Conclusie
1.Feiten
Hiernaast zette FOH [eiser] in voor dergelijke werkzaamheden bij de psychiatriepraktijk van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]).
2.Procesverloop
3.Het cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen rov. 6.3 van het bestreden arrest. In rov. 6.1-6.4 respondeert het hof op grief 1. Met die grief betoogde [eiser] dat het concurrentie- en relatiebeding nietig of vernietigbaar is wegens strijd met art. 9a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Het hof overweegt hierover als volgt:
6.3 Anders echter dan [eiser] betoogt is het beding niet nietig om de enkele reden dat sprake is van ter beschikking stellen van arbeidskrachten als bedoeld in art. 1 lid 1 sub c Waadi Pro. Het belemmeringsverbod in art. 9a van die wet ziet slechts op de situatie waarin de opdrachtgever (in casu dus de Huisartsenpraktijk of [betrokkene 2]) hem na afloop van de terbeschikkingstelling in dienst zou willen nemen.
tweede onderdeelbevat een motiveringsklacht tegen de laatste alinea van rov. 6.9, waarin het hof het beroep van [eiser] op (gedeeltelijke) schorsing van het concurrentie- en relatiebeding afwijst voor wat betreft de niet BIG-geregistreerde werkzaamheden van [eiser].
derde onderdeelis een voortbouwklacht en heeft geen zelfstandige betekenis.
Art. 9a Waadi is per 27 april 2012 in werking getreden en luidt als volgt (mijn onderstreping):
1 Degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt legt geen belemmeringen in de weg voor de totstandkoming vaneen arbeidsovereenkomstna afloop van de terbeschikkingstelling tussen de ter beschikking gestelde arbeidskracht en degene aan wie hij ter beschikking is gesteld.
het sluiten van een arbeidsovereenkomst’, maar ook over ‘
het tot stand komen van een arbeidsverhouding’. Daarmee lijkt art. 6 lid 2 van Pro de Uitzendrichtlijn een ruimere strekking te hebben dan art. 9a Waadi. De vraag die in het eerste onderdeel aan de orde wordt gesteld is of art. 9a Waadi, zo nodig bij wege van richtlijnconforme interpretatie, gelet op art. 6 lid 2 van Pro de Uitzendrichtlijn ruimer moet worden uitgelegd en ook de zzp-relatie van [eiser] met de psychiatriepraktijk van [betrokkene 2] of de Huisartsenpraktijk geacht moet worden te omvatten. Dat zou betekenen dat het concurrentie- en relatiebeding dat is opgenomen in art. 9 lid 1 en Pro lid 2 van de arbeidsovereenkomst tussen FOH en [eiser] in zoverre nietig is.
4.De Uitzendrichtlijn
flexicurity’). [9] Duidelijk is dat dit begrip een inherente spanning heeft: zekerheid of bescherming van werknemers gaat niet altijd samen met het vergroten van de concurrentiekracht van bedrijven door flexibele arbeidscontracten. [10]
flexicurity’) te vinden. Zie voor de dubbele doelstelling ook art. 2 van Pro de Uitzendrichtlijn: [12]
Deze richtlijn heeft tot doel de bescherming van uitzendkrachten te garanderen en de kwaliteit van het uitzendwerk te verbeteren door de naleving van het in artikel 5 vervatte Pro beginsel van gelijke behandeling ten aanzien van uitzendkrachten te waarborgen, en uitzendbureaus als werkgever te erkennen, daarbij rekening houdend met de noodzaak om een geschikt kader te creëren voor de gebruikmaking van uitzendwerk teneinde bij te dragen tot de schepping van werkgelegenheid en de ontwikkeling van flexibele arbeidsvormen.” [13]
“creëren van een kader voor uitzendwerk teneinde op doeltreffende wijze bij te dragen tot het scheppen van werkgelegenheid en het ontwikkelen van flexibele arbeidsvormen” ziet op het opheffen, althans opnieuw ter discussie stellen, van beperkingen aan de inzet van uitzendarbeid zoals die in verschillende lidstaten bestaan. [14]
beginsel van gelijke behandeling’), dat bepaalt, als hoofdregel, dat voor uitzendkrachten, voor de duur van hun opdracht bij een inlenende onderneming, ten minste dezelfde essentiële voorwaarden gelden als voor de werknemer die in dienst is van de inlenende onderneming en die dezelfde functie bekleedt. [15] Verder strekt ook art. 6 (met als kopje ‘
Toegang tot werk, collectieve voorzieningen en beroepsopleiding’) tot bescherming van uitzendkrachten. Daartoe voorziet art. 6 in Pro een recht op informatie van uitzendkrachten over vacatures, opdat zij dezelfde kansen op een vaste baan hebben als de overige werknemers van die onderneming (lid 1), toegang van de uitzendkracht tot collectieve voorzieningen als bedrijfskantine, kinderopvang- en vervoersfaciliteiten (lid 4), en de toegang tot beroepsopleidingen in de inlenende onderneming (lid 5). Het tweede lid van art. 6 bevat Pro het zogenoemde belemmeringsverbod, dat relevant is voor de onderhavige zaak. Dit zal hierna (onder 4.8) nader worden besproken.
sui generiswaren gebonden: ze waren geen werknemer van het uitzendbureau, maar evenmin van de inlenende onderneming. [19] In Nederland speelde deze problematiek overigens niet, omdat de uitzendovereenkomst naar ons recht een arbeidsovereenkomst is. [20]
het sluiten van een arbeidsovereenkomst’,maar ook voor ‘
het tot stand komen van een arbeidsverhouding’tussen uitzendkracht en inlenende onderneming. Het lijkt erop dat deze begrippen – het sluiten van een arbeidsovereenkomst of de totstandkoming van een arbeidsverhouding – in alle taalversies van de Uitzendrichtlijn zijn gebruikt. Zo wordt in de Engelstalige versie gesproken van “
the conclusion of a contract of employment or an employment relationship”. De Franstalige versie heeft het over “
la conclusion d’un contrat de travail ou d’une relation de travail” en de Duitstalige versie over “
den Abschluss eines Arbeitsvertrags oder die Begründung eines Beschäftigungsverhältnisses.”
