Conclusie
moord op een bijzonder smartelijke wijze voor het slachtoffer, dat zich in hulpbehoevende staat bevond”, was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren en zes maanden. De rechtbank heeft [veroordeelde] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 826 dagen, waarvan 720 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van een jaar.
Op 11.08.1991 vroeg in de morgen bezocht [betrokkene] voor de zoveelste keer het huis van [veroordeelde] na gebruik van een grote hoeveelheid alcohol en viel in slaap in het bed naast haar. De veroordeelde kon zijn aanwezigheid niet meer uithouden, ze besliste zich van hem te bevrijden, waarbij zij hem vermoordt. [veroordeelde], die farmaceut van beroep is, wat al gekend is, bracht het slachtoffer in een hulpeloze toestand – ze verdoofde hem met chloroform. Nadien maakte ze de handen, de voeten en de hals van het slachtoffer vast aan het bed met beschikbare middelen – telefoonkabel, touw en ceintuur van jurk. Daarna overgoot ze hem met extractiebenzine en stak hem in brand. Ze bleef voor een paar minuten in de kamer, ondertussen werd de brandende [betrokkene] wakker en probeerde op te staan, maar hij kon niet, omdat hij vastgemaakt was. Toen verliet [veroordeelde] haar woning, maakte de deur op slot en nadat ze wat tijd in de wijk wandelde, ging ze zelf naar de Politie om over het gebeurde mee te delen.”
in sterk verminderde mate kan worden toegerekend”.
eerste middelbehelst twee klachten die in elkaars verlengde liggen. De eerste klacht luidt dat de rechtbank de tenuitvoerlegging ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard “
aangezien verzoekster een beroep op psychische overmacht toekomt en er om die reden geen sprake is van dubbele strafbaarheid”. De tweede klacht luidt dat de rechtbank de verwerping van het beroep op psychische overmacht onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.
in geval van veroordeling, de dader naar Nederlands recht eveneens strafbaar zou zijn geweest”. Aan de hier vereiste dubbele strafbaarheid
in concretozou niet zijn voldaan (eerste klacht) omdat de veroordeelde naar Nederlands recht een beroep op psychische overmacht zou toekomen, dat de rechtbank echter onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen (tweede klacht).
hetgeen door verzoeker ter terechtzitting is gesteld ter zake van het ontbreken van alternatieve manieren om te handelen, alsmede in het licht van hetgeen door de Pro Justitia rapporteurs over de persoonlijkheid van verzoekster is gesteld”.
elk redelijk alternatief heeft gelaten voor wat het was”, is evenmin onbegrijpelijk in het licht van de rapportages. De gedragsdeskundigen zijn namelijk van mening, zo overweegt de rechtbank in het kader van de straftoemeting, “
dat op basis van de stoornis, de persoonlijkheid van veroordeelde, in combinatie met de situatie op dat moment, veroordeelde in ieder geval verminder – tot sterk verminderd –, tot bijna ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.” De rechtbank heeft zich met deze conclusies verenigd en deze conclusies overgenomen, en met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van de veroordeelde geconcludeerd “
dat het bewezen verklaarde aan veroordeelde in sterk verminderde mate kan worden toegerekend”. In het licht hiervan acht ik het oordeel van de rechtbank, “
dat veroordeelde in de onderhavige zaak elk redelijk alternatief heeft gelaten voor wat het was” niet onbegrijpelijk. Het is niet onverenigbaar met het oordeel van de gedragsdeskundigen dat de veroordeelde “
sterk verminderd” toerekeningsvatbaar was, maar dus niet
ontoerekeningsvatbaar. Bovendien gaat het er bij de beoordeling van een beroep op psychische overmacht niet slechts om of de veroordeelde een redelijk alternatief
konkiezen maar ook of dit van haar juridisch, normatief mocht worden verlangd. [20]
hetgeen door verzoeker ter terechtzitting is gesteld ter zake van het ontbreken van alternatieve manieren om te handelen” voldoet niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld. In de schriftuur wordt uit de ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie geciteerd, zonder vervolgens met de vereiste nauwkeurigheid aan te geven welke onderdelen daarvan de overweging van de rechtbank onbegrijpelijk zouden maken. De klacht moet daarom verder onbesproken blijven.
