Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
6 september 2016.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen verdachte wegens betrokkenheid bij cocaïnehandel, oordeelt de Hoge Raad over de toepassing van het recht op verhoorbijstand. De verdachte werd verhoord zonder fysieke aanwezigheid van een raadsman, maar had voorafgaand aan het verhoor wel contact met zijn advocaat. De verdediging stelde dat de verklaring van verdachte niet als bewijs mocht dienen vanwege het ontbreken van bijstand tijdens het verhoor.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 22 december 2015, waarin het recht op advocaatbijstand tijdens politieverhoren is aangescherpt. Dit recht geldt vanaf dat arrest en niet met terugwerkende kracht. Voor de overgangsperiode tussen 22 december 2015 en 1 maart 2016 geldt een regeling waarbij het ontbreken van bijstand niet automatisch leidt tot bewijsuitsluiting.
De Hoge Raad bevestigt dat verdachte zijn advocaat heeft kunnen consulteren voorafgaand aan het verhoor en dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte nadien gebruik wilde maken van fysieke bijstand. De enkele omstandigheid dat de raadsman niet fysiek aanwezig was tijdens het verhoor maakt de verklaring niet onbruikbaar als bewijs. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; de verklaring van verdachte mag als bewijs worden gebruikt ondanks het ontbreken van fysieke advocaatbijstand tijdens het verhoor.