Te wijzen is nog op art. 6 lid Pro 2, tweede volzin, dat de enige toegestane uitzondering op het belemmeringsverbod bevat. Deze uitzonderingsbepaling is bij amendement van het Europees Parlement aan art. 6 lid 2 toegevoegd Pro en luidt als volgt: [24]
Dit lid laat regelingen volgens welke uitzendondernemingen een redelijke vergoeding ontvangen voor aan de inlenende onderneming verleende diensten in verband met de terbeschikkingstelling, aanwerving en opleiding van uitzendkrachten onverlet.”
Het voorstel voor een richtlijn bevat aanvullende bepalingen die de situatie van de uitzendkrachten moeten verbeteren. In de eerste plaats moet hen de toegang tot vast werk worden vergemakkelijkt. Daarom is enerzijds bepaald dat uitzendkrachten die in een inlenende onderneming worden ingezet, moeten worden ingelicht over de betrekkingen die er vacant worden verklaard, en anderzijds dat alle bepalingen die de aanwerving van een uitzendkracht door een inlenende onderneming verbieden of moeten verhinderen, nietig zijn.” [25]
Artikel 6voorziet in een reeks bepalingen die de kwaliteit van het werk van de uitzendkracht moeten verbeteren. Opdat de uitzendkracht toegang zou hebben tot vast werk, moet hij worden ingelicht over de vacante betrekkingen en mag hij op geen hindernissen stuiten wanneer hem de mogelijkheid wordt geboden om na afloop van zijn opdracht met de inlenende onderneming een overeenkomst voor onbepaalde tijd te sluiten (lid 1 en 2)(…)” [26]
vast werkte vergemakkelijken. De achterliggende gedachte is kennelijk dat uitzendwerk naar zijn aard niet voorziet in vast werk voor de uitzendkracht. De uitzendkracht mag daarom niet op hindernissen stuiten wanneer hem de mogelijkheid wordt geboden om na afloop van de uitzendopdracht met de inlenende onderneming een overeenkomst voor onbepaalde tijd te sluiten. De geciteerde passage vermeldt echter ook dat ‘
alle bepalingen’die ‘
de aanwerving’van een uitzendkracht verbieden of verhinderen, nietig zijn. Dat duidt weer op een ruimer bereik dan alleen een verbod voor bepalingen die het in vaste dienst treden van een uitzendkracht verbieden of verhinderen. ‘Aanwerven’ betekent immers winnen, werven, ronselen. [27]
insecure employment’wordt bestempeld:
The Committee also approves the provisions of Article 6(2) which serve to render null and void any obstacles preventing temporary workers being taken on by the user undertaking at the end of their posting, thereby ensuring that workers are not forced to remain in insecure employment.” [28]
Toegang tot vast en goed werk” draagt, spreekt de definitieve richtlijn van “
Toegang tot werk, collectieve voorzieningen en beroepsopleiding”. In de definitieve tekst van de richtlijn is het woordje “vast” dus niet gehandhaafd. [29] Onduidelijk is wat de reden van deze wijziging is geweest. Er zou uit kunnen worden afgeleid dat het voorkomen van belemmeringen in de toegang tot werk van de uitzendkracht zich niet beperkt tot ‘vast en goed werk’, maar ziet op ‘werk’ in het algemeen, maar zeker is dit niet.
De definitieve tekst van art. 6 lid Pro 2, eerste volzin, bevat twee tekstuele wijzigingen ten opzichte van het voorstel van de Commissie. Hiermee lijken echter geen inhoudelijke wijzigingen te zijn beoogd. [30]
AKT/Shell [31] en HvJ EU 17 november 2016,
Ruhrlandklinik. [32] Alleen laatstgenoemde uitspraak is relevant voor de onderhavige kwestie. In die zaak legde het Bundesarbeitsgericht aan het Hof de vraag voor – kort gezegd – of de Uitzendrichtlijn van toepassing was op de terbeschikkingstelling van een persoon (een verpleegkundige) aan een inlenende onderneming (Ruhrlandkliniek), terwijl de verpleegkundige naar Duits recht geen arbeidsovereenkomst had met de uitlenende instelling (in casu een vereniging zonder winstoogmerk). Het Hof overwoog onder meer het volgende:
Ruhrlandkliniksluit aan bij eerdere rechtspraak van het Hof, waarin gekozen is voor een materiële benadering van het werknemersbegrip. Het Hof oordeelt immers dat het er niet om gaat of formeel gezien, naar nationaal recht sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar of materieel voldaan wordt aan de kenmerken van een arbeidsovereenkomst, namelijk
dat een persoon gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een beloning ontvangt.Deze omschrijving van het unierechtelijke begrip ‘werknemer’ berust op vaste rechtspraak van het Hof. [33] Zij is bijvoorbeeld ook te vinden in de uitspraak
FNV Kiem, met de overweging dat aan de hand van objectieve criteria moet worden bepaald of voldaan is aan het begrip ‘werknemer’ in de zin van het recht van de Unie (rov. 34). [34] De verwijzing naar ‘objectieve criteria’ zou er volgens Boot op kunnen wijzen dat het Hof wil abstraheren van de partijbedoeling en enkel kijkt naar de feitelijke vormgeving van de arbeidsverhouding. [35] Dit zou volgens Boot meebrengen dat sprake is van een relativering van de rechtspraak van de Hoge Raad, [36] waarin bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst óók de partijbedoeling meeweegt. [37] Verder overwoog het Hof in zijn uitspraak
FNV Kiemdat de kwalificatie als ‘zelfstandige’ naar nationaal recht, niet uitsluit dat een persoon moet worden aangemerkt als ‘werknemer’ in de zin van het Unierecht, indien zijn zelfstandigheid slechts fictief is en dus een echte arbeidsverhouding verhult. [38] Het Hof noemt daarbij drie kenmerken die kunnen meebrengen dat iemand werknemer is in de zin van het Unierecht en dus een ‘schijnzelfstandige’ is (rov. 36-37): [39]
Ruhrlandklinikschrijft Zwemmer dat de door het Hof gestelde eisen voor toepasselijkheid van de Uitzendrichtlijn zodanig ruim zijn dat daaronder ook zzp’ers of vrijwilligers kunnen vallen. [40] Ook een opdrachtnemer die op basis van een overeenkomst van tussenkomst werkzaam is voor een opdrachtgever van zijn opdrachtgever, zou daaronder kunnen vallen. Deze valt daarmee volgens Zwemmer ook onder de reikwijdte van de Waadi.
