Conclusie
middelklaagt dat de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] door het hof onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
zich er overigens bewust van [is] dat het noodzaakcriterium in dezen van toepassing is”, ben ik daar allerminst zeker van. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat de getuige [betrokkene 1] bij (tijdig ingediende) appelschriftuur is opgegeven en dat deze getuige niet op de terechtzitting in eerste aanleg - bij gebreke van een daartoe strekkend verzoek [1] - dan wel door de rechter-commissaris is gehoord. Op grond van art. 288, eerste lid, onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv is de maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad. [2] De verdediging heeft dit verzoek bij pleidooi in voorwaardelijke vorm herhaald. Het in de appelschriftuur gedane en op de terechtzitting in hoger beroep herhaalde (voorwaardelijk) verzoek om de getuige [betrokkene 1] te horen, is een verzoek als bedoeld in art. 287, derde lid, onder a, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv. De maatstaf voor de beoordeling van dit verzoek is op grond van art. 288, eerste lid, onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad. [3]