Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:BZ4185

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
13/00700
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizenArt. 19 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis wegens schending hoor- en wederhoor

Betrokkene verbleef op grond van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. De officier van justitie verzocht de rechtbank om verlenging van deze machtiging op basis van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank verleende de machtiging, waarbij zij haar beslissing mede baseerde op een SEO-test en een psychologisch rapport die niet als bijlage bij het verzoekschrift waren gevoegd en pas tijdens de zitting aan betrokkene werden medegedeeld.

De advocaat van betrokkene gaf aan dat deze stukken te laat waren overgelegd en dat betrokkene niet eerder kennis had kunnen nemen van de resultaten van het psychologisch onderzoek. De Hoge Raad constateerde dat de rechtbank betrokkene en zijn advocaat niet de gelegenheid had gegeven zich uit te laten over deze stukken voordat de beschikking werd gegeven.

Hierdoor is het beginsel van hoor en wederhoor, zoals neergelegd in artikel 19 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geschonden. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank en verwees de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant voor verdere behandeling en beslissing.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend en de conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot vernietiging en verwijzing. De Hoge Raad gaf hiermee een belangrijke bevestiging van het belang van het procesrechtelijke beginsel van hoor en wederhoor in procedures rondom gedwongen opname en voortgezet verblijf in psychiatrische ziekenhuizen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot machtiging voortgezet verblijf wegens schending van het hoor- en wederhoorprincipe en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.

Uitspraak

26 april 2013
Eerste Kamer
13/00700
TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
OFFICIER VAN JUSTITIE TE 'S-HERTOGENBOSCH,
zetelende te 's-Hertogenbosch,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als
betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 254287/FA RK 12-5606 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 november 2012.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Betrokkene verblijft op grond van een machtiging tot voortgezet verblijf van 7 november 2011 in een psychiatrisch ziekenhuis van de Amarant Groep (GGZ Eindhoven).
(ii) De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om op de voet van art. 15 Wet Pro Bopz een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis te verlenen.
(iii) De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 27 oktober 2013.
3.2 Onderdeel I van het middel klaagt dat de rechtbank in haar beschikking in strijd met een goede procesorde gebruik heeft gemaakt van testgegevens en van een psychologisch rapport zonder dat aan betrokkene behoorlijk gelegenheid is gegeven van deze stukken kennis te nemen en zich daarover uit te laten.
3.3 Blijkens haar beschikking heeft de rechtbank aan haar beslissing onder meer de resultaten van een SEO-test (met betrekking tot het sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau van betrokkene) en een psychologisch rapport van 24 september 2012 ten grondslag gelegd.
Deze stukken waren niet als bijlage gevoegd bij het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie. In de geneeskundige verklaring van 18 oktober 2012, die wel als bijlage was gevoegd bij het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie, was vermeld 'Informatie over het resultaat van het uitgevoerde psychologisch onderzoek was niet voorhanden'.
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene onder meer te kennen gegeven: 'Nu pas - op de zitting - wordt het resultaat van de IQ-test met betrokkene besproken. Dit resultaat is niet eerder aan betrokkene medegedeeld' en 'Op deze plaats herhaal ik dat we te laat met stukken zijn geconfronteerd'.
Uit een als bijlage bij het cassatierekest overgelegde e-mail van de behandelaar (GZ-psycholoog) aan de advocaat van betrokkene volgt dat de behandelaar het schriftelijke verslag van de resultaten van de SEO-test en het psychologisch rapport tijdens de mondelinge behandeling aan de rechtbank heeft overhandigd en daags na deze mondelinge behandeling aan de advocaat van betrokkene heeft toegezonden.
Het vorenstaande laat geen andere conclusie toe dan dat de rechtbank heeft nagelaten betrokkene en zijn advocaat in de gelegenheid te stellen om kennis te nemen van en zich uit te laten over het schriftelijke verslag van de resultaten van de SEO-test en het psychologisch rapport voordat de rechtbank haar beschikking gaf. Nu de rechtbank haar oordeel, ten nadele van betrokkene, mede op deze stukken heeft gebaseerd, is sprake van schending van het in art. 19 Rv Pro neergelegde beginsel van hoor en wederhoor. Het onderdeel is dus gegrond.
3.4 De onderdelen II en III behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 november 2012;
verwijst het geding naar de rechtbank Oost-Brabant ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 26 april 2013.