Ruhrlandklinikgaat weliswaar over de rechtsverhouding tussen de uitzendkracht en degene die de uitzendkracht ter beschikking stelt aan een inlenende onderneming (het uitzendbureau), en ziet daarmee op de werkingssfeer van de richtlijn. Maar zowel de materieelrechtelijke invulling die het Hof geeft aan het werknemersbegrip als zijn overwegingen in rov. 28 e.v., zijn ook van belang voor de onderhavige kwestie. De in art. 1 lid 1 Uitzendrichtlijn Pro gekozen bewoordingen voor het toepassingsgebied van de richtlijn (‘
werknemers met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding’) zijn immers vrijwel dezelfde als die in art. 6 lid Pro 2 (‘
het sluiten van een arbeidsovereenkomst of het tot stand komen van een arbeidsverhouding’).
De uitspraak van het Hof biedt naar mijn mening dan ook veel steun voor de gedachte dat art. 6 lid 2 Uitzendrichtlijn Pro ook betrekking heeft op uitzendkrachten die met de inlenende onderneming een arbeidsverhouding aangaan die formeel geen arbeidsovereenkomst is, maar daarmee materieel wel gelijk moet worden gesteld. Dat zal het geval zijn als diegene na afloop van de terbeschikkingstelling
gedurende een bepaalde tijd voor de inlenende onderneming en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een beloning ontvangt(rov. 43
Ruhrlandklinik).Ook een zzp’er kan onder omstandigheden voldoen aan dit criterium.
Voor deze uitleg pleiten dezelfde argumenten als het Hof gebruikt in de uitspraak
Ruhrlandklinik: de richtlijn beoogt een beschermingskader vast te stellen voor uitzendkrachten dat niet-discriminerend, transparant en evenredig is, en de diversiteit van de arbeidsmarkten en de arbeidsverhoudingen in de lidstaten eerbiedigt. Daarbij past niet dat het beschermingsniveau van de uitzendkracht afhangt van de ‘toevallige’ omstandigheid of hij na afloop van de terbeschikkingstelling met de inlenende onderneming een arbeidsovereenkomst sluit of een arbeidsrelatie aangaat die naar nationaal recht niet als een arbeidsovereenkomst kwalificeert maar daarmee materieel wel sterk op lijkt.
arbeidsverhouding’ als ‘
de rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer’. Daarmee heeft niet alleen de traditionele arbeidsovereenkomst te gelden als een arbeidsverhouding in de zin van het BBA. Op grond van art. 1 aanhef Pro en sub b onder 2 BBA valt onder de omschrijving van ‘
werknemer’ namelijk ook degene, die persoonlijk arbeid verricht voor een ander, tenzij hij (1) dergelijke arbeid in de regel voor meer dan twee anderen verricht of hij (2) zich door meer dan twee andere personen laat bijstaan of (3) deze arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is. Op grond van deze omschrijving kon onder het BBA ook aan opdrachtnemers (zzp’ers) de ontslagbescherming van art. 6 BBA Pro toekomen. [42] Met de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 is het ontslagverbod van art. 6 BBA Pro echter overgeheveld naar art. 7:681 BW Pro. Dit brengt mee dat de ontslagbescherming van een specifieke groep opdrachtnemers – namelijk degene die in de regel niet voor meer dan twee anderen arbeid verrichten en gehouden zijn zelf de arbeid uit te voeren – is vervallen. [43]
Wel is er ook in het Nederlandse recht voldoende grondslag om
sommigevan die arbeidsrelaties onder de werking van art. 6 lid 2 van Pro de Uitzendrichtlijn te brengen. Zoals hiervoor is besproken is dat aan de orde als de overeenkomst die de uitzendkracht na afloop van de terbeschikkingstelling aangaat met de inlenende onderneming, materieel als een arbeidsovereenkomst moet worden beschouwd, doordat betrokkene
gedurende een bepaalde tijd voor de inlenende onderneming en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een beloning ontvangt.
Duitslandgeïmplementeerd in art. 9, leden 3 en 4 van de ‘Arbeitnehmerüberlassungsgesetz’ (AÜG). Het belemmeringsverbod beperkt zich daar tot uitzendkrachten die een arbeidsovereenkomst aangaan met de inlenende onderneming. Het verbod van art. 9 AÜG zou zich derhalve beperken tot uitzendkrachten die een arbeidsovereenkomst aangaan. [44] In
Belgiëis de Uitzendrichtlijn geïmplementeerd bij wet van 9 juli 2012, Stb. 2012, 2159
.Deze wet was een aanvulling op een wet van 24 juli 1987 (Wet betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers). Laatstgenoemde wet bevatte in art. 16 al Pro een ruim geformuleerd belemmeringsverbod, dat niet is gewijzigd met de implementatie van de Uitzendrichtlijn:
Frankrijkgeïmplementeerd in art. L1251-44 Code du travail (“
Toute clause tendant à interdire l'embauche par l'entreprise utilisatrice du salarié temporaire à l'issue de sa mission est réputée non écrite”). Met het woord ‘embauche’ lijkt ook hier het verbod zich te beperken tot belemmeringen aan de indienstneming van de uitzendkracht. [46]
5.Omzetting Uitzendrichtlijn in Waadi
1 Degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt legt geen belemmeringen in de weg voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst na afloop van de terbeschikkingstelling tussen de ter beschikking gestelde arbeidskracht en degene aan wie hij ter beschikking is gesteld.
