Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
pro se. Het Hof achtte het hogere beroep van de Inspecteur daarom gegrond. De belanghebbende heeft daartegen cassatieberoep ingesteld. De Staatssecretaris heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Hij meent dat het Hof ten onrechte geoordeeld heeft dat belanghebbendes werkzaamheden voor de scheepsmakelaar direct samenhingen met scheepsexploitatie. De belanghebbende acht dat beroep niet-ontvankelijk omdat de Inspecteur dat standpunt reeds in eerste aanleg ondubbelzinnig heeft prijsgegeven.
nietdirect samen met de scheepsexploitatie (omdat ze – volgens het Hof – niet in ‘eigen beheer’ zijn verricht), ofwel zij hingen daarmee wél direct samen, hetgeen – anders dan het Hof heeft geoordeeld – ‘eigen beheer’ veronderstelt.
pro se, dus juist buiten haar medevennoten in de CV zou hebben opgetreden. Juist het feit
datde vennoten deze afspraak maakten, impliceert dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, de provisie in beginsel aan de CV toekwam. Over iets waarop de CV geen aanspraak kan maken, kunnen de maten in die CV immers geen verdelingsafspraken maken.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
commissionad € 56.250 (1% van de koopsom) in rekening gebracht voor haar werkzaamheden ten behoeve van de verkoop.
“Verweerder (de Inspecteur, Hof) betwist de door eiseres (belanghebbende, Hof) beschreven werkzaamheden en de daarvoor ontvangen vergoeding op zichzelf niet en ook niet dat deze werkzaamheden op zichzelf direct samenhangen met de exploitatie van het schip. Verweerder (...) betwist wel dat die werkzaamheden onder de reikwijdte van het tonnageregime vallen omdat eiseres (…) de werkzaamheden niet in haar hoedanigheid van commanditair vennoot heeft verricht.”Indien en voor zover de Inspecteur in hoger beroep wenst terug te komen op zijn in eerste aanleg reeds ondubbelzinnig prijsgegeven standpunten, staat hem dat niet vrij (vgl. HR 10 december 2010, nr. 09/05017, ECL:NL:HR:2010:BQ6786).”
pro se:
werkzaamhedendirect samen met de scheepsexploitatie, maar niet de
winstuit die werkzaamheden, omdat de belanghebbende de werkzaamheden niet als commanditair vennoot in de CV heeft verricht:
3.Het geding in cassatie
pro seen commandiet – nu een besloten CV transparant is voor de heffing van de vennootschapsbelasting en de scheepsexploitatie en het resultaat daarvan rechtstreeks aan de vennoten wordt toegerekend. Als de werkzaamheden waarvoor de verkoopprovisie is ontvangen direct samenhangen met de scheepsexploitatie – zoals het hof heeft vastgesteld – dan hangt ook die verkoopprovisie daarmee direct samen, zodat zij onder de tonnageregeling valt. De belanghebbende acht ’s Hofs andersluidende conclusie onbegrijpelijk. Dat de verkoopprovisie niet is verwerkt in de winst- en verliesrekening van de CV en dus geen deel uitmaakt van belanghebbendes aandeel in de CV-winst acht zij fiscaal irrelevant en daarom als motivering onbegrijpelijk, nu zij één en dezelfde belastingplichtige is. Het is volgens de belanghebbende in de scheepvaartbranche gebruikelijk dat één van de vennoten zich met de verkoop van een schip bezighoudt. De verkoopprovisie is niet via de CV gelopen omdat zij dan aan alle vennoten zou zijn toegekomen overeenkomstig hun belang. In plaats van een van de normale winstverdeling afwijkende verdeling van de provisie af te spreken, hebben de vennoten afgesproken de provisie rechtstreeks aan de belanghebbende te laten toekomen. ’s Hofs oordeel dat dit niet meebrengt dat de provisie aan de CV toekwam, acht de belanghebbende onbegrijpelijk, gegeven de fiscale transparantie van de CV, waardoor fiscaalrechtelijk niets aan de CV toekomt: fiscaal is niet de CV, maar zijn uitsluitend de vennoten gerechtigd tot de resultaten. Fiscaal gezien, kunnen alleen de vennoten het schip exploiteren en kunnen alleen de vennoten – ieder voor zichzelf – opteren voor de tonnageregeling; niet de CV. ’s Hofs overweging dat de CV het schip zou exploiteren, is, gegeven de fiscale transparantie van de CV, onjuist. Nu de belanghebbende geen professioneel makelaar of bemiddelaar is, heeft zij haar verkoopwerkzaamheden fiscaalrechtelijk dus uitsluitend in haar hoedanigheid van voor de tonnageregeling opterende commanditaire scheepsexploitant verricht.
