Conclusie
“medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk uitlokken van poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
eerstemiddel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
immers hebben hij, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] het plan opgevat en/of besproken om [slachtoffer] om het leven te brengen” etc. Tot die uitlokking zou ‘verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] ’ opzettelijk inlichtingen hebben verschaft. Nu het hof “
hij”heeft toegevoegd, zou het volgens het middel niet voor de hand liggen te veronderstellen dat hier sprake is van een kennelijke misslag. Een redelijke lezing van de aangevulde zinsnede zou vervolgens inhouden dat het hof bedoelt dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3]
alsmedeverdachte de feitelijke gedragingen hebben verricht waarmee is uitgelokt. En daarmee zou het hof “
meer en anders” hebben bewezenverklaard dan ten laste is gelegd.
het medeplegen van uitlokking van poging tot moord” ten laste gelegd. Het hof heeft deze vrijspraak als volgt toegelicht:
medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk uitlokken van poging tot moord”. Tegen deze achtergrond kan de bewezenverklaring verbeterd worden gelezen. De aard en ernst van het bewezenverklaarde wordt daardoor niet aangetast [3] ; deze wordt alleen beter begrijpelijk gemaakt. Door een verbeterde lezing komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen.
tweedemiddel klaagt dat het voor medeplichtigheid vereiste dubbel opzet niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Voor strafbaarheid is, aldus de stellers van het middel, vereist dat het opzet van de medeplichtige gericht is op de eigen hulpverlening en op het misdrijf ten aanzien waarvan de hulp wordt verleend. Uit de bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] iemand zouden uitlokken om de moord te plegen, laat staan dat hij de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
eenstrafbaar feit. Dat strafbare feit behoeft dus niet het gepleegde feit te zijn’. [4] De begrenzing van de aansprakelijkheid van de deelnemer zit in zijn benadering vooral in de ‘
vraag naar de accessoriteit: is het strafbare feit gevolgd? Daarbij gaat het om de vraag of het feit dat is gepleegd, wezenlijk anders is dan het feit waarop de deelnemer opzet had.’Steun voor deze benadering ziet Knigge in HR 2 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB7914,
NJ1982/492 en HR 21 december 1914 (
NJ1915, p.376 (‘Hope’)). In beide gevallen had de uitgelokte het feit samen met een ander begaan zonder dat bleek dat de uitlokker op dat medeplegen opzet had; in beide gevallen kan uit de overwegingen van de Hoge Raad worden afgeleid dat dit niet aan aansprakelijkheid in de weg stond. Ook De Hullu ziet mogelijk ruimte om het opzetvereiste in de context van samengestelde deelneming niet op alle aspecten van het feit waaraan is deelgenomen te betrekken. Hij schrijft, in de context van de samengestelde deelneming: ”
Het verband met het strafbare grondfeit krijgt vooral inhoud door het opzetvereiste. Elke deelnemer -dus ook de samengestelde deelnemer- moet immers opzet op in ieder geval de belangrijkste aspecten van het strafbare grondfeit hebben.”. Hij wijst er echter op dat hier ook met voorwaardelijk opzet ‘wel een ruim bereik (kan) worden verkregen’. [5] Daarbij sluiten Knigge en Wolswijk weer in zoverre aan dat men volgens hen ‘bewijsrechtelijk’ met voorwaardelijk opzet soms toch een heel eind kan komen. [6] De Jong, ten slotte, hanteert wel als vertrekpunt dat ‘per individuele deelnemer telkens het opzet op het verdere verloop van de gang van zaken die tot het gronddelict leidt, moet worden bewezen’. [7] Maar De Jong signaleert onder verwijzing naar het genoemde
NJ1982/492 tevens dat de Hoge Raad voor uitlokking van medeplegen heeft “
aanvaard dat het opzet tot de uitlokking er niet op gericht behoeft te zijn dat het feit tezamen en in vereniging zou worden gepleegd”.