Albron-zaak (HR 5 april 2013) was aan de orde welke betekenis moest worden toegekend aan de omstandigheid dat de wetgever bij de omzetting van de richtlijnen 77/187/EEG en 98/50/EG in (de voorloper van) art. 7:663 BW Pro (behoud van rechten werknemer bij overgang onderneming) ervan had afgezien om naast het begrip ‘arbeidsovereenkomst’ ook het in de richtlijn gebruikte begrip ‘arbeidsverhouding’ over te nemen. [49] Uit de MvT bij de omzettingswet bleek dat de toevoeging van het begrip ‘arbeidsverhouding’ overbodig werd geacht, omdat de uitzendovereenkomst naar Nederlands recht – anders dan in sommige andere lidstaten – een arbeidsovereenkomst is. De Hoge Raad leidde daaruit af dat uit de wetsgeschiedenis niet bleek dat de Nederlandse wetgever iets anders voor ogen had gestaan dan de wens de richtlijnen getrouw om te zetten in het nationale recht. Daarom kan niet gezegd worden dat art. 7:663 BW Pro vereist dat de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft met de onderneming die overgaat (rov. 3.6.8). De omstandigheid dat de werknemer ten tijde van de overgang van de onderneming waarvoor hij werkzaam was niet bij die onderneming in dienst was maar bij een zustermaatschappij, stond dan ook niet in de weg aan toepasselijkheid van art. 7:663 BW Pro. [50]
Het tweede lid bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen zodat bepalingen die het sluiten van een arbeidsovereenkomst of het tot stand komen van een arbeidsverhouding tussen de inlenende onderneming en de uitzendkracht na afloop van zijn uitzendopdracht verbieden of verhinderen, nietig zijn of nietig kunnen worden verklaard. Dit laat onverlet dat uitzendbureaus een redelijke vergoeding kunnen ontvangen voor aan de inlenende onderneming verleende diensten in verband met de terbeschikkingstelling, werving en opleiding van uitzendkrachten. Volgens het derde lid mogen uitzendbureaus de werknemers geen honoraria rekenen voor opdrachten in een inlenende onderneming of het aangaan van een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met de inlenende onderneming na hun uitzendopdracht in de inlenende onderneming.
Tot 1 juli 1998 was het belemmeringsverbod wettelijk geregeld. Het belemmeringsverbod is met de komst van de Waadi komen te vervallen vanwege de bescherming op grond van het algemene overeenkomstenrecht tegen onredelijk bezwarende bedingen die door de rechter vernietigd kunnen worden. Zoals hierboven reeds is aangegeven, schrijft de richtlijn echter een verbod voor van elk beding dat de indiensttreding bij een inlener belemmert (m.u.v. een beding op grond waarvan een inlener een redelijke vergoeding verschuldigd is aan de uitlener voor werving, terbeschikkingstelling of opleiding). Daarom acht de regering het noodzakelijk het belemmeringsverbod wettelijk te regelen. De regering ziet geen nadelen. Het verschaft de uitzendkracht en de uitzendwerkgever juist duidelijkheid over welke bedingen wel en niet zijn toegestaan.” [55]
Uitzendkrachten mogen geen belemmeringen in de weg gelegd zien als het gaat om het in dienst treden bij een inlener. Als een uitzendbureau iemand bij een inlener neerzet en als de inlener de uitzendkracht op een gegeven moment in dienst wil nemen, dan mag dat gewoon. Het uitzendbureau mag dat niet in de weg staan. Er is daarop één uitzondering: er moet wel een redelijke vergoeding zijn voor de diensten die het uitzendbureau heeft verricht. Anders zou iemand tegen een uitzendbureau kunnen zeggen: ik heb iemand nodig, wil je iemand voor me zoeken, dat lukt, waarna die persoon rechtstreeks in dienst wordt genomen, waarmee dat bedrijf van dat uitzendbureau af is, wat lekker goedkoop is. Dat mag dus niet: in zo’n geval moet je wel een redelijke vergoeding geven voor de diensten van het uitzendbureau. Dat is de enige beperking die er is. Voor het overige mag aan het in dienst treden van uitzendkrachten bij de inlener geen beperking worden opgelegd.” [58]
De richtlijn verbiedt elk beding dat de indiensttreding bij de inlener belemmert. Alleen het belemmeringsverbod dat opgenomen wordt in de Waadi is datgene wat wij op grond van de richtlijn moeten doen. Dat doen wij dus ook. Er is op geen enkele wijze sprake van een nationale kop op de richtlijn. Van de heer Azmani heb ik goed begrepen dat hij ook ziet dat de enige uitzondering die wij erop maken, een uitzondering is die ons is aangereikt vanuit de richtlijn. De conclusie die hij trok dat er geen nationale kop is, is ook juist. (…)” [60]
vaste baanbij de inlener te geven als de werknemers in die onderneming. [62]
5.7 In de parlementaire stukken wordt op diverse plaatsen gerefereerd aan een eerder belemmeringsverbod dat tot 1 juli 1998 wettelijk zou zijn geregeld en waarvan het bestaan nadien in de rechtspraak zou zijn aangenomen. Om een beter inzicht te verkrijgen in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 9a Waadi, zal ik nog kort ingaan op dit oude belemmeringsverbod. [63]
6. Belemmeringsverbod vóór inwerkingtreding art. 9a Waadi
aan de ter beschikking gestelde arbeidskrachten belemmeringen in de weg te leggen om met derden een arbeidsverhouding aan te gaan.” Met dit ruim geformuleerde verbod beoogde de wetgever te waarborgen dat de uitlener op geen enkele wijze beperkingen zou stellen aan de vrije arbeidskeuze van de gedetacheerde of uitgezonden werknemer. [66] De Arbeidsvoorzieningswet 1990 is met ingang van 1 januari 1997 ingetrokken en vervangen door de Arbeidsvoorzieningswet 1996. [67] De bepalingen met betrekking tot de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, waaronder het belemmeringsverbod in art. 93 lid 1 aanhef Pro en onder a, zijn daarbij echter gehandhaafd. [68] Uit de spaarzame (lagere) jurisprudentie uit die periode volgt dan ook dat door de uitlener geen rechten konden worden ontleend aan een met een gedetacheerde of uitgezonden werknemer overeengekomen concurrentiebeding, omdat een dergelijk beding in strijd werd geacht met het belemmeringsverbod, dat bovendien van openbare orde werd geacht. [69] Ook een zogenoemde “indirecte belemmeringsclausule” in de overeenkomst tussen de uitlener en de inlener, op grond waarvan het de inlener gedurende een bepaalde periode na afloop van de terbeschikkingstelling verboden was de gedetacheerde of uitgezonden werknemer in dienst te nemen, werd nietig geacht wegens strijd met het belemmeringsverbod. [70] Deze had immers feitelijk tot gevolg dat de gedetacheerde of uitgezonden werknemer werd belemmerd in zijn vrijheid een arbeidsverhouding aan te gaan met een derde. Onder het regime van de Arbeidsvoorzieningswet gold derhalve zowel een direct als een indirect belemmeringsverbod.
