Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
eerstehalfjaar van 2011 heeft belanghebbende de omzetbelasting vanwege het privégebruik van de auto’s berekend op 12% van 25% van de cataloguswaarden van de auto’s. Voor het
tweedehalfjaar van 2011 heeft belanghebbende 6/12 van 2,7% van de cataloguswaarden van de auto’s aangegeven als vanwege het privégebruik verschuldigde omzetbelasting. Het genoemde bedrag van € 11.550 is als volgt berekend:
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
692
3.Het geding in cassatie
4.De eerste klacht en het verzoek om prejudiciële vragen te stellen
5.De tweede klacht
bijzondereverschijningsvorm van het gelijkheidsbeginsel. Het is de uitdrukking van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de btw. Het bijzondere gelijkheidsbeginsel (in de verschijning van het neutraliteitsbeginsel) vindt toepassing in gevallen waarin sprake is van “concurrerende ondernemers die handelen in soortgelijke goederen en / of diensten die (dus) met elkaar concurreren”.
6.De derde klacht
7.De vierde klacht
V-N1998, blz. 233). Alsdan is van een bezigen van de diensten van de bureaus voor het uitkeren van loon in natura of voor andere persoonlijke doeleinden van het personeel - in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het BUA - geen sprake.
V-N1998/2.35. Hierin oordeelde het Hof van Justitie EG dat de behoeften van de onderneming er toe kunnen leiden dat het gratis vervoer van werknemers (woon-werkverkeer) niet als een privé-aangelegenheid van die werknemers, maar als een dienst voor bedrijfsdoeleinden moest worden aangemerkt, namelijk als de omstandigheden het bedrijf verplichten om het woon-werkverkeer voor die werknemers te verzorgen. Op dezelfde wijze oordeelt het Hof van Justitie EG nu dat het verschaffen van een gratis maaltijd vanuit de bedrijfskantine aan relaties of personeel in principe een uitgaaf voor privédoeleinden van het personeel/relaties is, doch dat bijzondere omstandigheden er toe kunnen leiden dat het nuttigen van een door de werkgever aangeboden maaltijd primair toch als een uitgaaf voor bedrijfsdoeleinden moet worden aangemerkt, waarvan het privé-element (een mens moet toch eten) dan bijkomstig is. Die bijzondere omstandigheden moeten volgens het Hof van Justitie EG objectief kunnen worden vastgesteld. Als wij het goed lezen is echter al sprake van een bijzondere omstandigheid - en dus van een ‘bedrijfsbehoefte’ - als met de voedselverstrekking het goede (efficiënte) verloop van zakelijke bijeenkomsten gegarandeerd wordt. Met andere woorden: de private consumptie van spijzen en dranken tijdens het werk is in die gevallen zakelijk noodzakelijk. Naar wij vermoeden zal deze open-norm-achtige uitleg van het Hof van Justitie EG in menig lidstaat de nodige discussies opleveren. Is er wel sprake van een privébehoefte als er méér dan het spreekwoordelijke broodje kaas in de vergaderruimte wordt geserveerd? En wat als buiten de deur gegeten wordt? En voorts: wat zijn de uitstralingseffecten naar andere goederen? (...).