pro seen scheepsexploitant zou er volgens de belanghebbende toe leiden dat ook indien het schip in één hand is, die ene hand in geval van verkoop gesplitst zou moeten worden in een exploitant-hoedanigheid (tonnageregeling) en een
pro sehoedanigheid voor de verkoopwerkzaamheden (geen tonnageregeling). Die uitleg is onjuist, want in strijd met de wetsgeschiedenis, die de verkoop van het schip ondubbelzinnig onder de tonnageregeling plaatst. U oordeelde in HR
BNB2007/192 [3] dat de bouw van een schip niet direct samenhing met de exploitatie ervan, maar de vergoeding voor de bouwwerkzaamheden wel in mindering kon worden gebracht op de aanschafkosten van het schip. In dat arrest maakte u geen onderscheid tussen de hoedanigheden van de belanghebbende als commandiet en
pro se.
pro seheeft ontvangen feitelijk en niet onbegrijpelijk en daarom in cassatie onaantastbaar.
(…) Voorts wordt tot de direct samenhangende werkzaamheden gerekend het vervreemden van zaken voor zover die door de belastingplichtige bij de exploitatie zijn gebruikt.”De werkzaamheden betreffende het vervreemden vallen derhalve wel binnen het bereik van het tonnageregime.”
Direct met zeeschipexploitatie samenhangende werkzaamheden (art. 3.22(4)(c) Wet IB 2001)
5.Het Europese staatssteunkader
6.Jurisprudentie
BNB2006/41 [22] oordeelde u dat het Hof Amsterdam [23] op goede gronden een juiste beslissing had genomen. Die beslissing hield in dat de winst uit onderneming van een belastingplichtige die zeeschepen exploiteert niet geheel wordt vervangen door op tonnagegrondslag berekende winst. De belanghebbende hield liquide middelen aan voor de aanschaf van een nieuw schip, alsmede beleggingstegoeden als werkkapitaal of voor toekomstig onderhoud aan het schip; de rentebaten wilde zij onder de tonnageregeling brengen. Het Hof verwierp dat standpunt:
BNB2007/192 [24] betrof een vergoeding aan een scheepsbouwer ad ƒ 630.000 (€ 285.882) voor projectontwikkeling, bouwbegeleiding en bouwafname in de bouwfase. Die vergoeding leidde volgens mijn voormalig ambtsgenoot Overgaauw tot
BNB2012/225 [25] betrof een belanghebbende die een beloning ontving voor het bijeenbrengen van kapitaal voor scheepvaart-cv’s. U oordeelde dat die beloning niet onder het tonnageregime viel:
BNB2014/192 [26] betrof onder meer de vraag of onder de tonnageregeling vielen (i) het verschil tussen de kostprijs van een schip en de prijs waartegen het werd ingebracht in een scheepvaart-CV, en (ii) de beloningen voor het vinden van participanten, het opstellen van het CV-contract, het plaatsen van participaties en het gebruiksklaar maken van het schip. Het Hof had geoordeeld dat deze werkzaamheden niet direct samenhingen met de exploitatie van het zeeschip. U liet dat oordeel in stand:
7.literatuur
8.Behandeling van de middelen
pro se. Op basis daarvan onderscheidt het Hof voorts de
werkzaamheden(die volgens hem direct samenhangen met de scheepsexploitatie) van de
winstuit die werkzaamheden (die volgens hem niet direct daarmee samenhangt omdat de scheepsexploitant (de CV) die werkzaamheden niet zelf – in eigen beheer – heeft verricht, maar aan de belanghebbende heeft overgelaten). Volgens de belanghebbende bestaan die onderscheiden echter niet omdat (i) de CV voor de vennootschapsbelastingheffing niet bestaat, althans onzichtbaar is, zodat er voor de toepassing van de tonnageregeling geen onderscheid bestaat tussen de belanghebbende en de belanghebbende, (ii) belanghebbendes werkzaamheden ook volgens het Hof wel degelijk rechtstreeks samenhangen met de
exploitatievan het schip, zodat het resultaat daarvan wel degelijk aan de exploitant-belanghebbende is toegekomen.