arbeidsverhouding’. In de wetsgeschiedenis van de Arbeidsvoorzieningswet 1990 heb ik hierop geen toelichting kunnen vinden. [71] Ook de handboeken uit die tijd bieden geen aanknopingspunten voor de uitleg van het hiermee bedoelde belemmeringsverbod. [72] Ik heb dan ook niet kunnen vaststellen of het oude belemmeringsverbod door het gebruik van het begrip ‘
arbeidsverhouding’ ook betrekking had op andere arbeidsrelaties dan een arbeidsovereenkomst met de inlenende onderneming.
De huidige regeling kent voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in artikel 93 van Pro de Arbeidsvoorzieningswet en voor arbeidsbemiddeling in artikel 3 van Pro de CBA-Regeling bepalingen die het de vergunninghouder verbieden aan een arbeidskracht resp. werkzoekende belemmeringen in de weg te leggen terzake van het al dan niet aangaan van een arbeidsovereenkomst. Het is niet noodzakelijk geacht een dergelijke bepaling in dit wetsvoorstel op te nemen, omdat een dergelijk beding in de overeenkomst tot arbeidsbemiddeling of in de overeenkomst tussen de ter beschikking stellende (de uitzendbureaus) en de ter beschikking gestelde op grond van het overeenkomstenrecht kan worden aangevochten. Daarnaast gelden voor de arbeidsverhouding tussen het uitzendbureau en de uitzendkracht collectieve arbeidsovereenkomsten. In artikel 13 van Pro de ABU-cao is een bepaling opgenomen die het uitzendbureaus verbiedt om uitzendkrachten te belemmeren in hun mobiliteit. Ook in deze collectieve overeenkomst wordt daarmee duidelijk gemaakt dat een dergelijk beding niet is toegestaan.” [77]
in verband met het reeds bestaande en wettelijk geregelde recht op vrije arbeidskeuze.” [84]
[...]/LAN-Alysteen einde gemaakt aan de onduidelijkheid. In die zaak ging het om een werknemer die voor een detacheringsbureau automatiseringswerkzaamheden verrichtte bij klanten (opdrachtgevers) van het bureau. Op een gegeven moment trad de werknemer in dienst bij een opdrachtgeefster, waarop het detacheringsbureau zich beriep op de in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en boetebedingen. De werknemer beriep zich vervolgens op het belemmeringsverbod en stelde dat het concurrentiebeding onder de Waadi niet was toegestaan. De Hoge Raad overwoog het volgende:
Uit de wetsgeschiedenis van de WAADI (...) kan (…) niet worden afgeleid dat een concurrentiebeding in het algemeen ontoelaatbaar is. Zoals in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer is uiteengezet, moet de bescherming van de werknemer gezocht worden in het algemene overeenkomstenrecht op grond waarvan onredelijk bezwarende bedingen ‘vernietigd kunnen worden’. Voorts wordt in die memorie opgemerkt dat een beding ter beperking van de vrije arbeidskeuze ‘voor vernietiging in aanmerking kan komen’. De Rechtbank heeft derhalve terecht onderzocht of het beding op de voet van art. 7:653 lid 2 BW Pro (gedeeltelijk) moet worden vernietigd.” [85]
[...]/LAN-Alyst)over het hoofd lijkt te hebben gezien. [87] Met de opmerking in de MvT dat hoewel het belemmeringsverbod thans (bedoeld is: in de Waadi 1998) niet meer wettelijk geregeld is, in de rechtspraak wordt aangenomen dat het verbod nog wel bestaat (hiervoor geciteerd onder 5.3), wordt immers miskend dat dit in ieder geval na 2003 niet langer het geval was.