er de oorzaak van was dat de gouddeal niet door was gegaan”. En hij vertelt dat na dat gesprek bij [medeverdachte 3] en hem het idee opkwam nog een gesprek over “deze moordaanslag” uit te voeren. Dat geeft aan wat in het Hilton het gespreksonderwerp was. In de bewijsoverwegingen is bovendien een passage uit een verklaring van [medeverdachte 3] over het gesprek in het Hilton opgenomen (met verwijzing naar de vindplaats), waarin [medeverdachte 3] verklaart dat zij (waaronder verdachte) “
wilden dat [slachtoffer] werd omgelegd”. Al met al kon het hof uit deze redengevende feiten en omstandigheden, naar het mij voorkomt, afleiden dat de verdachte reeds ten tijde van het gesprek in het Hilton opzet had op de (poging tot) moord op [slachtoffer] . Het belang van dat tijdstip komt aan de orde bij het vierde middel.
uitlokkenvan de poging tot moord betreft, ligt de zaak minder eenvoudig. Uit de bewijsoverwegingen zijn aanwijzingen te halen dat de wijze waarop en de persoon door wie de moordaanslag werd uitgevoerd voor de verdachte niet van groot belang was. Zo citeert het hof een verklaring van de verdachte waarin hij aangeeft dat hij heeft “
ingestemd met de opdracht om [slachtoffer] uit de weg te ruimen”. Dat is een formulering die ruimte bij de uitvoering laat. Dat verdachte die ruimte aan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] wilde laten, kan ook worden afgeleid uit de bewijsoverwegingen van het hof waarin wordt geciteerd wat verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard: “
Ik wist niet wat ze gingen doen, en ik vroeg daar ook niet naar. (…) De jongste rechter deelt mee in het dossier te hebben gelezen dat verdachte na Rome wist dat ze [slachtoffer] iets wilden aandoen. Ja, dat wilden ze en daar hadden ze blijkbaar mijn goedkeuring voor nodig.”
medeplichtigevoorwaardelijk opzet op het
uitlokkenvan de (poging tot) moord had. Want het hof heeft in de context van de vrijspraak van het medeplegen van de ‘uitlokking van poging tot moord’ met zoveel woorden overwogen: “
Bij de beoordeling op dit punt is niet doorslaggevend dat het uiteindelijk niet [medeverdachte 3] is geweest die de poging tot moord heeft begaan, omdat bij uitlokking de uitlokking van het feit centraal staat, en niet de persoon van de uitgelokte.” [8] In deze overweging klinkt door dat het hof het bij het onder 1 primair ten laste gelegde “
medeplegen van uitlokking” niet van belang heeft gevonden wie de poging tot moord uiteindelijk heeft begaan. Dat laat zich niet heel gemakkelijk verenigen met een in te lezen (kennelijk of klaarblijkelijk) oordeel van het hof dat bij de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid de persoon die de poging tot moord uitvoerde wel van belang is, maar (de mogelijkheid van) het inschakelen van [betrokkene 1] voor de uitvoering van de aanslag in het opzet van verdachte besloten lag.
NJ1988/633 hier niet goed begaanbaar zijn. In dat arrest lag een tot op zekere hoogte vergelijkbare casus voor. De verdachte werd veroordeeld wegens het uitlokken van het uitlokken van de moord op een Turkse winkelier, gepleegd door K. De complicatie was dat de verdachte een zekere A. had benaderd om de moord uit te voeren. Deze A. had vervolgens K. benaderd om de moord samen met hem uit te voeren. Op de ochtend van de dag waarop zij het plan wilden uitvoeren ging K. naar de woning van A., maar trof daar niemand aan omdat A. die ochtend door de parketpolitie was aangehouden voor enkele openstaande geldboetes. K. besloot toen het plan zelf uit te voeren. De Hoge Raad liet de veroordeling in stand en overwoog daarbij:
Het hof heeft het verzoek aan A. kennelijk verstaan — en gelet op het vorenweergegevene ook kunnen verstaan — in die zin, dat dit ertoe strekte A. te vragen zorg te dragen voor het doodschieten van de Turkse winkelier. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de verdachte daarbij A. een beloning in het vooruitzicht gesteld heeft en informatie over de te doden man verstrekt heeft, is het hof klaarblijkelijk tot het oordeel gekomen dat de verdachte aldus handelende A. opzettelijk heeft bewogen tot het plegen, medeplegen of uitlokken van moord. Tot dit oordeel is het hof ook kunnen komen, in aanmerking genomen de omstandigheid dat de verdachte de avond voor de moord in aanwezigheid van K. het pistool aan A. heeft gegeven en de werking daarvan heeft uitgelegd en de omstandigheid dat hij samen met een ander op de avond na de moord in aanwezigheid van A., diens broer en K. vertelde dat hun plan gelukt was.”