de CVde reder/scheepsexploitant en kan de belanghebbende daarom alleen via de CV als exploitant in eigen beheer handelen. Dit oordeel impliceert dat de belanghebbende nog een
tweedeexploitanthoedanigheid heeft naast die van CV-participant. De werkzaamheden zijn volgens het Hof immers
nietals commandiet verricht, maar
welin directe samenhang met scheepsexploitatie; dan moet er nog een andere scheepsexploitatie zijn dan als commandiet.
nietdirect samen met scheepsexploitatie. De vraag is of het voor een exploitant zoals de belanghebbende mogelijk is om (wel) rechtstreeks met de exploitatie van het schip samenhangende werkzaamheden te verrichten
andersdan in de hoedanigheid van commanditaire mede-exploitant van datzelfde schip. Als de CV extern een cargadoor contracteert en deze cargadoor vervolgens één der vennoten subcontracteert, worden de cargadoorswerkzaamheden door die vennoot weliswaar voor het eigen schip verricht maar niet ‘in eigen beheer’ in de zin van de boven geciteerde wetsgeschiedenis omdat de cargadoorswerkzaamheden onder het beheer van die externe cargadoor vallen. Ik meen, gezien de boven (in 4.6) geciteerde wetsgeschiedenis, dat de cargadoorswerkzaamheden van die vennoot alsdan niet direct samenhangen met de scheepsexploitatie. Met de belanghebbende (en de Staatssecretaris) meen ik daarom dat ’s Hofs oordeel ofwel niet-begrijpelijk, want innerlijk tegenstrijdig is, ofwel rechtskundig onjuist, gezien de wetsgeschiedenis, die voor de samenhang-kwalificatie immers eigen beheer eist dat volgens het Hof ontbreekt.
daaromom directe samenhang. Eigen beheer en directe samenhang kunnen mijns inziens, anders dan het Hof heeft gedaan, niet uit elkaar worden getrokken, mede gezien de achtergrond van de ‘eigen beheer’-eis: voorkoming van concurrentievervalsing.
pro se, dus juist buiten haar medevennoten in de CV zou hebben opgetreden. Over iets waarop de CV geen aanspraak kan maken, kunnen de vennoten in die CV geen verdelingsafspraken maken. Had de belanghebbende
pro segehandeld, dan had zij juist niets hoeven af te spreken met haar medevennoten over de verkoopprovisie; zij handelde immers
pro se.
kunnenworden verricht, wordt niet in concurrentie getreden met derden. Nu de destijds voorgenomen tonnageregeling mede op basis van de door de Nederlandse regering daarbij gegeven toelichting door de Commissie is goedgekeurd, kan worden aangenomen dat een in eigen beheer door de exploitant genoten provisie op de verkoop van het zeeschip onder de regeling kan vallen zonder EU-rechtelijke vragen op te roepen.