na afloop van de terbeschikkingstelling”, terwijl het belemmeringsverbod in de Arbeidsvoorzieningswet tevens de situatie omvatte dat de ter beschikking gestelde arbeidskracht “
tijdens de terbeschikkingstelling” bij de inlener in dienst wilde treden. Verder ziet het belemmeringsverbod in de Waadi uitsluitend op indiensttreding bij degene aan wie de arbeidskracht ter beschikking is gesteld (de inlener), terwijl op grond van de Arbeidsvoorzieningswet het belemmeren van het aangaan van een arbeidsverhouding met “
derden” was verboden. Een concurrentiebeding om bij anderen dan de inlener in dienst te treden wordt dus niet getroffen door het belemmeringsverbod van de Waadi. [89]
7.Reikwijdte belemmeringsverbod Waadi
de toegang tot vast werk” te vergemakkelijken en voorts dat de ter beschikking gestelde werknemer niet op hindernissen zou mogen stuiten “
wanneer hem de mogelijkheid wordt geboden om na afloop van zijn opdracht met de inlenende onderneming een overeenkomst voor onbepaalde tijd te sluiten” (zie hiervoor onder 4.9). Indien de werknemer reeds op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam is voor de uitlener, valt hij buiten de reikwijdte van de Uitzendrichtlijn, omdat hij al over ‘vast werk’ beschikt en behoeft hij dus niet te worden beschermd, zo luidt de redenering. [90]
nietzou gelden voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ook uit het doel en de systematiek van de Uitzendrichtlijn kan dit niet worden afgeleid. Noch in de preambule noch in de Uitzendrichtlijn zelf wordt onderscheid gemaakt tussen uitzendkrachten die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben met het uitzendbureau en uitzendkrachten met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De enige uitzondering is dat ten aanzien van uitzendkrachten met een overeenkomst voor onbepaalde tijd, gelet op de specifieke bescherming die de aard van hun arbeidsverhouding biedt, onder omstandigheden mag worden afgeweken van de regels die in de inlenende onderneming gelden (ten aanzien van de bezoldiging). [91] Afgezien van de hiervoor genoemde opmerkingen van de Commissie in haar richtlijnvoorstel dat met het belemmeringsverbod beoogd is de toegang van uitzendkrachten tot ‘vast werk’ te verbeteren, zijn in de totstandkomingsgeschiedenis van de richtlijn verder geen aanwijzingen te vinden voor een beperking van de reikwijdte van het belemmeringsverbod tot uitzendkrachten die een tijdelijke arbeidsovereenkomst hebben met het uitzendbureau. De parlementaire geschiedenis en de tekst van de Waadi bevatten evenmin aanwijzingen voor een dergelijke uitleg. Een richtlijnconforme interpretatie van art. 9a Waadi brengt naar mijn mening dan ook mee dat het belemmeringsverbod óók van toepassing is op ter beschikking gestelde werknemers die reeds een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben met de werkgever die hen ter beschikking heeft gesteld. [92]
een arbeidsovereenkomst of het tot stand komen van een arbeidsverhouding” (Uitzendrichtlijn) of “
een arbeidsovereenkomst” (Waadi), waarbij de term ‘onbepaalde tijd’ of ‘vast werk’ niet wordt genoemd. [95] Ook de kop van art. 6 “toegang tot werk” in plaats van het destijds door de Commissie voorgestelde “toegang tot vast en goed werk” wijst erop dat het belemmeringsverbod een ruimere strekking heeft en ook het aangaan van een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voor bepaalde tijd omvat. De tekst van art. 9a Waadi en de parlementaire geschiedenis bevatten evenmin aanwijzingen voor een dergelijke beperkte uitleg van het belemmeringsverbod.
vast werk’moet worden vergemakkelijkt en dat de uitzendkracht niet op hindernissen mag stuiten wanneer hem de mogelijkheid wordt geboden om na afloop van zijn terbeschikkingstelling met de inlener een arbeidsovereenkomst ‘
voor onbepaalde tijd’ te sluiten, acht ik dan ook onvoldoende overtuigend om de toepasselijkheid van het belemmeringsverbod in art. 6 lid 2 te Pro beperken tot werknemers die na afloop van hun terbeschikkingstelling voor onbepaalde tijd bij de inlener in dienst (kunnen) treden.
het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het onder diens toezicht en leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, verrichten van arbeid”) is namelijk ruimer dan de definitie van de uitzendovereenkomst in artikel 7:690 BW Pro. [97] Daarmee vallen ook andere vormen van uitzendwerk dan die krachtens uitzendovereenkomst onder de Waadi. Dit brengt mee dat ook het belemmeringsverbod van toepassing kan zijn op personen die anders dan op basis van een uitzendovereenkomst arbeid verrichten voor een ander. [98]
Ruhrlandkliniklijkt de visie van Zwemmer mij juist. [99] Uit die uitspraak blijkt immers dat voor toepasselijkheid van de Uitzendrichtlijn niet vereist is dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen uitzendbureau en uitzendkracht. Het gaat erom of betrokkene is aan te merken als ‘
werknemer’ in de zin van de richtlijn, dat wil zeggen of betrokkene “
gedurende een bepaalde tijd voor een andere persoon en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een beloning ontvangt”.
opdrachtovereenkomstonder het bereik van art. 9a Waadi valt. Hiermee wordt volgens haar meer recht gedaan aan de achtergrond en bedoeling van het belemmeringsverbod. De uitzendkracht wordt beter beschermd, zonder dat de positie van de uitzender daardoor sterk wijzigt c.q. verslechtert.
Verder verwijst Bevers naar de hiervoor al besproken ruimere tekst van art. 6 lid 2 Uitzendrichtlijn Pro (zie onder 3.6 en 4.8) en naar het uitgangspunt van de Europese Commissie, dat de positie van de uitzendkracht verbetering behoeft en dat álle bepalingen die ‘de aanwerving’ van een uitzendkracht verbieden of verhinderen daarom nietig zijn (zie onder 4.9). Met dit uitgangspunt strookt naar haar mening niet dat de ‘de aanwerving’ van een uitzendkracht wél kan worden belet door de rechtsvorm voor te schrijven waarin de uitzendkracht werkzaam dient te zijn. Naar mijn mening gaat het echter niet zozeer om de vraag of een rechtsvorm zou zijn voorgeschreven, maar om de vraag of het gaan verrichten van werkzaamheden als zzp’er voor de inlenende onderneming onder de reikwijdte van de Uitzendrichtlijn kan vallen (zie onder 3.6 en 4.14).
Verder stelt Bevers dat volgens de Nederlandse wetgever het belemmeringsverbod waarborgt “
dat de uitlener op geen enkele wijze beperkingen zal stellen aan de vrije keuze van arbeid van de ter beschikking gestelde arbeidskracht om bij de inlener in dienst te treden”. [102] Als ‘in dienst treden’ louter zou worden opgevat als ‘in loondienst treden’, zou dat wel degelijk een beperking van de vrije arbeidskeuze van de uitzendkracht betekenen, aldus Bevers. Ook de waarde van dit argument acht ik beperkt, omdat, zoals besproken onder 5.1-5.6, de Nederlandse wetgever het belemmeringsverbod duidelijk in relatie heeft gezien met het aangaan van een arbeidsovereenkomst door de uitzendkracht, zodat ook de opmerking over het ‘
geen beperkingen stellen aan de vrije keuze van arbeid’ in dat verband moet worden gelezen.
