Conclusie
1.Feiten en procesverloop
hull&machinery-verzekering) van het aan Carisbrooke toebehorende motorschip ‘Dina’ bij Lloyd’s Syndicate 1009, Swiss Re Frankona Reinsurance Limited en Generali (hierna gezamenlijk: verzekeraars), welke verzekering is ingegaan op 31 maart 2001.
placing broker) een mededeling betreffende de ‘Dina’ gedaan aan verzekeraars, welke mededeling heeft geleid tot een zogenaamde
endorsement(een aanhangsel bij een verzekeringspolis waarin een of meer wijzigingen daarvan zijn vastgelegd).
hull&machinery-verzekeringen van de schepen van de Carisbrooke-vloot, waaronder de ‘Dina’ (rov. 3-6). Het hof heeft, gelet op de omstandigheid dat Carins statutair gevestigd is in Groningen (rov. 8) en dat niet kan worden meegegaan met de stelling van Carins dat de ‘feitelijke vestigingsplaats’ in Engeland was gelegen (rov. 9), overwogen dat op grond van art. 4 lid 2 EVO Pro de overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn met Nederland. Het hof is echter tot het oordeel gekomen dat de omstandigheden van het geval meebrengen dat de overeenkomst nauwer is verbonden met Engeland dan met Nederland, waardoor het hof op grond van art. 4 lid 5 EVO Pro het Engelse recht toepasselijk acht op de overeenkomst (rov. 11).
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
hull&machinery-verzekering van de Dina zoals die per 31 maart of 1 april 2001 (hierna: 1 april 2001) is geprolongeerd. Nu gesteld noch gebleken is dat er ten aanzien van de totstandkoming of prolongatie van deze cascoverzekering sprake is geweest van afzonderlijke opdrachten voor de Dina alleen, houdt het hof het ervoor dat de aan artikel 4 EVO Pro te toetsen overeenkomst die is waarbij Carisbrooke aan Carins opdracht heeft gegeven de cascoverzekering(en) per die datum te prolongeren voor de hele vloot (inclusief de Dina). Over wanneer die opdracht precies is gegeven heeft Carisbrooke zich niet uitgelaten, maar dat die opdracht is gegeven is niet in geschil. Dat met de opdracht vorenbedoelde
hull&machinery-verzekering(en) te prolongeren ook enige opdracht is gegeven ter zake van andere scheepsverzekeringen, waarvan overigens over de prolongatiedata niets is gesteld, is gesteld noch gebleken, zodat het hof ervan uitgaat dat het om een afzonderlijke opdracht betreffende uitsluitend de
hull&machinery-verzekering(en) is gegaan’.
hull&machinery-verzekering van de ‘Dina’. Het onderdeel betoogt dat het hof is afgeweken van de grondslag zoals Carisbrooke die ter onderbouwing van haar vordering heeft aangevoerd. Volgens het onderdeel is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Ook het voortbouwende oordeel van het hof in rov. 11 kan derhalve niet in stand blijven, aldus het onderdeel.
hull&machinery, P&Ien
loss of hire, gezamenlijk aan te duiden als scheepsverzekeringsovereenkomsten ten behoeve van alle van de vloot van Carisbrooke deel uitmakende schepen; 2) de opdracht te bemiddelen bij de totstandkoming van (uitsluitend)
hull&machinery-verzekeringen voor alle schepen; 3) de opdracht te bemiddelen bij de totstandkoming van de
hull&machinery-verzekering voor de Dina; 4) de opdracht op 2 november 2001 gericht op het bewerkstelligen van wijzigingen in de onder 3) bedoelde verzekering’.
hull&machinery-verzekeringen voor alle schepen van de vloot van Carisbrooke ten grondslag heeft gelegd. Ik citeer uit de akte van Carisbrooke:
hull&machinery-verzekering voor de ‘Dina’, voor de vraag naar het toepasselijk recht volgens Carisbrooke doorslaggevende betekenis toekomt aan hetgeen partijen met betrekking tot de bemiddeling van de
hull&machinery-verzekering van de vloot van Carisbrooke (in het bijzonder die voor de ‘Dina’) zijn overeengekomen.
hull&machinery-verzekeringen en de opdracht aan Carins om de voor de dekking van de lopende verzekeringen voor de ‘Dina’ relevante wijzigingen aan de verzekeraars door te geven, is door Carisbrooke onder sub 7 t/m 15 van de akte na tussenarrest gewezen op de samenhang tussen deze taken. Carinsbrooke heeft aangevoerd dat de opdracht van Carins als assurantietussenpersoon niet eindigde bij het bemiddelen en het via de Engelse
brokerdoen afsluiten van deze
hull&machinery-verzekeringen. Het behoort tot de taken van de assurantietussenpersoon om als dienstverlener te waken voor de belangen van de verzekeringnemer, welke zorgplicht ook geldt gedurende de looptijd van de verzekeringsovereenkomst, aldus Carisbrooke. [9] Dat het hof dit ook onder ogen heeft gezien volgt uit het slot van rov. 2 van het bestreden arrest waarin het hof heeft overwogen dat het volgens Carisbrooke ging om een opdracht met betrekking tot de bestaande cascoverzekering van de ‘Dina’ en derhalve om verplichtingen van Carins die voortvloeien uit de opdracht om de desbetreffende cascoverzekering te sluiten.
