ECLI:NL:PHR:2017:1515
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid heropname en onmiddellijke invrijheidsstelling onder Wet Bopz
Betrokkene werd op 1 oktober 2015 onder dwang opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis met een machtiging tot voortgezet verblijf die geldig was tot 2 april 2016. Na voorwaardelijk ontslag op 22 oktober 2015 weigerde betrokkene vanaf 2 april 2016 medicatie in te nemen, waarna de geneesheer-directeur op 21 april 2016 het voorwaardelijke ontslag introk en betrokkene heropnam. Betrokkene verzocht op 22 april 2016 via de officier van justitie om onmiddellijke invrijheidsstelling en een rechterlijke beslissing over de heropname, maar de rechtbank wees dit verzoek op 28 april 2016 af.
De Hoge Raad vernietigde bij eerdere beschikking van 25 november 2016 deze beslissingen en verwees de zaak terug. Na behandeling verklaarde de rechtbank betrokkene niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot onmiddellijke invrijheidsstelling omdat hij inmiddels in vrijheid was gesteld. Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat de geneesheer-directeur op 21 april 2016 niet meer bevoegd was om betrokkene onvrijwillig op te nemen omdat de geldigheidsduur van de machtiging was verstreken. De rechtbank had het verzoek tot onmiddellijke invrijheidsstelling dan ook moeten toewijzen. Desondanks is het verzoek inmiddels overtollig omdat betrokkene niet langer onvrijwillig is opgenomen, waardoor hij geen belang meer heeft bij het verzoek. Het cassatieberoep faalt daarom. Betrokkene werd tevens niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om schadevergoeding wegens te late indiening.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; verzoek tot onmiddellijke invrijheidsstelling niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.