Conclusie
3.Waarom het in deze zaak gaat
verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
De door de raadsman gevoerde verweren
4.Bespreking van het eerste middel
Simeonovi tegen Bulgarije). De verdachte in deze zaak werd gearresteerd op verdenking van het medeplegen van een overval met twee dodelijke slachtoffers. Hij zat drie dagen in voorarrest voordat hem een advocaat werd toegevoegd en voordat hij formeel in staat van beschuldiging werd gesteld. Voorafgaande aan het verhoor dat daarop plaatsvond, had de verdachte met zijn advocaat kunnen overleggen. Het EHRM oordeelde desondanks dat het recht van de verdachte op rechtsbijstand was beperkt (“restricted”) zonder dat daarvoor een dwingende reden bestond. Daarbij oordeelde het EHRM dat een rechtsgeldige
waiverniet kon worden aangenomen aangezien niet bleek dat de verdachte tijdens de eerste drie dagen van zijn voorarrest op de hoogte was gesteld van zijn recht om bijstand van een advocaat te verzoeken.
failure) in het informeren van de verdachte over zijn rechten. [12] Het een en ander leidde ertoe dat in
Simeonovi tegen Bulgarijeuiteindelijk geen schending van art. 6 EVRM Pro werd aangenomen. Het EHRM kende daarbij in § 136 “decisive importance” toe aan het feit dat gedurende de drie dagen waarin de verdachte was verstoken van rechtsbijstand geen bewijs was verkregen (door verhoor of anderszins) dat tegen de verdachte kon worden gebruikt.
overall fairnessis er niet bij. De afgelegde verklaring dient steeds van het bewijs te worden uitgesloten. De regel van de Hoge Raad dat de verdachte uiterlijk voordat met het inhoudelijke verhoor op zijn recht op consultatiebijstand moet zijn gewezen, geeft dan ook vooral antwoord op de vraag wanneer bewijsuitsluiting dient te volgen. Die regel sluit niet uit dat een afstand van recht die vlak voor het begin van het inhoudelijke verhoor is gedaan in bepaalde gevallen als niet rechtsgeldig moet worden aangemerkt omdat de bijzondere omstandigheden van het geval maken dat de verdachte onvoldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om de consequenties van zijn keuze te doorzien. Bewijsuitsluiting dient dan om die reden te volgen. Voorts geldt dat de bedoelde regel er niet aan in de weg staat dat de verdachte op een eerder tijdstip op zijn rechten wordt gewezen. Daarbij is niet uitgesloten dat in bijzondere gevallen moet worden geoordeeld dat de informatieverstrekking niet alleen eerder had kunnen maar ook eerder had moeten plaatsvinden en dat zij dus niet “prompt” is geweest. Of dat tot bewijsuitsluiting moet leiden, zal dan wel afhankelijk zijn van een beoordeling van de
overall fairness of the proceedings.
overall fairnessvan het proces.
5.Bespreking van het tweede middel
Ibrahim-arrest kan worden opgemaakt dat uit art. 6 EVRM Pro een algemeen recht op verhoorbijstand voortvloeit en dat dit recht aldus altijd heeft bestaan en ook geldt voor verhoren die zijn afgenomen vóór de erkenning van het recht op verhoorbijstand in Nederland. Ten tweede wordt met een beroep op de conclusie van A-G Bot van 4 april 2017 in de zaak C-612/15 (
Kolev e.a.) van het Hof van Justitie EU betoogd dat de gevolgen van rechtssituaties die zijn ontstaan voordat de implementatietermijn van de Richtlijn 2013/48 was verstreken, onder de werking van de Richtlijn vallen.
NJ-annotatie van Klip onder HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2068 (
NJ2017/242). Klip schrijft daarin onder meer:
HvJ EU5 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:392). Die uitspraak is in lijn met het standpunt dat A-G Bot in de bedoelde passage innam.
Kolev e.a.om prejudiciële vragen die door een Bulgaarse rechter in een lopende strafzaak zijn gesteld. Een van die vragen betrof de vaststelling van de rechter dat twee verdachten in die zaak dezelfde advocaat hadden. Naar het oordeel van de rechter hadden de beide verdachten tegenstrijdige belangen omdat één van de verdachten informatie heeft verstrekt die belastend kan zijn voor de ander. Het Bulgaarse Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat de rechter in een dergelijke situatie de desbetreffende advocaat uitsluit van de verdediging en in diens plaats twee plaatsvervangende advocaten toewijst, zelfs als de verdachten zich daartegen verzetten. De Bulgaarse rechter legt aan het Hof van Justitie EU de vraag voor of deze nationale regeling in overeenstemming is met de Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang tot een advocaat. Het verzoek om een prejudiciële beslissing werd gedaan in 2015, dus voor het verstrijken van de implementatietermijn van de Richtlijn op 27 november 2016. A-G Bot nam zijn conclusie echter na de implementatiedatum. Hij schrijft over de toepasselijkheid van de Richtlijn het volgende (punt 107):
Kolev e.a.werd geoordeeld een andere is dan de situatie waarvan in de onderhavige zaak sprake is. Het ging in de zaak
Kolev e.aniet om het gebruik voor het bewijs van verklaringen die vóór de implementatiedatum van de Richtlijn in overeenstemming met het nationale recht zijn verkregen. Het ging om een situatie van tegenstrijdige belangen die weliswaar vóór de implementatie was ontstaan, maar die na die datum voortduurde. Het ging daardoor om de (kwaliteit van de) rechtsbijstand waarop de verdachten in het hoofdgeding na 27 november 2016 aanspraak hadden. Ik wijs er daarbij op dat de beslissing om de desbetreffende advocaat van de verdediging uit te sluiten door de Bulgaarse rechter nog moest worden genomen. De vraag was of die nog te nemen beslissing met de Richtlijn strookte. Het standpunt van A-G Bot en het oordeel van het Hof van Justitie EU dat de Richtlijn van toepassing is, is zo gezien geenszins verrassend. Om meer dan het overgangsrechtelijke principe dat wij onmiddellijke werking plegen te noemen, gaat het mijns inziens niet. Toegespitst op het procesrecht houdt dit principe in dat nieuw recht in lopende procedures onmiddellijk van toepassing is, tenzij in een bijzondere overgangsregeling is voorzien.