AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling toepassing twee-conclusieregel en aansprakelijkheid arbeidsdeskundige bij re-integratie
In deze zaak staat centraal de toepassing van de twee-conclusieregel en de aansprakelijkheid van een register-arbeidsdeskundige voor tekortkomingen in de begeleiding van re-integratie van een zieke werknemer.
De werknemer meldde zich ziek wegens rugklachten en er werd een plan van aanpak opgesteld waarbij het tweede spoor re-integratie te laat werd ingezet. Het UWV legde een loonsanctie op aan de werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. De arbeidsdeskundige werd aangesproken op zijn rol en aansprakelijkheid.
De rechtbank wees de vorderingen van de werkgever af en veroordeelde de arbeidsdeskundige tot betaling van openstaande facturen. Het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde de arbeidsdeskundige tot schadevergoeding wegens tekortschieten, waarbij het hof oordeelde dat de arbeidsdeskundige niet tijdig het tweede spoor had ingezet en het plan van aanpak onjuist had opgesteld.
In cassatie werd betoogd dat het hof ten onrechte een nieuw verweer van de arbeidsdeskundige had gepasseerd wegens strijd met de twee-conclusieregel. De Hoge Raad oordeelde dat de werkgever ondubbelzinnige toestemming had gegeven door inhoudelijk op het nieuwe verweer in te gaan zonder bezwaar tegen het tijdstip, waardoor een uitzondering op de regel van toepassing was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de arbeidsdeskundige tekortgeschoten was in zijn verplichtingen, wat in causaal verband stond met de loonsanctie.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de arbeidsdeskundige blijft aansprakelijk voor de schade door tekortschieten in re-integratiebegeleiding.
Voetnoten
1.Zie het arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 juli 2016, rov. 1.3-1.12.
2.Zie voor het procesverloop in eerste aanleg het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2015, rov. 1.1 en het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2015, rov. 1.1. Voor het procesverloop in hoger beroep zie het arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 december 2015 onder “het geding” en het arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 juli 2016 onder “Het verdere verloop van het geding”.
3.De cassatiedagvaarding is op 18 oktober 2016 uitgebracht. De cassatiedagvaarding bevat in voetnoot 23 een voorbehoud tot het aanvullen van de cassatieklachten naar aanleiding van het nog te ontvangen proces-verbaal van de zitting op 9 juni 2016. Bij exploot van 27 oktober 2016 heeft [eiser] het cassatiemiddel aangevuld.
4.Daarbij verwijst het subonderdeel onder meer naar p. 3-4 van het proces-verbaal van de comparitie van 11 maart 2016 en naar p. 2-3 van het proces-verbaal van 9 juni 2016.
5.Zie mijn conclusie voor HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6533, RvdW 2013/693 en o.m. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154, m.nt. H.J. Snijders; HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064, NJ 2013/6, m.nt. H.J. Snijders; HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045, NJ 2013/7, m.nt. H.J. Snijders; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/106 en 160; Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken 2017, nrs. 28-32 en 38; B.T.M. van der Wiel, De in beginsel strakke regel, TCR 2012/3. 6.Verg. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/108.
7.Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/104-117 en 160.
8.Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/113.
10.Bedoeld zal zijn: de appeldagvaarding. Waar door [eiser] in cassatie wordt gesproken van een memorie van grieven, beschouw ik dat als een kennelijke verschrijving, aangezien de grieven reeds in de appeldagvaarding waren opgenomen.
11.Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/48.
12.Zie voor de inhoud daarvan rov. 8 van het bestreden arrest.
13.Het subonderdeel verwijst naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 maart 2016, p. 2-3, de pleitnota van [eiser], paragraaf 7 en 12, en de memorie van antwoord, paragraaf 45.
14.Hetgeen wel uit het plan van aanpak volgt. Zie prod. B van de appeldagvaarding zijdens [verweerster].
15.Zie subonderdeel 1.4 op p. 5 van de cassatiedagvaarding.