uitlokkenvan (poging tot) moord.
NJ2008/156 had het hof de verdachte vrijgesproken van (onder meer) medeplichtigheid aan poging tot moord/doodslag dan wel zware mishandeling met voorbedachte raad. Ten laste was gelegd dat de poging had bestaan in het afvuren van schoten. De Hoge Raad overwoog dat
“het hof voor de vrijspraak van -kort gezegd- de medeplichtigheid in de eerste plaats van belang (heeft) geacht dat niet kon worden bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op de manier waarop het misdrijf zou worden uitgevoerd, in dit geval door het gebruik van een vuurwapen. Daarmee heeft het een eis gesteld die geen steun vindt in het recht. Voor de bewezenverklaring van opzettelijke medeplichtigheid aan een misdrijf is onder meer vereist dat bewezen wordt dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op dat misdrijf. Dat opzet omvat echter niet de precieze wijze waarop het misdrijf wordt begaan. Dat wordt niet anders nu in de tenlastelegging bij de omschrijving van het door de daders voorgenomen misdrijf alleen het schieten als handeling ter uitvoering van het voornemen is genoemd.”
NJ2011/342 m.nt. Schalken. In dat arrest heeft de Hoge Raad een kader geformuleerd voor de toepassing van art. 49 lid 4 Sr Pro. Uit dat kader volgt dat “
bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan”. Bij die handelingen van de dader gaat het “
in het bijzonder om het desbetreffende gronddelict, met inbegrip van de bestanddelen daarvan”. In het geval waarin het opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet “
het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband (..) houden met het gronddelict”. Volgens de Hoge Raad zal doorgaans kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat
“indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict”. In gevallen waarin samengestelde deelneming ten laste is gelegd, zou het delict waar de deelneming (uiteindelijk) op gericht is als gronddelict kunnen worden gezien. In de andere benadering kan dat delict worden gezien als een onderdeel van het gronddelict, opgevat als de deelnemingsvorm waar de verdachte medeplichtig aan is. Deze laatste benadering heeft mijn voorkeur. Beide benaderingen leiden voor de onderhavige casus tot hetzelfde resultaat: opzet op de poging tot moord volstaat. Daarmee is de bewezenverklaring (op de hiervoor onder 14 uiteengezette gronden) toereikend gemotiveerd.
derdemiddel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het bewezenverklaarde verschaffen van inlichtingen tot het medeplegen van de uitlokking door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] heeft geleid.
door een belofte en door het verschaffen van middelen en inlichtingen”. Dat is vervolgens feitelijk uitgewerkt in een aantal specifieke gedragingen. Bewezen verklaard is onder meer dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] “
adresgegevens en de naam van [slachtoffer] ter beschikking (hebben) gesteld” en “
de woning van [slachtoffer] aan die [betrokkene 1] (hebben) getoond”. Uit bewijsmiddel 2 kan, zo geven ook de stellers van het middel aan, worden afgeleid dat inlichtingen over [slachtoffer] op 12 juli 2010 aan [betrokkene 1] zijn doorgegeven. [betrokkene 1] verklaart, kort gezegd, dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hem op die dag hebben opgehaald en dat zij langs het huis in Gouda reden waar hij later op iemand zou moeten schieten. Uit bewijsmiddel 3 kan worden afgeleid, zo geven de stellers van het middel eveneens aan, dat de naam en het adres van [slachtoffer] op 21 juli 2010, de dag van de aanslag, op papier aan [betrokkene 1] ter beschikking zijn gesteld door [medeverdachte 4] . Al met al volgt uit de bewijsmiddelen dat de verstrekte inlichtingen door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn benut om [betrokkene 1] uiteindelijk in staat te stellen de moordaanslag te plegen.