tweede middelbehelst de klacht dat de rechtbank het beroep op overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
niet aan haar te wijten[is]
dat de Bulgaarse autoriteiten niet op hoogte zouden zijn van haar verblijfplaats.” Bovendien zou onbegrijpelijk zijn de vaststelling dat de Bulgaarse autoriteiten pogingen hebben gedaan om de veroordeelde op te sporen, en dit (volgens de steller van het middel) omdat het dossier op dit punt tegenstrijdige informatie bevat. De tegenstrijdigheid zou blijken uit enerzijds de vordering tot erkenning en uitvoering van het vonnis van Bulgaarse rechtbank en anderzijds “
het ‘Voorstel’ van het Arrondissementsparket Plovdiv”, die beide als bijlage bij de schriftuur zouden zijn gehecht. Als bijlage heb ik wel de vordering aangetroffen maar niet het voorstel, zodat het beroep op tegenstrijdigheid reeds faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
aan de Bulgaarse autoriteiten”. De Nederlandse IND is geen Bulgaarse autoriteit.
Verjaring.
slechts” klaagt “
over de mogelijkheid van een dergelijke inbreuk”, niet als middel van cassatie heeft aanmerkt. [22]
Vordering tot erkenning en uitvoering van vonnis van Bulgaarse rechtbank”, d.d. 4 september 2008. De vordering maakt deel uit van de stukken.
Overeenkomstig verordening nr. 82, al. 1, p. 2 van het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht is de verjaring voor de uitvoering van de opgelegde op de veroordeelde [veroordeelde] straf 17 jaren en 6 maanden gevangenisstraf VIJFTIEN JAREN. Volgens art. 82, al. 2 en al. 3 van het Wetboek van strafrecht is deze verjaring te rekenen vanaf de inkrachttreding van het vonnis en wordt onderbroken met iedere handeling van de bevoegde organen, ondernomen tegenover de veroordeelde tenuitvoerlegging, na aflopen van de handeling begint een nieuwe verjaring te lopen. Zo’n geldige handeling voor onderbreking van de verjaring in de zin van art. 82, al. 3 van het Wetboek van Strafrecht en art. 8 van Pro de Conventie, behelst de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel van [veroordeelde] op 16.11.2007 door het Arrondissementsparket stad Plovdiv, dat het bevoegde orgaan in de executie van de straffen is, aan Koninkrijk der Nederlanden voor de overlevering van de persoon. En omdat de relatieve 15-jarige verjaring onderbroken was, dan is de absolute verjaring voor uitvoering van de straf TWEEËNTWINTIG JAREN EN ZES MAANDEN (22 jaren en 6 maanden) volgens art. 82, al. 4 van het Wetboek van Strafrecht.”
indien het recht tot uitvoering van de straf naar Nederlands recht zou zijn verjaard”. A contrario zou hieruit (wellicht) kunnen worden opgemaakt dat verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging van de straf naar het recht van de verzoekende staat, niet aan tenuitvoerlegging in Nederland in de weg staat. Is het recht tot tenuitvoerlegging van de straf naar Nederlands recht verjaard?
