ECLI:NL:HR:2009:BH3181
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Geen uitlevering wegens verjaring van straf opgelegd door Macedonische rechtbank
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan de autoriteiten van Macedonië, waarbij de straf die door de Rechtbank te Kumanovo was opgelegd een gevangenisstraf van 1 jaar en 6 maanden betrof. De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen de toelaatbaarverklaring van deze uitlevering.
Uit een brief van het Ministerie van Justitie, waarin een schrijven van de Rechtbank te Kumanovo was gevoegd, bleek dat de straf wegens verjaring niet meer ten uitvoer kan worden gelegd. De verjaring trad in op 7 oktober 2008, zes jaar na het definitief worden van het vonnis op 7 oktober 2002.
Op grond van artikel 10 van Pro het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV), dat bepaalt dat uitlevering niet wordt toegestaan indien de straf verjaard is, oordeelde de Hoge Raad dat de uitlevering ontoelaatbaar is. De eerdere uitspraak van de Rechtbank te Maastricht werd vernietigd en de uitlevering werd afgewezen.
De Hoge Raad stelde vast dat de middelen van het cassatieberoep geen bespreking behoeven en deed het arrest op 17 maart 2009, gewezen door de vice-president en twee raadsheren.
Uitkomst: De uitlevering wordt afgewezen omdat de straf wegens verjaring niet meer kan worden uitgevoerd.