Conclusie
Feiten
management feebedongen van € 10.000,- per maand.
2.Procesverloop
verwijt (a)(hiervoor 2.2) heeft de rechtbank overwogen als volgt. De omstandigheid dat [eiser] geen doorslaggevende zeggenschap verkreeg, is onvoldoende om een beroepsfout aan te nemen zolang niet is komen vast te staan dat een dergelijke doorslaggevende zeggenschap wel kon worden verkregen, maar niet is gerealiseerd als uitvloeisel van door [verweerder 2] gegeven adviezen. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om dit te kunnen vaststellen.
verwijt (b)heeft de rechtbank overwogen dat [eiser] onvoldoende heeft toegelicht dat de door hem, in samenspraak met diverse adviseurs, onder wie [verweerder 2] , ondernomen acties met als doel [betrokkene 2] uit te kopen en zelf de gehele controle over [B] te verwerven geen adequate reactie vormden op de impasse en staking van de bloemenleveranties in juli 2009 en dat [verweerder 2] hem daarvan had behoren te weerhouden. Volgens de rechtbank is evenmin toegelicht dat het [verweerder 2] , aanstonds, in 2009, of gaandeweg in 2010 duidelijk had moeten zijn dat [eiser] [7] de daarvoor benodigde financiering niet kon verkrijgen en dat [verweerder 2] [eiser] op deze grond anders had moeten adviseren. Volgens de rechtbank staat namelijk vast dat in die periode gesprekken met meerdere potentiële financiers zijn gevoerd (onder wie een als [betrokkene 5] aangeduide persoon, [betrokkene 6] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] ) en dat deze financiers zijn aangedragen door [betrokkene 1] die door [eiser] als adviseur is aangesteld. [eiser] heeft volgens de rechtbank al met al onvoldoende geconcretiseerd dat [verweerder 2] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden in 2009 en 2010 zijn zorgplicht heeft geschonden.
verwijt (c1)heeft de rechtbank overwogen dat [eiser] zelf [betrokkene 1] bij de financiering van de transactie met [betrokkene 2] heeft betrokken en dat [eiser] [betrokkene 1] voorts per 1 januari 2010 als vaste adviseur van [A] heeft aangesteld. Naar het oordeel van de rechtbank mag het zo zijn dat [verweerder 2] er wijs aan had gedaan meer afstand van [betrokkene 1] te nemen, maar kan [eiser] onder deze omstandigheden niet aan [verweerder 2] verwijten dat hij hem niet voor [betrokkene 1] heeft gewaarschuwd. De tuchtrechtelijke veroordeling op dit punt betekent (dus) niet dat [verweerder 2] civielrechtelijk aansprakelijk is.
verwijt (c2)heeft de rechtbank vastgesteld dat de aanbetaling van € 240.000,- is opgenomen in de Letter of Offer waarin de uitkomst van de onderhandelingen met [betrokkene 2] over de voorgenomen transactie is vastgelegd. Volgens de rechtbank is niet in geschil dat [betrokkene 2] deze aanbetaling als voorwaarde stelde voor het hervatten van de bloemenleveranties en dat het hervatten van de leveranties noodzakelijk was voor het voortbestaan van [A] . Naar de vaststelling van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij over de aanbetaling is geadviseerd door zijn advocaat mr. Reijnen. Tegen deze achtergrond komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] niet heeft aangetoond dat [verweerder 2] op het punt van de aanbetaling (verwijtbaar) een zorgplicht jegens hem heeft geschonden.