RARwordt dit aspect van de zaak belicht. De scheidslijn tussen werken als zelfstandige en werknemer kan soms dun zijn en de vraag is dan ook of het door het hof gemaakte scherpe onderscheid gerechtvaardigd is, zo wordt opgemerkt. Temeer nu de in de Waadi bedoelde ‘arbeidskracht’ geen werknemer hoeft te zijn van degene die hem ter beschikking stelt aan een ander (vergelijk onder 7.5), zou het na afloop van een terbeschikkingstelling door de betrokkene zelf aangaan van een opdrachtovereenkomst met een van die opdrachtgevers, op één lijn kunnen worden gesteld met het verkrijgen van ‘vast werk’. [103]
afhankelijke zzp’er’, die economisch afhankelijk is van één opdrachtgever en materieel niet van een werknemer is te onderscheiden, zou meer arbeidsrechtelijke bescherming op zijn plaats zijn. [104] Zoals bekend heeft de Hoge Raad inmiddels beslist dat de aansprakelijkheid van de werkgever voor schade die een werknemer of een persoon die arbeid voor hem verricht maar met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft (art. 7:658 BW Pro), zich onder omstandigheden ook kan uitstrekken tot een zzp’er. [105] In veel andere opzichten blijft de juridische bescherming van de zzp’er echter sterk achter bij die van de werknemer. Volgens sommigen betekent dit in feite dat het werknemersbegrip verouderd is en toe is aan herziening. [106] De beperkte bescherming van de zzp’er ten opzichte van de werknemer is met name klemmend nu er volgens het CBS inmiddels ruim een miljoen mensen werkzaam is als zzp’er. [107] Hierbij is verder nog op te merken dat de uitzendovereenkomst weliswaar een arbeidsovereenkomst is, maar een uitzendkracht zeker niet de volledige bescherming van het arbeidsrecht geniet. [108] Het aangaan van een overeenkomst van opdracht door de uitzendkracht met de voormalige inlener
kandan ook een verbetering zijn.
Tegen deze achtergrond ligt het temeer in de rede om – in aansluiting op het Unierecht – de bescherming die art. 9a Waadi biedt aan de uitzendkracht, niet per definitie te beperken tot degene die op basis van een arbeidsovereenkomst een arbeidsrelatie aangaat met de inlenende onderneming. Onder omstandigheden komt die bescherming ook toe aan de zzp’er.
afhankelijke zzp’er’ moet worden aangemerkt, maar om de vraag of hij ten aanzien van zijn werkzaamheden voor [betrokkene 2] en de Huisartsenpraktijk aanspraak kan maken op de bescherming van art. 9a Waadi.
zijn voormalige inlenerverricht. Zodra de zzp’er (ook) voor andere opdrachtgevers van zijn ex-werkgever aan de slag gaat, overtreedt hij het eventueel overeengekomen concurrentie- en/of relatiebeding.
8.Concurrentiebeding
in dienst tredenvan de uitzendkracht bij de voormalige inlener. De ABU-CAO bevat geen artikelen over het concurrentiebeding.
contra legemvan het nationale recht. [130] Voorts kan richtlijnconforme interpretatie afstuiten op de grenzen van de rechtsvormende taak van de betrokken nationale rechter en mag richtlijnconforme interpretatie niet leiden tot een verkapte horizontale directe werking van de richtlijn. [131]
Pfeifferoverwogen, dat wanneer het nationale recht het door de toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden in bepaalde omstandigheden mogelijk maakt om een bepaling van de nationale rechtsorde aldus uit te leggen dat een conflict met een andere bepaling van nationale recht wordt vermeden of om met dit doel de strekking van die bepaling te beperken door haar slechts toe te passen voor zover zij met die andere bepaling verenigbaar is, de rechter verplicht is dezelfde methoden te gebruiken om het door de richtlijn beoogde resultaat te bereiken. [133] Over de exacte reikwijdte van deze overweging bestaat discussie. [134] Volgens Wissink is in ieder geval duidelijk dat de nationale rechter erop wordt gewezen dat hij in het kader van zijn verplichting tot richtlijnconforme interpretatie gebruik moet maken van de technieken die hij volgens zijn nationale recht ter beschikking heeft om een (soms vergaande) interpretatie te geven aan een wetsbepaling of samenstel daarvan. [135] Een tweede belangrijke aanwijzing van het HvJ EU gaat over de verhouding tussen rechter en wetgever. Volgens het HvJ EU moet de nationale rechter met name bij de toepassing van een speciaal ter uitvoering van een richtlijn vastgestelde nationale regeling, deze zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn uitleggen. Het HvJ EU heeft in aansluiting hierop overwogen: [136]
Stichting De Thuiskopie), onder verwijzing naar de rechtspraak van het HvJ EU overwogen: [139]
Dit is slechts anders indien in zulke toelichtingen of uitlatingen ondubbelzinnig uitdrukking is gegeven aan de welbewuste bedoeling om de nationale regeling te doen afwijken van hetgeen waartoe de richtlijn zou verplichten of de vrijheid zou laten.” [140] Deze nuance leest Widdershoven ook in het arrest van 21 september 2012, daaraan toevoegend:
Albron/FNV en [...]): [143]
10.Conclusies
aangaan van een arbeidsverhouding’ moet worden verstaan. Uit die totstandkomingsgeschiedenis lijkt te volgen dat met name beoogd is de overstap naar ‘
vast werk’ niet te bemoeilijken of te belemmeren, maar dit doel is niet in de tekst van de richtlijn terug te vinden. Ook de preambule van de richtlijn rept hier niet over. Naar mijn mening moet dan ook niet teveel betekenis worden gehecht aan de omstandigheid of de uitzendkracht bij de inlenende onderneming al dan niet ‘vast werk’ krijgt, nog los van het feit dat het onderscheidend vermogen van het verkrijgen van ‘vast werk’ niet groot is (ook een overeenkomst van opdracht kan ‘vast werk’ opleveren).