hull&machinery-verzekeringen. Gelet op het bovenstaande is deze uitleg die het hof aan de stellingen van Carisbrooke heeft gegeven, niet onbegrijpelijk. Anders dan het middel betoogt, is het hof niet afgeweken van de grondslag zoals Carisbrooke die ter onderbouwing van haar vordering heeft aangevoerd. Het hof kan derhalve ook niet worden verweten buiten de grenzen van de rechtsstrijd te zijn getreden. De door Carins in haar schriftelijke toelichting geciteerde passages uit de akte van Carisbrooke kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Het onderdeel stuit hierop af.
hull&machinery-verzekering(en) is gegaan. Volgens het onderdeel ziet het hof eraan voorbij dat Carins heeft gesteld dat de op 2 november 2001 gegeven opdracht niet alleen betrekking had op de
hull&machinery-verzekering, maar op alle relevante verzekeringen voor de ‘Dina’, waarbij het dus ook gaat om een
P&I-verzekering, een
loss of hire-verzekering en een inboedelverzekering, aldus de klacht.
hull&machinery-verzekering, maar op alle relevante verzekeringen voor de ‘Dina’. [10] Het hof heeft in rov. 3 gerespondeerd op deze stelling van Carins, maar heeft dit standpunt verworpen omdat gesteld noch gebleken is dat met de opdracht de
hull&machinery-verzekering(en) te prolongeren ook enige opdracht is gegeven ter zake van andere scheepsverzekeringen. De klacht berust derhalve op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist feitelijke grondslag. De klacht faalt derhalve.
hull&machinery-verzekering van (onder meer) de Dina, die aanvankelijk was afgesloten op de Londense markt en daar nadien herhaaldelijk was geprolongeerd, per 1 april 2001 nogmaals te prolongeren, bij de uitvoering waarvan Carins zich heeft bediend van een Engelse
placing broker.Bij toekenning van aanknopingsoverwicht aan Engeland kent het hof voorts aanzienlijk gewicht toe aan het feit dat op de verzekeringsovereenkomst waarom het hier gaat Engels recht van toepassing was. Dat vormt een belangrijk aanknopingspunt, omdat de opdracht van Carisbrooke aan Carins erin bestond haar te vertegenwoordigen bij de prolongatie van deze overeenkomst en nadien bij het doorgeven van wijzigingen in het kader daarvan, en fouten van Carins in het kader van deze opdracht naar Engels recht te beoordelen gevolgen voor Carisbrooke hadden. Dat Carins voor Carisbrooke ook bemiddelde bij de totstandkoming of wijziging van andere scheepsverzekeringen op andere markten dan de Engelse en in het kader van door Carins bemiddelde overeenkomsten, acht het hof – noch daargelaten dat ook die, blijkens hetgeen Carins bij memorie van grieven sub 29.2 (ad 8) zelf naar voren heeft gebracht, geregeerd werden door Engels recht – van ondergeschikt belang. Ook hetgeen partijen overigens ter zake de aanknoping naar voren hebben gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden’.
ICF/Balkenende. [12] Hierin heeft het Hof het volgende overwogen:
Balenpers-arrest. De Hoge Raad oordeelde dat art. 4 lid 5 EVO Pro slechts voor toepassing in aanmerking kon komen in het geval dat de vermoedens van het tweede, derde en vierde lid van art. 4 EVO Pro ‘geen reële aanknopingswaarde’ blijken te hebben. [13] Uit het arrest
ICF/Balkenendevolgt dat art. 4 lid 5 EVO Pro niet in die mate restrictief dient te worden gehanteerd dat alleen van de hoofdregel van art. 4 lid 2 EVO Pro kan worden afgeweken indien de plaats van vestiging van de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten geen reële aanknopingswaarde heeft. Volgens het Hof volstaat reeds een duidelijke aanwijzing van een nauwere verbondenheid. [14] Hieruit volgt dat het door het Hof gehanteerde criterium voor de uitzondering minder rechtszekerheid biedt dan het restrictieve criterium van de Hoge Raad in het
Balenpers-arrest. [15] Het Hof heeft in rov. 59 van het arrest
ICF/Balkenendeerop gewezen dat art. 4 lid 5 EVO Pro tot doel heeft tegenwicht te bieden aan het stelsel van vermoedens van art. 4 door Pro de vereisten van rechtszekerheid waaraan die vermoedens beantwoorden, en de noodzaak van een zekere soepelheid bij de bepaling van het recht dat daadwerkelijk de nauwste band met de betrokken overeenkomst heeft, met elkaar te verzoenen.
hull&machinery-verzekering van (onder meer) de ‘Dina’ was op de Londense verzekeringsmarkt afgesloten en was daar nadien herhaaldelijk geprolongeerd,
placing broker,
ICF/Balkenendegeldende maatstaf door op grond van de weging van de omstandigheden tot het oordeel te komen dat duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met Engeland. Dat oordeel getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
hull&machinery-overeenkomst van toepassing is, wordt miskend dat het hof deze omstandigheid in het geheel van omstandigheden heeft meegewogen.
Haeger & Schmidtheeft het HvJEU geoordeeld dat de rechter moet nagaan of gelet op alle omstandigheden van het bij hem aanhangige geding dient te worden afgestapt van de oplossing waartoe hij onder art. 4 lid 2 EVO Pro is gekomen. [20] Volgens het Hof moet de rechter daartoe (rov. 48):