verwijt (a)beoordeeld (hiervoor 2.11). Het hof heeft zich op dit punt aangesloten bij het oordeel van de rechtbank. Het hof heeft daaraan nog toegevoegd dat [eiser] zelf stelt dat sprake was van een 50/50-samenwerking en dat daarom niet valt in te zien dat [eiser] , ook al zou [verweerder 2] een daartoe strekkend advies hebben gegeven, in een positie was om aanspraak te maken op meer dan 50% van de gewone aandelen en dus op ‘doorslaggevende zeggenschap’. Het hof overweegt daartoe als volgt:
verwijt (b). Het hof heeft dienaangaande vastgesteld dat [eiser] bij het pleidooi in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard dat het conflict met [B] in 2009 en de staking van de bloemenleveranties dermate ernstig waren dat er iets moest gebeuren, dat een faillissement alleen als rampscenario is besproken, dat het advies van [verweerder 2] om de aandelen van [betrokkene 2] in [B] over te nemen naar de mening van [eiser] dan ook juist was en dat er bovendien gesprekken waren met [betrokkene 9] als serieuze investeerder. Het hof is op die gronden tot het oordeel gekomen dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat [verweerder 2] in 2009 niet heeft kunnen adviseren tot overname van de aandelen in [B] . Het hof overweegt daartoe als volgt:
verwijt (c). [9] Het hof heeft geoordeeld dat de beslissing van de Accountantskamer dat [verweerder 2] zich ten aanzien van [betrokkene 1] onvoldoende kritisch heeft opgesteld niet meebrengt dat de door [eiser] geleden schade in redelijkheid aan deze – veronderstellenderwijs aangenomen – onvoldoende kritische houding moet worden toegerekend. Daartoe heeft het hof overwogen dat geen van de betrokken adviseurs enige argwaan jegens [betrokkene 1] heeft gehad en dat [verweerder 2] geen bijzondere deskundigheid had op het gebied van de beoordeling van potentiële financiers, zodat niet valt in te zien dat van hem als redelijk bekwaam en redelijk handelend registeraccountant anders had mogen worden verwacht:
escrowgestort en [eiser] zou bij die stand van zaken de aanbetaling terug ontvangen als de deal met [betrokkene 2] geen doorgang zou vinden. [eiser] is op de hoogte gebracht van de voorgestelde wijziging van een
escrownaar een aanbetaling in een telefoongesprek tussen hem en [betrokkene 1] dat gedeeltelijk is bijgewoond door mr. Reijnen. [eiser] heeft met die wijziging ingestemd, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat de financiering rond was. Die aanname was gebaseerd op een mededeling van [betrokkene 1] . [verweerder 2] heeft, ook in een later verslag, niet de indruk gewekt dat de financiering rond was. De derde grief treft volgens het hof daarom geen doel:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdelen 2.1, 2.2 en 2.3vallen op hun beurt weer uiteen in respectievelijk 11, 7 en 3 sub-subonderdelen, die elk één of meerdere klachten bevatten (hierna 3.3 e.v.).
Subonderdeel 2.4bevat een restklacht.
subonderdeel 2.1zich tegen de wijze waarop het hof grief 2 heeft beoordeeld. De volgende klachten kunnen worden onderscheiden:
sub-subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2);
sub-subonderdeel 2.1.3);
sub-subonderdeel 2.1.4);
sub-subonderdelen 2.1.5, 2.1.7, 2.1.8 en 2.1.9);
sub-subonderdeel 2.1.6);
sub-subonderdeel 2.1.9);
sub-subonderdeel 2.1.10);
sub-subonderdeel 2.1.11).
subonderdeel 2.2rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Deze algemene klacht wordt nader uitgewerkt in de volgende klachten:
sub-subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2);
sub-subonderdeel 2.2.3).
sub-subonderdeel 2.2.3en
sub-subonderdeel 2.1.7);
sub-subonderdeel 2.2.3);
sub-subonderdeel 2.2.4);
sub-subonderdeel 2.2.5);
sub-subonderdeel 2.2.6);
sub-subonderdeel 2.2.7).
(sub-subonderdeel 2.3.1);
sub-subonderdeel 2.3.2);
sub-subonderdeel 2.3.3).
subonderdelen2.1-2.3 ook rov. 16, 17 en het dictum vitieert.
sub-subonderdelen 2.1.1-2.1.4);
sub-subonderdelen 2.1.5, 2.1.7, 2.1.8 en 2.1.9);
verwijt (a)met betrekking tot de inrichting van [B] (
sub-subonderdeel 2.1.6);
verwijt (b)met betrekking tot het advies tot overname van de aandelen van [betrokkene 2] (
sub-subonderdeel 2.1.10);
verwijt (c2)’) (
subonderdeel 2.3en
sub-subonderdeel 2.1.11);
verwijt (c1)inhoudende dat [verweerder 2] onvoldoende kritisch zou zijn geweest ten aanzien van [betrokkene 1] (
sub-subonderdeel 2.1.9);
subonderdeel 2.2).
verwijt (a)), het advies om tot overname van de aandelen van [betrokkene 2] over te gaan (
verwijt (b)) en de gang van zaken rond de aanbetaling (
verwijt (c2))de toets der kritiek doorstaan. De motiveringsklachten gericht tegen het oordeel met betrekking tot de beweerdelijk onvoldoende kritische houding van [verweerder 2] ten aanzien van het handelen van [betrokkene 1] (rov. 8) (
verwijt (c1)) acht ik echter gegrond. Enkel in het kader van dit verwijt zou dan na verwijzing een nadere beoordeling van de vraag, of [verweerder 2] al dan niet onrechtmatig handelen jegens [eiser] kan worden verweten, aan de orde zijn. Tegen die achtergrond behoeven de klachten die betrekking hebben op het in verband met de andere, dus vergeefs gemaakte, verwijten gegeven oordeel van het hof aangaande het ontbreken van causaal verband (
subonderdeel 2.2) geen behandeling. Enkele daarin aangeroerde thema’s komen nog wel aan bod bij de bespreking van de klachten over rov. 8 (
verwijt (c1)).
