De zaak betreft een geschil tussen Regiobouw en een voormalig lid van de ondernemingsraad ([verweerder]) over ontslagbescherming en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. [verweerder] was sinds 2000 lid en voorzitter van de ondernemingsraad, die vanaf 2003 niet meer aan de wettelijke vereisten voldeed door het uitblijven van verkiezingen. Regiobouw voerde aan dat hierdoor geen ontslagbescherming meer bestond.
De kantonrechter oordeelde dat [verweerder] wel bescherming toekomt en dat het dienstverband pas in juli 2010 eindigde. Het hof bevestigde dit en kende schadevergoeding toe wegens kennelijk onredelijk ontslag, maar maakte een fout door omstandigheden na het ontslag mee te wegen bij de schadevaststelling.
De Hoge Raad bevestigt dat ontslagbescherming ook geldt als de ondernemingsraad niet aan alle WOR-eisen voldoet, zolang de werkgever de raad als zodanig behandelt. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest over de schadevergoeding wegens het niet correct toepassen van de rechtspraak omtrent omstandigheden na ontslag en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling. Het principale beroep wordt verworpen, het incidentele beroep toegewezen.