De andere uitgezonderde gevallen (verjaring van het executierecht naar Nederlands recht, de jeugdige leeftijd van de veroordeelden en een lopende vervolging ter zake van dezelfde feiten in Nederland of ne bis in idem overwegingen) zullen goeddeels voor zichzelf spreken.” [25]
Artikel 6 dient Pro, in geval van toepassing van het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen, te worden bezien in samenhang met artikel 8 van Pro dat verdrag, bepalende dat door de autoriteiten van de staat van veroordeling rechtsgeldig verrichte handelingen, die de verjaring stuiten of schorsen, geacht worden dezelfde rechtskracht te hebben in de staat van tenuitvoerlegging voor de vaststelling van de verjaring volgens het recht van die staat. Opvallenderwijs bevat het Benelux-verdrag geen specifieke bepalingen met betrekking tot de verjaring. Aangenomen moet echter worden dat de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis, waartoe het recht in Nederland zou zijn verjaard, ook met inachtneming van schorsende handelingen, in strijd is met de grondbeginselen van de Nederlandse rechtsorde en uit dien hoofde krachtens artikel 5, eerste lid, onder g, van dat verdrag ontoelaatbaar is.” [26]
RvdW2009/457, waarop een beroep wordt gedaan in de schriftuur. Nadat de rechtbank de uitlevering aan Macedonië toelaatbaar had verklaard ter fine van de tenuitvoerlegging van een door een Macedonisch gerecht opgelegde gevangenisstraf voor de duur van een jaar en zes maanden, kwam bij de advocaat-generaal bij de Hoge Raad informatie binnen van de Macedonische autoriteiten dat het recht tot tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf naar Macedonisch recht was verjaard. De Hoge Raad verklaarde de uitlevering vervolgens, gelet op het bepaalde in artikel 10 EUV Pro 1957, ontoelaatbaar.
logisch uitvloeisel” van de hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. [40] Daarmee is de lading echter niet helemaal gedekt, omdat vertrouwen zich er enerzijds tegen kan verzetten te eisen dat de uitvaardigende justitiële autoriteit verklaart of aantoont dat het recht tot tenuitvoerlegging van de straf ter zake van de feiten waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft niet is verjaard, maar anderzijds niet mag betekenen dat een EAB zou mogen worden uitgevaardigd om een straf ten uitvoer te leggen die inmiddels is verjaard naar het recht van de uitvaardigende lidstaat of dat geen navraag zou mogen worden gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit indien feiten en omstandigheden naar voren komen waaruit het “
rechtstreeks en ernstige vermoeden” rijst dat het recht tot tenuitvoerlegging is verjaard naar het recht van de uitvaardigende justitiële autoriteit. [41] Iets vergelijkbaars doet zich namelijk voor bij het EUV 1957 dat in artikel 10 wel Pro een uitdrukkelijke weigeringsgrond bevat ingeval het recht tot tenuitvoerlegging van de straf is verjaard naar het recht van de verzoekende lidstaat, maar waarbij in de toelichting is opgemerkt dat het niet aan de aangezochte staat is vast te stellen of de verjaring naar het recht van de verzoekende staat is ingetreden. [42] Het één (vertrouwen) is niet onverenigbaar met het ander (weigeringsgrond) omdat in de uitleveringsprocedure feiten en omstandigheden naar voren kunnen komen die – niettegenstaande het bestaande vertrouwen – het rechtstreeks en ernstige vermoeden doen rijzen dat het recht tot tenuitvoerlegging naar het recht van de verzoekende (uitlevering) of uitvaardigende (overlevering) lidstaat is verjaard. Zonder dergelijke feiten en omstandigheden moet erop worden vertrouwd dat het recht tot tenuitvoerlegging of strafvervolging niet is verjaard.
RvdW2009/457 kan worden opgemaakt dat dit ook geldt indien pas tijdens de behandeling van het cassatieberoep blijkt dat de executieverjaring is ingetreden.
Vordering tot erkenning en uitvoering van vonnis van Bulgaarse rechtbank”, die ik hierboven citeerde, houdt met betrekking tot de stuiting van de verjaring, het volgende in:
gedurende de tijd dat de tenuitvoerlegging aan een vreemde Staat is overgedragen, zolang de Minister van Justitie van de autoriteiten van die Staat geen mededeling, houdende een beslissing omtrent de overname van de tenuitvoerlegging, heeft ontvangen.”