De aard en omvang van de opdracht
sub-subonderdeel 2.1.2genoemde stellingen naar mijn mening niet aldus te begrijpen dat [verweerder 2] naar de mening van [eiser] aan hogere eisen zou moeten voldoen dan de redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot. Onder die omstandigheden behoefde het hof niet afzonderlijk de aard en omvang van de opdracht vast te stellen en behoefde het hof in dat kader evenmin in te gaan op de in
sub-subonderdeel 2.1.2genoemde stellingen.
Sub-subonderdeel 2.1.3klaagt daarnaast dat het hof heeft miskend dat [verweerders] ook uit eigen beweging op grond van art. 19 Rv Pro hadden moeten aantonen dat [verweerder 2] heeft geadviseerd en hoe dit advies luidde. Ook deze klachten treffen geen doel. Uit het arrest blijkt namelijk niet dat het hof zijn beslissing heeft gebaseerd op adviezen van [verweerder 2] waarvan [eiser] niet op de hoogte was. Het hof is bij de bespreking van de verwijten juist uitgegaan van de stellingen van [eiser] over de advisering van [verweerder 2] .
sub-subonderdelen 2.1.6-2.1.7 en 2.1.9-
2.1.10(hierna 3.17 e.v. en 3.29 e.v.).
De uitleg van de tweede grief
verwijten (a) tot en met (c) [14] kan worden gezegd dat [verweerder 2] niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en bekwaam vakgenoot. De klacht dat het hof niet het handelen van [verweerder 2] als geheel heeft beoordeeld, faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
De verwerping vanverwijt (a)over de inrichting van [B]
2.1.7klagen over de verwerping van
verwijt (a)met betrekking tot het advies over de inrichting van [B] .
Sub-subonderdeel 2.1.6betoogt dat het hof met de weergave en bespreking van dit verwijt in rov. 4 en 6 eraan voorbij zou hebben gezien dat het verwijt mede betrekking heeft hetgeen aan de aandeelhoudersovereenkomst vooraf ging: namelijk het, onder begeleiding van [verweerder 2] , verstrekken van een groot bedrag aan leningen aan [B] door [A] , waar echter geen zekerheden voor [A] tegenover stonden.
Sub-subonderdeel 2.1.7klaagt dat de beoordeling van het verwijt door het hof aldus ook onbegrijpelijk is. [eiser] verwijst in dat kader naar zijn stellingen over de gang van zaken vóór 2006.
joint venturewas, waarbij [A] zorgde voor de financiële middelen en [betrokkene 2] voor de kweek van de bloemen, dat naar de eigen stellingen van [eiser] sprake was van een 50/50 samenwerking en dat niet valt in te zien waarom [eiser] in de gelegenheid was aanspraak te maken op meer dan 50% van de aandelen (rov. 6). Het hof heeft dus in zijn beoordeling betrokken dat [A] financiering aan [B] verstrekte, maar heeft uit de eigen stellingen van [eiser] afgeleid dat hieraan een 50/50 samenwerking ten grondslag lag en dat [eiser] 50% van de aandelen in [B] heeft verworven. Het middel wijst niet op concrete stellingen waaruit volgt dat [eiser] , naast de aandelen, ook zekerheden had kunnen bedingen. Uit de in
sub-subonderdeel 2.1.7genoemde stellingen volgt evenmin dat enig advies van [verweerder 2] ertoe zou hebben geleid dat [eiser] in ruil voor de door [A] verstrekte financiering meer of anders zou (hebben kunnen of willen) bedingen dan 50% van de aandelen in [B] . Die stellingen kunnen om die reden niet tot het oordeel leiden dat [eiser] in zoverre schade heeft geleden door een fout van [verweerder 2] . De
sub-subonderdelen 2.1.6-2.1.7treffen dus geen doel.