zij die (..) door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken”. In die formulering ligt een causaliteitseis besloten. Krabbe stelt dat deze “
causaliteitskwestie moet worden bekeken aan de hand van de gangbare causaliteitsopvattingen”. [10] Het gaat er volgens hem om “
of het gevolg – hier het strafbare feit— in redelijkheid kan worden toegerekend aan de invloed van de aangewende middelen, terwijl andere factoren niet een zodanig verstorende werking en eigen invloed hebben uitgeoefend op het tot stand komen van het strafbare feit, dat dit in redelijkheid niet meer aan de werking van de gebezigde uitlokkingsmiddelen kan worden toegerekend”. Ook De Hullu zou bij deze ‘intermenselijke veroorzaking’ met dit criterium willen werken, al tekent hij daarbij aan
“dat de invulling van dit vage criterium steeds wordt bepaald door de rechtsvraag in kwestie”. Hij vestigt er daarbij nog de aandacht op dat door het ”
uiteindelijke wilsbesluit, het ‘onvoorwaardelijk voornemen’ moet zijn uitgelokt”en signaleert dat het niet altijd veel moeite behoeft te kosten om de uitgelokte over te halen: een smokkelaar kan
“worden uitgelokt tot een bepaalde smokkelaffaire”. [11]
“ [medeverdachte 4] zou mij redden van de gebroeders [betrokkene 3] en [betrokkene 4] uit Cuijk maar verlangde wel een tegenprestatie. Toen ik [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] vroeg wat dit moest zijn, maakten zij mij duidelijk dat ik op iemand moest schieten. Hij heeft mij toen verteld dat ik iemand een paar keer in de borst moest schieten. Ik heb ja gezegd op de vraag van [medeverdachte 4] of ik op iemand wilde schieten.”
initiële bereidverklaringdie pas in de loop van de verdere voorbereiding geworden is tot het
uiteindelijke wilsbesluitom de moord te plegen. Het hof lijkt daar van uit te zijn gegaan; in de bewezenverklaring ligt besloten dat het uiteindelijke wilsbesluit, het onvoorwaardelijk voornemen, pas tot stand is gekomen na het overhandigen van het vuurwapen en het krijgen van instructies over de wijze waarop de moord op [slachtoffer] diende te worden uitgevoerd. Mij komt het voor dat deze beslissing in het onderhavige geval, waarin de uitgelokte steeds onder de invloed van de uitlokkers is gebleven en er door een serie gedragingen toe gebracht is de aanslag uiteindelijk te plegen, niet onbegrijpelijk is. Van verstorende, buiten de invloedssfeer van de uitlokkers gelegen oorzaken die tot het plegen van het strafbare feit hebben geleid blijkt niet. Daarbij is het alternatief voor het als uitlokkingsmiddel aanmerken van deze gedragingen niet erg aantrekkelijk: de bijdragen die [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] na de initiële bereidverklaring van [betrokkene 1] aan de moordaanslag hebben geleverd zouden dan als medeplichtigheid moeten worden aangemerkt. Dat zou de tenlastelegging nog verder compliceren. Krabbe houdt de mogelijkheid open dat onder omstandigheden uitlokking kan worden gevolgd door medeplichtigheid, [12] mij lijkt dat ook terecht, maar ik zou die benadering waarin de gedragingen over uitlokking en medeplichtigheid worden opgesplitst liever willen reserveren voor de situatie waarin de uitgelokte na zijn bereidverklaring de uitvoering zelf ter hand neemt en de uitlokkers daarbij nog slechts hand- en spandiensten verlenen. [13]
vierdemiddel klaagt dat het bewezenverklaarde “
opzettelijk inlichtingen verschaffen ten behoeve van de uitvoering van de moord”niet uit de bewijsmiddelen volgt, althans het oordeel van het hof dat verdachte ten tijde van het verschaffen van de inlichtingen wist dat deze dienden voor de voorgenomen moord ontoereikend is gemotiveerd.
voordatde verdachte de gegevens per e-mail verstrekte.