De aanvulling van artikel 77 van Pro het Wetboek van Strafrecht regelt de gevolgen die een verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging van een Nederlandse rechterlijke beslissing heeft op het punt van de verjaring. Tussen het moment waarop de tenuitvoerlegging van de sanctie is overgedragen (dat wil zeggen het moment van verzending van het verzoek tot tenuitvoerlegging als de veroordeelde niet meer in Nederland is, althans hier geen straf ondergaat, dan wel het moment waarop een veroordeelde daadwerkelijk ter beschikking wordt gesteld van de buitenlandse autoriteiten ter verdere tenuitvoerlegging van zijn straf) en het moment waarop bericht van de aangezochte staat is ontvangen of deze de tenuitvoerlegging overneemt, is de verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging geschorst. Zou de aangezochte staat eerst na lange tijd berichten niet bereid of in staat te zijn de tenuitvoerlegging over te nemen, dan heeft dat niet ten gevolge dat inmiddels het Nederlandse executierecht zou kunnen zijn verjaard.” [46]
Nederlandseregeling van de executieverjaring die van toepassing is op zaken waarin Nederland als verzoekende staat optreedt en niet als ten uitvoer leggende staat zoals in de onderhavige zaak.
Vordering tot erkenning en uitvoering van vonnis van Bulgaarse rechtbank” blijkt namelijk dat de “
absolute verjaring voor uitvoering van de straf TWEEËNTWINTIG JAREN EN ZES MAANDEN (22 jaren en 6 maanden)” bedraagt.
convert the sentence […] into a decision of that State, thereby substituting for the sanction imposed in the sentencing State a sanction prescribed by the law of the administering State for the same offence”.
De rechtbank, de tenuitvoerlegging toelaatbaar achtende, verleent verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. De artikelen 353 en 357 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.”
welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld”. Daarmee is de door de rechtbank opgelegde straf in de plaats getreden van de straf die door de Bulgaarse rechter is opgelegd. De straf die het Nederlandse OM ten uitvoer legt betreft (dan ook) niet de oorspronkelijke door de Bulgaarse rechter opgelegde straf, maar de gevangenisstraf die door de Nederlandse rechtbank zelfstandig is vastgesteld, zulks naar Nederlands recht zoals dat gold op het moment van haar beslissing, en met gebondenheid aan de veroordeling die door de Bulgaarse rechter is uitgesproken. [48]
NJ2012/129, maar ook in de tekst van het VOGP, de parlementaire voorbereiding van de WOTS, alsmede de Belgische en Duitse parlementaire voorbereiding van de goedkeuringswetten.
convert the sentence […] into a decision of that State, thereby substituting for the sanction imposed in the sentencing State a sanction prescribed by the law of the administering State for the same offence”.
eigen beslissing van de exequaturrechter […] in de plaats treedt van die van de buitenlandse rechter” en dat als gevolg daarvan de omzetting heeft plaatsgevonden “
in een Nederlandse rechterlijke uitspraak”. [50]
NJ2012/129 lag een Engelse veroordeling ten grondslag waarvan de tenuitvoerlegging door Nederland was overgenomen. In cassatie was de vraag aan de orde of de beslissing van de Nederlandse exequaturrechter moest worden aangemerkt als de “
veroordeling tot vrijheidsstraf”, omdat in dat geval, op grond van de toepasselijke overgangsbepaling, de – voor de veroordeelde minder gunstige – nieuwe Nederlandse regeling inzake de voorwaardelijke invrijheidsstelling van toepassing zou zijn op de grond dat die ná het Engelse vonnis in werking was getreden, doch vóór de beslissing van de Nederlandse exequaturrechter. De Hoge Raad overwoog in r.o. 3.4.2 het volgende:
De (onherroepelijke) beslissing van de rechtbank te Rotterdam van 29 april 2009 komt neer op de verlening van verlof tot de tenuitvoerlegging van de door de Engelse rechter gegeven beslissing en de oplegging van een gevangenisstraf op de voet van art. 31 Wots Pro in verbinding met art. 9 lid Pro 1, onder b, en art. 11 lid 1 Vogp Pro.
op het moment van de beslissingvan de Nederlandse exequaturrechter, kan die rechter geen verlof tot tenuitvoerlegging verlenen omdat er op dat moment geen ten uitvoer te leggen vrijheidsbenemende sanctie existeert.
exequaturrechteren dat mijn beschouwingen over de verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging naar het recht van de staat van veroordeling zich daartoe beperken. Deze beschouwingen gaan niet op ingeval de vrijheidsbenemende sanctie rechtstreeks ten uitvoer wordt gelegd. In dat geval wordt de buitenlandse veroordeling immers niet ‘omgezet’.