De verwerping vanverwijt (b)over de aandelenovername
verwijt (b)ten onrechte niet is uitgegaan van hetgeen van [verweerder 2] en [verweerster 1] kon worden verwacht in het kader van de op hen rustende zorgplicht, maar doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan hetgeen [eiser] heeft verklaard.
verwijt (b)niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
subonderdeel 2.3komen op tegen de verwerping van het verwijt met betrekking tot de aanbetaling ad € 240.000,- in rov. 13-14. Het subonderdeel richt drie klachten tegen dit oordeel.
Sub-subonderdeel 2.3.1betoogt dat het hof het verwijt van [eiser] aangaande de aanbetaling ten onrechte alleen bij de beoordeling van grief 3 en niet mede bij de beoordeling van grief 2 heeft behandeld. In dat verband wijst [eiser] erop dat hij in de tweede grief heeft toegelicht dat [verweerder 2] is tekortgeschoten in zijn waarschuwingsplicht met betrekking tot de aanbetaling ten bedrage van € 240.000,-.
sub-subonderdeel 2.3.2), en dat aan die verplichting van [verweerder 2] niet kan afdoen dat [eiser] ook andere adviseurs had, onder wie zijn advocaat mr. Reijnen (
sub-subonderdeel 2.3.3). De klachten komen er in de kern op neer dat het hof heeft miskend dat [verweerder 2] indringender had moeten waarschuwen en in dat kader had moeten vaststellen of [eiser] begrepen had dat hij zijn aanbetaling kwijt zou zijn indien geen financiering werd gevonden.
escrowgestorte bedrag terug zou krijgen als de deal met [betrokkene 2] niet door zou gaan;
escrowstond naar [betrokkene 2] moest worden overgeboekt. Uit de verklaring van mr. Reijnen volgt dat deze voorgestelde wijziging met [eiser] is besproken;
escrow-rekening naar (de advocaat van) [betrokkene 2] . [eiser] erkent dat voor hem hierbij enkel van belang was dat de financiering rond was;
escrow-rekening naar de rekening van (de advocaat van) [betrokkene 2] heeft op 20 april 2010 plaatsgevonden;
escrownaar een aanbetaling en dat hij ook het verschil in het risico heeft onderkend. [eiser] heeft immers erkend dat bij de aanvaarding van die wijziging voor hem van belang was dat de financiering rond was. De stelling dat [verweerder 2] niet op het verschil in risico heeft gewezen en niet heeft onderzocht of [eiser] met het risico bekend was, kan bij die stand van zaken niet het oordeel dragen dat [verweerder 2] aansprakelijk is. [eiser] heeft met wijziging ingestemd, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat de financiering rond was. Deze (onjuiste) aanname van [eiser] berustte op (telefonische) mededelingen van [betrokkene 1] . Er is niet (vast)gesteld dat [verweerder 2] bij het betreffende (telefoon)gesprek aanwezig was. Voorts is de stand van zaken met betrekking tot de financiering naar de vaststelling van het hof in de week van 23 april 2010 in een gesprek tussen onder meer [eiser] en [verweerder 2] aan de orde geweest en was toen voor iedereen duidelijk dat de financiering niet rond was. Er is daarmee niet vast komen te staan dat [verweerder 2] betrokken was bij een gelegenheid waarbij het vertrouwen is gewekt dat de financiering rond was of ermee bekend was dat [betrokkene 1] dit vertrouwen bij [eiser] heeft gewekt. Het hof mocht de verwijten met betrekking tot de aanbetaling op die gronden verwerpen.
sub-subonderdelen 2.3.2 en 2.3.3geen doel.
subonderdeel 2.3falen.
sub-subonderdeel 2.1.11heeft betoogd dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door (twee zinnen uit) het zojuist genoemde besprekingsverslag van 23 april 2010 te citeren. Ook deze klacht is ongegrond. [verweerders] hebben in hun conclusie na comparitie de beide door het hof aangehaalde zinnen uit het besprekingsverslag geciteerd en zich daarop beroepen. [15] Daarnaast geldt dat [eiser] dit besprekingsverslag als productie heeft overgelegd (het gaat hier immers om productie 37 bij Aantekeningen comparitie van partijen aan de zijde van [eiser] ) en dat het hof om die reden zodanige gevolgtrekking aan dit stuk mocht verbinden als het juist achtte. [16] Deze klacht van
sub-subonderdeel 2.1.11faalt derhalve.