Uit het dossier komt naar voren, en de verdachte heeft dat ook verklaard (…) dat de reis naar Rome heeft plaatsgevonden rond Pinksteren 2010 (het hof begrijpt: rond 23 en 24 mei 2010). Gelet op de verklaringen van de verdachte hierover heeft dit gesprek bij het Hilton enkele weken na de reis naar Rome plaatsgevonden, derhalve in de eerste of tweede week van juni 2010.” [14] De toelichting op het middel wijst erop dat de definitie van ‘enkele’ volgens de Van Dale ‘weinig in getal’ is, zodat deze in tijd niet strikt gelimiteerd is. Mij komt het, anders dan de stellers van het middel, echter niet onbegrijpelijk voor dat het hof (mede) op basis van deze tijdsaanduiding heeft aangenomen dat het gesprek uiterlijk in de tweede week van juni 2010 heeft plaatsgevonden.
We waren naar Rome geweest en de gouddeal ging niet door. Twee weken daarna kreeg ik van [medeverdachte 2] het verzoek om het kenteken van [slachtoffer] door te geven en dat heb ik gedaan (..) Het geven van het kenteken was een paar weken na Rome. Twee of drie weken na het geven van het kenteken, hadden we een gesprek in het Hilton, ik werd gevraagd door [medeverdachte 2] . Daarbij waren ook [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . (…) Daarna kwam het verzoek van [medeverdachte 2] om [slachtoffer] ergens naar toe te lokken, ze vertelden niet wat ze wilden doen. Ik denk dat dit twee weken na het gesprek was. (..) Dit alles heeft voor het gesprek in Nijkerk plaatsgevonden.”
dat [slachtoffer] een probleem zou krijgen met [medeverdachte 4] . Vanaf dat moment kreeg ik het mailtje over het kenteken van [slachtoffer] . Telefonisch heeft [medeverdachte 2] nog gevraagd om zijn woonadres en telefoonnummer.”Dat bevestigt de verdachte in het zevende verhoor: “
[medeverdachte 2] had me verteld na onze terugkomst uit Rome, dat [slachtoffer] de boel had verraden. Twee weken later vroeg [medeverdachte 2] mij om de gegevens van [slachtoffer] , telefoonnummer, kenteken auto en waar hij woont. Via de mail heb ik dat ook gegeven.” Verderop in de bewijsoverwegingen citeert het hof uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd de volgende passage:
”Ik heb de papieren gezien die in de woning van [medeverdachte 4] zijn aangetroffen, onder andere met de gegevens van [slachtoffer] (..). Ik heb geen idee hoe de gegevens daar terecht zijn gekomen. Ik heb een mailtje voor mij waarin [medeverdachte 2] vraagt of ik snel het merk, type en kenteken kan doorgeven waarin [slachtoffer] rijdt. Dat mailtje is van 14 juni 2010 en daar heb ik waarschijnlijk later op geantwoord, niet dezelfde dag. (..) Ik kan me niet herinneren dat ik gezegd zou hebben dat [medeverdachte 2] telefonisch heeft gevraagd naar zijn woonadres en telefoonnummer (…). Maar als dat zo is, dan is het zo. Het zou goed kunnen dat ik gegevens heb doorgegeven.”
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte bij de verstrekking van persoonsgegevens van [slachtoffer] aan [medeverdachte 2] c.q. [medeverdachte 4] , wist dat deze voor de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer] van belang zouden zijn en daartoe dienden.”
vijfdemiddel klaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudend dat [betrokkene 1] in de ten laste gelegde periode niet meer uitgelokt kon worden omdat bij hem het plan waartoe uitgelokt zou zijn reeds bestond.
een kantoorgebouw met een fiks aantal verdiepingen;
met spiegelend / getint glas;
met een ruime hal;
met slagbomen;
met in de directe omgeving van dit gebouw een garage en een benzinepomp.
zesdemiddel klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase, op de grond dat de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden.