Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
4 juli 2017.
Hoge Raad
De verdachte is in hoger beroep veroordeeld voor bedreiging van een vrouw en haar zoon op 4 oktober 2014 te Amsterdam. Het Hof achtte het feit bewezen op basis van aangifte, getuigenverklaringen en de bekentenis van vernieling door verdachte. De verdediging verzocht om het horen van de aangeefster en een getuige, omdat hun verklaringen op punten verschilden en er twijfel bestond over de toedracht.
Het Hof wees het verzoek tot het horen van deze getuigen af met de motivering dat herinneringen na verloop van tijd niet beter worden en er daarom geen noodzaak was tot het horen van getuigen. De verdediging stelde dat deze motivering onvoldoende was, gelet op de verschillen in verklaringen en het belang van waarheidsvinding.
De Hoge Raad oordeelde dat de motivering van het Hof de afwijzing niet kan dragen en vernietigde het arrest. De zaak werd terugverwezen naar het Hof Amsterdam voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep, waarbij het getuigenverzoek opnieuw moet worden beoordeeld.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 4 juli 2017.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.