Conclusie
middelklaagt dat het bewijs voor het onderdeel "terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard" tekortschiet.
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 18 januari 2018 veroordeeld wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, omdat hij op 14 april 2017 een motorrijtuig bestuurde terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte stelde in hoger beroep dat hij niet wist dat zijn rijbewijs ongeldig was, maar het hof verwierp dit verweer op grond van het feit dat het besluit tot ongeldigverklaring per aangetekende en gewone brief naar zijn adres was verzonden en dat deze brieven niet retour waren gekomen. Daarnaast had verdachte verklaard zijn rijbewijs te hebben teruggestuurd naar het CBR en geen nieuw rijbewijs te hebben ontvangen.
De Hoge Raad overweegt dat het niet retour komen van brieven op zichzelf niet voldoende is om wetenschap van ongeldigverklaring aan te nemen, maar dat in dit geval ook is vastgesteld dat verdachte geen rijbewijs in bezit had en dat hij via het adres waar de brieven naartoe zijn gestuurd altijd post ontvangt. Dit leidt tot de conclusie dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin vergelijkbare omstandigheden tot dezelfde conclusie leidden.
Verdachte had weliswaar een nieuw rijbewijs aangevraagd, maar dit betrof een scooterrijbewijs, wat niet relevant is voor de categorie B waarvoor het rijbewijs ongeldig was verklaard. Tevens was verdachte eerder veroordeeld voor soortgelijke overtredingen, wat impliceert dat hij bekend was met de procedures rondom ongeldigverklaring van rijbewijzen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs blijft in stand.