(c1). Dit verwijt komt erop neer dat [verweerder 2] onvoldoende kritisch is geweest jegens [betrokkene 1] en de door hem aangedragen financiers. Voor de bespreking van dit verwijt is van belang dat de Accountantskamer heeft geoordeeld dat aan [verweerder 2] kan worden verweten dat hij op geen enkel moment in het traject aanleiding heeft gezien vraagtekens te plaatsen bij de handelwijze van [betrokkene 1] en dat hij zich onvoldoende kritisch heeft opgesteld in de contacten met [betrokkene 1] en de door hem voorgestelde financiers (rov. 8). De Accountantskamer heeft [verweerder 2] op die grond een waarschuwing opgelegd (rov. 2.15). [eiser] klaagt onder meer dat de verwerping van
verwijt (c1)in dat licht onbegrijpelijk is.
Telfout-arrest, dat in een medische aansprakelijkheidszaak is gewezen maar naar gangbare inzichten algemene betekenis heeft, volgt evenwel dat de civiele rechter een afwijking van het oordeel van de tuchtrechter wel begrijpelijk moet motiveren. [21]
verwijt (c1) voorop gesteld dat [verweerder 2] zich naar het oordeel van de Accountantskamer onvoldoende kritisch heeft opgesteld in de contacten met [betrokkene 1] en de door hem voorgestelde financiers. Het hof heeft vervolgens overwogen dat dit naar zijn oordeel nog niet meebrengt dat de door [eiser] geleden schade in redelijkheid moet worden toegerekend aan die (veronderstellenderwijs aangenomen) onvoldoende kritische houding. Het hof heeft daarna vastgesteld (i) dat [betrokkene 1] niet door [verweerder 2] is geïntroduceerd, (ii) dat [betrokkene 1] van [A] een
management feeontving van € 10.000,- per maand, (iii) dat geen van de betrokkenen ooit argwaan jegens [betrokkene 1] heeft gekoesterd, (iv) dat niet is komen vast te staan dat alle door [betrokkene 1] voorgestelde potentiële financiers verzonnen waren en (v) dat [verweerder 2] geen bijzondere expertise had op het gebied van potentiële financiers. Het hof is aldus tot de conclusie gekomen dat niet valt in te zien dat van [verweerder 2] als redelijk bekwaam en redelijk handelend registeraccountant anders mocht worden verwacht.
verwijt (c1)niet dragen. De omstandigheden (i) en (ii) – [betrokkene 1] is niet door [verweerder 2] geïntroduceerd en ontving een
management feevan [A] – brengen wellicht mee dat [verweerder 2] niet kan worden verweten dat [betrokkene 1] bij [A] betrokken was. Zij laten wat mij betreft echter onverlet dat [verweerder 2] als accountant/adviseur gehouden was kritisch te kijken naar de door [betrokkene 1] voorgestelde potentiële financiers. De omstandigheid (iii) – geen van de betrokkenen koesterde argwaan – kan het oordeel van het hof evenmin dragen. De taak van een adviseur kan immers meebrengen dat hij wijst op risico’s die de opdrachtgever en/of derden niet onderkennen. Dat is vaak juist de reden om een adviseur in te schakelen. Ook omstandigheid (iv) – niet alle financiers waren door [betrokkene 1] verzonnen – doet wat mij betreft niet aan af aan de gehoudenheid van [verweerder 2] om onder de – eventueel vragen oproepende – omstandigheden nader onderzoek te doen naar de voorgestelde financiers. Het hof heeft immers onbestreden vastgesteld dat bij het waarheidsgehalte van de voorgestelde financiers vraagtekens kunnen worden geplaatst. Omstandigheid (v) – [verweerder 2] had geen bijzondere expertise op het gebied van potentiële financiers – acht ik evenmin doorslaggevend. Gesteld noch gebleken is dat voor onderzoek naar de financiers een bijzondere expertise is vereist die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam registeraccountant niet kan worden gevergd. Dit betekent dat de genoemde omstandigheden, afzonderlijk noch in combinatie, het oordeel kunnen dragen dat de (veronderstellenderwijs aangenomen) onvoldoende kritische houding van [verweerder 2] ten aanzien van de potentiële financiers geen tekortkoming oplevert.
