbank heeft in haar door het hof overgenomen oordeel de signalementen, zoals blijkt uit ’s hofs aanvullende bewijsoverweging, niet als een op zichzelf staand bewijsmiddel gebezigd, maar als ondersteunend element dat slechts
‘in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen bezien, waarde heeft’. Voorts heeft de rechtbank in haar door het hof overgenomen overwegingen expliciet vastgesteld dat hoewel de
‘modus operandi een belangrijke overeenkomst tussen de afzonderlijke dossiers [vormt]’, zij onder ogen ziet dat het – kort gezegd - zich voordoen als een politieagent teneinde in die hoedanigheid oudere/ bejaarde personen te benaderen, het van hen willen weten waar en welke waardevolle zaken zij in huis hebben zodat zij die zaken van hen kunnen stelen, een onder criminelen populaire ‘babbeltruc’ is en dat
‘de enkele overeenstemming in de gevolgde werkwijze [..] niet voldoende [is] voor een bewezenverklaring’. Per bewezenverklaard feit heeft de rechtbank derhalve ten minste één concreet bewijsmiddel gebezigd dat ‘
specifiek’in de richting van de verdachte wijst. Hierop volgt een bespreking van de auto’s en de telefoons van de verdachte die in de afzonderlijke zaaksdossiers voorkomen en op welke wijze gebruik is gemaakt van zendmastgegevens, waarna per feit wordt overwogen waarom het kan worden bewezenverklaard (of waarom de verdachte dient te worden vrijgesproken vanwege de afwezigheid van een bewijsmiddel dat, naast de gelijke modus operandi, zijn directe betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit aantoont). Ter illustratie is ten aanzien het onder 3E bewezenverklaarde feit (onder meer) overwogen dat uit de door het slachtoffer Hardholt gedane aangifte van diefstal op 19 juni 2015 tussen 14:00 en 16:00 uur aan de [c-straat 1] te Assen de zojuist genoemde modus operandi kan worden afgeleid en dat zij in die aangifte een met de verdachten overeenkomstig signalement afgeeft. Voorts wordt overwogen dat de telefoon van de verdachte om 14:10 uur en 14:14 uur in de buurt van Assen een mast heeft aangestraald en dat hij diezelfde dag belcontact heeft gehad met de medeverdachte, wiens telefoon die dag ook twee keer is aangestraald in de buurt van Assen. Bij de overige bewezenverklaarde feiten is de rechtbank op dezelfde wijze te werk gegaan. Zodoende heeft de rechtbank in haar door het hof overgenomen bewijsvoering de vereisten voor het gebruik van schakelbewijs onder ogen gezien, haar oordeel hieromtrent (uitgebreid) gemotiveerd en per bewezenverklaard feit ten minste één (maar vaak meer) bewijsmiddelen gebezigd die specifiek de betrokkenheid van de verdachte bij dat feit aantoont. Voor een bewezenverklaring hebben de rechtbank en het hof aan de door de aangevers afgegeven signalementen van de daders voorts geen zelfstandige bewijsbetekenis toegekend. Ook voor zover het middel klaagt dat de gebezigde bewijsmiddelen niet specifiek op de betrokkenheid van de verdachte wijzen, kan het niet slagen. De in dit kader in het middel opgevoerde zaken zien op de bewijsconclusie die de feitenrechter heeft getrokken uit de vastgestelde feiten in onderlinge samenhang bezien . Ik merk in dat verband op dat, zoals onder randnummer 19 is vooropgesteld, in cassatie niet wordt beoordeeld of de feitenrechter de feiten juist heeft vastgesteld, doch alleen of hij bij zijn onderzoek de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen. Dat is m.i. het geval. Datzelfde geldt voor de in het middel geuite klachten ten aanzien van de onder 4 (de voltooide babbeltrucs) bewezenverklaarde feiten. Er wordt onder meer geklaagd dat de signalementen van de verdachte en zijn medeverdachte, de door hun gehuurde auto’s en de (zendmast)gegevens over de door hen gebruikte telefoons in de buurt van de plaatsen delict niet redengevend zijn voor de onder 4 bewezenverklaarde feiten. Echter, uit de gebruikte bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen hieromtrent kan als het niet onbegrijpelijke oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle onder 4 bewezenverklaarde ‘babbeltrucs’. Het door het hof overgenomen oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 3 en 4 geeft gezien al het voorgaande dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.