Conclusie
1.[verweerster 1],
[verweerster 2],
[verweerder 3],
naming and shaming” van [verweerster 1] als rechtmatige onthullingsjournalistiek aan te kunnen merken. Dat oordeel omvat de volgende elementen:
2.Beoordeling van het cassatieberoep
Kojen Enerji/ABB [16] de (huidige [17] ) leer van de bindende eindbeslissing als volgt samengevat [18] :
“(..) de hypothetische situatie waarin de kwalificatie wordt weggedacht, het aantal binnengekomen klachten door Tros zou zijn afgezet tegen het aantal verkochte puppies en het aantal jaren waarop de klachten betrekking hadden, en indien Tros hoor en wederhoor zou hebben toegepast [25] ”(zie productie 4 bij conclusie van antwoord, overweging 2.6, tweede deel). Kortom: het gaat bij de causaliteitsvraag, anders dan Tros wil, niet alleen om de onrechtmatige kwalificaties.”
Weezenbeek e.a/FD). Ten slotte is het hof volgens het onderdeel buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, of heeft het miskend dat aan het oordeel van de rechtbank in het vonnis in de hoofdprocedure gezag van gewijsde toekomt en het het hof niet vrijstond van Tros te verlangen dat zij ook los van de gewraakte kwalificaties het beginsel van hoor en wederhoor in acht had dienen te nemen, [verweerster 1] om commentaar had moeten vragen en in de uitzending het aantal binnengekomen klachten had moeten afzetten tegen het aantal verkochte puppies en het aantal jaren waarop de klachten betrekking hadden.
bij de wet voorziene beperkingenvoor zover deze
noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, zoals (o.a.) in het belang van de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen en indien is voldaan aan de eisen van
proportionaliteit en subsidiariteit.
voorzienbaarheiden
proportionaliteitvan de schadevergoeding, zodat sprake zou kunnen zijn van een aldus aanvaarde rechtsstrijd, ga ik in het navolgende daar ook op in.
voorzienbaarheidis tevergeefs voorgesteld. Een schadevergoeding vormt volgens het EHRM een beperking in de zin van art. 10 lid 2 EVRM Pro en de hoogte van de schadevergoeding moet aan de hand van objectieve factoren bepaalbaar zijn, omdat zij anders niet voldoet aan de voorzienbaarheidseis (“
prescribed by law”). Het EHRM heeft daarover in
Miloslavsky/Verenigd Koninkrijk [33] overwogen:
prescribed by law [37] . De schadevergoeding is zodoende voldoende objectief bepaalbaar, zodat aan de voorzienbaarheidseis is voldaan [38] .
disproportioneleschadevergoeding levert schending van art. 10 EVRM Pro op. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is de aard en ernst van de opgelegde sanctie of omvang van de schadevergoedingsplicht (de proportionaliteit ervan) een belangrijke factor bij de beoordeling van de redelijkheid van de beperking van de vrijheid van meningsuiting in verband met de vraag of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving [39] . Dit aspect van de art. 10 EVRM Pro-toets speelt (dus) pas na vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding. Voor de beoordeling van de redelijkheid van de opgelegde sanctie is de vraag of de sanctie een “
chilling effect” kan hebben op het gebruik van de vrijheid van meningsuiting [40] . Voorkomen moet worden dat personen ontmoedigd worden om in de toekomst gebruik te maken van hun vrijheid van meningsuiting. Als het EHRM de indruk heeft dat een schadevergoeding dit effect kan hebben, doet de daadwerkelijke hoogte van de schadevergoeding er niet meer zo toe.
Miloslavsky/Verenigd Koninkrijk [46] .
conditio-sine-qua-non-verband bestaat tussen handelingen en de gevorderde schade, kunnen in de schadestaatprocedure aan de orde komen [54] .
in het algemeenwordt bedreven in de jaren
voorafgaandaan de uitzending
geennegatieve invloed heeft gehad op de omzet van [verweerster 1], terwijl dit ook wordt ondersteund door de omzetcijfers. Tros heeft volgens het hof onvoldoende duidelijk gemaakt waarom [verweerster 1] dan, de onrechtmatige daden weggedacht, vanaf medio 2004
wellast zou hebben gehad van die media-aandacht. Ook ziet het hof in het door Tros overgelegde (Horatio-)rapport, zonder nadere, maar ontbrekende, toelichting geen duidelijke aanwijzing dat vanaf 2002 sprake is van een dalende lijn in de verkoop van rashonden, terwijl ook niet is gebleken dat de prijzen van puppies door die media-aandacht zijn gedaald. Dat is een feitelijke waardering. Aan de door Tros genoemde “algemene aandacht (…) voor de wijze waarop de hondenhandel door [verweerster 1] in het bijzonder wordt bedreven” in de periode 2003 tot en met heden, is het hof in rov. 2.12 voorbijgegaan, omdat het hof niet duidelijk is geworden op welke media-aandacht wordt gedoeld en Tros dat niet nader heeft toegelicht. In dat verband wijst het hof ook nog op de niet weersproken verklaringen die [verweerster 1] met betrekking tot haar reputatie heeft overgelegd en de onweersproken stelling dat [verweerster 1] nooit klachten heeft ontvangen over haar werkwijze van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming. Van onbegrijpelijkheid lijkt mij geen sprake.
algemeneen de
bijzonderemedia-aandacht en de slotsom in rov. 2.13 van het eindarrest dat voor de periode medio 2004-2008 geen andere aannemelijke schadefactoren zijn vastgesteld dan de onrechtmatige daden van Tros. Ook deze klacht is dus niet terecht.
voorafgaandaan de Radar-uitzending bij haar geen daling van de omzet tot gevolg had. Deze stelling is door Tros niet (meer) betwist en vond volgens het hof steun in de omzetcijfers voorafgaand aan de betreffende uitzending (vgl. de omzetcijfers in rov. 2.10 van het eindarrest). Het oordeel van het hof is zodoende niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Bovendien blijft staan dat Tros niet heeft kunnen ontzenuwen dat na medio 2004 (dus na de Radar uitzending) sprake is geweest van door [verweerster 1] ondervonden hinder van die uitzending en haar follow-up, met dalende omzet tot gevolg.