causale zin(als bedoeld in art. 6:98 BW Pro) in redelijkheid niet aan [verweerder 2] kan worden toegerekend. In dat geval is het oordeel naar mijn mening ook onbegrijpelijk. Bij die lezing zou het hof in rov. 8 naar mijn mening geen (toereikend) onderscheid hebben gemaakt tussen de beoordeling van de (causale) toerekening naar redelijkheid en de (beweerdelijke) tekortkoming. De overweging sluit immers af met de conclusie dat niet valt in te zien dat van [verweerder 2] als redelijk handelend en redelijk bekwaam registeraccountant anders mocht worden verwacht. Ook overigens acht ik het (eventuele) oordeel over causale toerekening naar redelijkheid niet toereikend gemotiveerd. Schade die ontstaat als gevolg van een beroepsfout zal in de regel door (de aansprakelijkheidsverzekeraar van) de beroepsbeoefenaar moeten worden vergoed. De genoemde omstandigheden (i) tot en met (v) zijn om de hiervoor genoemde redenen niet toereikend om een ander oordeel te rechtvaardigen. Weliswaar heeft [betrokkene 1] een kwalijke hoofdrol gespeeld bij het ontstaan van de schade, maar dit gegeven kan naar mijn mening juist in een setting als deze, waarin de adviseur de betrokkene tegen verkeerde keuzes en onvoldoende doordachte beslissingen zou kunnen beschermen, moeilijk rechtvaardigen dat (het ontstaan van) de schade in redelijkheid niet wordt toegerekend aan de fout van de adviseur.
sub-subonderdeel 2.1.9zijn terecht voorgesteld.
sub-subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2op met het betoog dat op [verweerder 2] een verzwaarde stelplicht rustte. Die klachten slagen niet. Voor het aannemen van een verzwaarde stelplicht zou eerst aanleiding (kunnen) zijn als het verwijt voldoende is geconcretiseerd. De
sub-subonderdelen 2.2.3-2.2.7richten zich tegen de tweede pijler van de overweging. In dat kader wordt onder meer gewezen op de leerstukken ‘omkeringsregel’ en ‘kansschade’. Aangezien de eerste pijler van rov. 9 naar mijn mening stand houdt en deze pijler het oordeel kan dragen dat [verweerder 2] in zoverre niet aansprakelijk is, falen deze klachten bij gebrek aan belang.
sub-subonderdeel 2.1.9die zich richten tegen de verwerping van
verwijt (c1)in rov. 8 – nog wel betekenis toekomen aan de in
subonderdeel 2.2aangehaalde leerstukken. De mogelijkheid bestaat dat na cassatie en verwijzing wordt geoordeeld dat [verweerder 2] onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [eiser] door zich onvoldoende kritisch op te stellen jegens [betrokkene 1] en de door hem voorgestelde financiers. Vervolgens zal dan moeten geoordeeld over het causaal verband en over de schade. De vraag is in dat geval bijvoorbeeld wat [eiser] zou hebben gedaan als [verweerder 2] hem beter zou hebben geïnformeerd en gewaarschuwd omtrent (de voorstellen van) [betrokkene 1] . Dergelijke vragen kunnen op verschillende manieren worden benaderd, namelijk als causaliteitsprobleem of als schadeprobleem, en opgelost. [22] Daarbij zou in de causaliteitssfeer kunnen worden gedacht aan een ‘alles-of-niets’-oplossing zoals de omkeringsregel. [23] Het zal van de vaststelling over een (eventuele) normschending afhangen of de omkeringsregel toepassing vindt. Ik volsta er op deze plaats mee op te merken dat het veronachtzamen van een algemene informatie- of waarschuwingsplicht in beginsel niet voldoende is voor toepasselijkheid van de omkeringsregel. [24] In het geval de omkeringsregel geen toepassing vindt, ligt eventueel een minder vergaande oplossing, die de lasten van onzekerheid over wat er ‘zonder de fout’ zou zijn gebeurd over eiser en gedaagde verdeelt, voor de hand. Daarvan kennen we ook weer een causaliteitsvariant (proportionele aansprakelijkheid) en een schade(begrotings)variant (verlies van een kans of ook wel kansschade). In dit verband zou het wat mij betreft in de rede liggen om de schade te begroten op basis van een (eventuele) verloren kans op een betere uitkomst. [25]
verwijt (c1)ten aanzien van een onvoldoende kritische houding van [verweerder 2] jegens [betrokkene 1] en de door hem voorgestelde financiers is naar mijn mening onvoldoende gemotiveerd. Het
sub-subonderdeel 2.1.9klaagt daar wat mij betreft terecht over. Om die reden slaagt ook de restklacht van
subonderdeel 2.4tegen de bekrachtiging van het vonnis, de kostenveroordeling en het dictum.
sub-subonderdelen 2.1.7 en 2.2.3op zichzelf terecht betogen, toereikend dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is (art. 612 Rv Pro). [27]