Ruhrlandklinik-uitspraak van het HvJ EU van 17 november 2016 blijkt dat de Uitzendrichtlijn ook bescherming biedt aan degene die een arbeidsverhouding heeft met het uitzendbureau die formeel gezien niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, maar daarvan niet wezenlijk verschilt. Uit de overwegingen van het Hof blijkt dat deze benadering is ingegeven door de met de richtlijn beoogde bescherming van uitzendkrachten en het beginsel van gelijke behandeling. Deze uitspraak biedt veel steun voor de gedachte dat ditzelfde dan óók geldt voor de reikwijdte van het belemmeringsverbod van art. 6 lid 2 van Pro de richtlijn, zeker nu in de tekst van die bepaling uitdrukkelijk is toegevoegd ‘
of het tot stand komen van een arbeidsverhouding’. Dat impliceert dat beoogd is ook een arbeidsverhouding die materieel gezien niet verschilt van die van een werknemer, onder het bereik van het belemmeringsverbod te brengen. Uit de
Ruhrlandklinik-uitspraak volgt verder, in aansluiting op eerdere rechtspraak van het HvJ EU, dat het aan de nationale rechter is om in het concrete geval te beoordelen of sprake is van een dergelijke arbeidsverhouding. Daartoe moet worden nagegaan of betrokkene voldoet aan het criterium dat hij “
gedurende een bepaalde tijd voor een andere persoon en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een beloning ontvangt”.
Synthon/Astellas. [146] De rechter is daartoe echter niet verplicht. Dat brengt mee dat ook de in de literatuur verdedigde motiveringsplicht om géén vragen te stellen, in kort geding niet geldt. [147]
Ruhrlandklinikis het naar mijn mening dan ook niet nodig om vragen van uitleg te stellen.
11.Bespreking onderdeel 1 van het cassatiemiddel
Bovendien moet worden uitgegaan van het voorlopig oordeel van het hof in rov. 6.2, dat [eiser] zijn werkzaamheden voor de Huisartsenpraktijk verricht onder toezicht en leiding van een derde, de Huisartsenpraktijk. Daarmee staat voorshands vast dat [eiser] voor deze werkzaamheden onder de werking van de Waadi (en de Uitzendrichtlijn) valt.
gedurende een bepaalde tijd voor een andere persoon en onder diens leiding(van de Huisartsenpraktijk en/of [betrokkene 2])
prestaties levert en in ruil daarvoor een beloning ontvangt”, is sprake van een arbeidsverhouding die materieel gelijk te stellen is met een werknemersrelatie. Een richtlijnconforme interpretatie van art. 9a Waadi brengt mee dat ook een dergelijke arbeidsrelatie onder het belemmeringsverbod valt.
voortzetten. Voor zijn werkzaamheden voor [betrokkene 2] blijkt dit minder duidelijk uit het hofarrest.
12.Bespreking onderdeel 2 van het cassatiemiddel
In hoger beroep heeft [eiser] aangevoerd dat de straal van 50 kilometer vanaf de vestigingsplaats van FOH in Almere veel groter is dan het behandelingsgebied waarin FOH opereert. Volgens [eiser] heeft FOH geen belang bij een groter verbodsgebied dan met een straal van 20 kilometer wordt bereikt terwijl hijzelf ernstig wordt getroffen bij handhaving, omdat binnen de geestelijke gezondheidszorg kennis van het netwerk/het verwijscircuit essentieel is.”
Voor wat de niet BIG-registreerde activiteiten van advies, training en coaching op het gebied van personeel en autisme betreft, ziet het hof niet in dat de belangen van [eiser] tot verkleinen van de verboden zone zwaarder wegen dan de belangen van FOH bij handhaving daarvan.”
Eigenwijsherstelwerkzaamheden te gaan verrichten voor Het Spectrum in Amersfoort (dat zich bezig houdt met WMO-activiteiten in verschillende gemeentes in en rond Amersfoort), bestaande uit het coachen en begeleiden van het personeel van Het Spectrum. [157] Voorts heeft hij gesteld dat deze activiteiten geen enkele gelijkenis hebben met die van FOH, omdat FOH haar WMO-activiteiten uitsluitend verricht in Almere, omdat zij alleen in die gemeente een vergunning heeft. [158]
Zeker nu een concurrentiebeding inbreuk maakt op de vrije arbeidskeuze van een werknemer en de houdbaarheid van het beroep op het beding geheel afhankelijk is van een door de rechter te maken belangenafweging (zie onder 8.1), is het van wezenlijk belang dat de rechter zoveel mogelijk alle belangen die in dit verband door zowel werkgever als werknemer worden aangevoerd, expliciet bespreekt en meeweegt.
De omstandigheid dat relaties zelf al afscheid hadden genomen van [eiser] is niet los te zien van de verwijten die [eiser] aan de directie van FOH maakte (kort gezegd: financiële malversaties met WMO- en pgb-gelden). [eiser] heeft deze verwijten ook publiek gemaakt, waardoor kennelijk opdrachtgevers geen gebruik meer hebben willen maken van de diensten van FOH. [160] Nu het hof heeft willen wegblijven van de vraag of de verwijten van [eiser] aan FOH terecht waren, is ook niet vastgesteld of inderdaad sprake was van het ‘eigener beweging’ afscheid nemen van relaties van FOH, of dat die relaties door het handelen van [eiser] geen gebruik meer hebben gemaakt van de diensten van FOH, zoals FOH stelde. [161] Daarin ligt besloten dat de door [eiser] gestelde omstandigheid geen gewicht in de schaal kan leggen bij de belangenafweging.