Conclusie
eerste middelkeert zich tegen de bewijsmotivering en valt in de volgende drie klachten uiteen: a. niet kan uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat de goederen van diefstal afkomstig waren, b. het oordeel van het hof omtrent het voorwaardelijk opzet van de verdachte geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is ontoereikend gemotiveerd en c. niet kan uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte de goederen op de bewezenverklaarde pleegdatum (7 augustus 2013) en pleegplaats (Ter Heijde) voorhanden heeft gehad.
de politierechter leest: augustus)2013 omstreeks 00:05 uur bevonden wij ons op de Strandweg te Ter Heijde. Op genoemde locatie waren wij bezig met het optakelen van een boot die als gestolen gesignaleerd stond. Op de genoemde locatie kwamen drie onbekende mannen aanlopen, waaronder [verdachte], verdachte. De verdachte hoorden wij vervolgens zeggen “Wat zijn jullie aan het doen met mijn boot, ik ben de eigenaar van de boot”.
tweede middelklaagt dat het hof de verdachte een vrijheidsbenemende straf heeft opgelegd zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze voor die strafsoort hebben geleid.