Conclusie
Overzicht
BNB2003/379, over het oude belastingverdrag met België 1970, en HR
BNB2013/72, over het nieuwe verdrag met België 2001, was in geschil of op basis van art. 3(2) van het verdrag (verwijzing naar nationaal recht voor niet-omschreven verdragstermen), onder ‘beloning’ en ‘verkregen’ in de artt. 15 en 16 van die verdragen mede kon worden gevat fictief genoten fictief loon. Volgens HR
BNB2003/379 bestaat ook onder belastingverdragen ruimte voor toepassing van internrechtelijke forfaits of ficties zoals die van art. 12a Wet LB, maar niet als zij de toewijzing van heffingsbevoegdheid kunnen wijzigen zoals die voortvloeit uit het verdrag op basis van de aard van het vooralsnog fictieve en nog te realiseren inkomen. Alsdan vereist de ‘context’ ex art. 3(2) een andere uitleg dan volgens de eenzijdige nationale invulling van de termen ‘beloning’ en ‘verkregen’. U achtte daarom heffing van fictief loon van een inwoner van België onder het 1970-verdrag in strijd met de goede verdragstrouw.
BNB2013/72 daarentegen betrof het 2001-belastingverdrag met België, in werking getreden ná invoering van art. 12a Wet LB (1 januari 1997) en voorzien van een aan beide nationale parlementen verstrekte gezamenlijke artikelsgewijze toelichting die expliciet vermeldt dat Nederland de fictiefloonregeling onder dat verdrag kan toepassen. U kwam in die zaak tot een tegengesteld oordeel, onder meer overwegende dat ‘grote betekenis’ toekwam aan die gezamenlijke toelichting.
BNB2013/72 is er in casu geen gezamenlijke toelichting van de verdragspartners en is er ook overigens niets waaruit enig gemeenschappelijk standpunt kan volgen met betrekking tot de Nederlandse heffing over een gefingeerd bestuurderssalaris.
BNB2013/72 beslissend was: dat het verdrag van ná invoering van de fictiefloonregeling stamde, of dat uit de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting bleek dat België had ingestemd met de toewijzingsverschuivingen die die regeling onder het verdrag kan meebrengen. Het standpunt van de Staatssecretaris in belanghebbendes zaak impliceert dat art. 3(2) OESO-Model meebrengt dat verdragsonderhandelende Staten zich elk zelfstandig op de hoogte moeten stellen van ficties en antimisbruikbepalingen in de belastingwetgeving van de andere Staat die de verdragstoewijzing anders kunnen doen uitvallen dan op grond van de normale betekenis en context van de verdragstermen mag worden verwacht, alsmede dat instemming van de andere Staat verondersteld mag worden als hij de verdragseffecten van dergelijke bepalingen niet aan de orde stelt.
BNB1992/379 ‘grote betekenis’ toe aan het tijdens de verdragsonderhandelingen bestaande officiële commentaar bij dat model. In casu is dus van grote betekenis het commentaar bij art. 3(2) van het OESO-Modelverdrag dat in 1999 vigeerde. Paragraaf 13 van het OESO-commentaar bij art. 3 vermeldt Pro dat (
curs. PJW) “a State should not be allowed to make a convention partially inoperative by amending
afterwardsin its domestic law the scope of terms not defined in the Convention”. In casu is geen sprake van ‘afterwards’, hetgeen de Staatssecretaris doorslaggevend acht. Paragraaf 12 daarentegen legt de nadruk op “the principle of reciprocity” waarop ook u de nadruk legt in r.o. 3.4.4 van HR
BNB2003/379: aan de
permanency of commitments, die in art. 3(2) OESO-Model tot uitdrukking komt in het voorbehoud ‘unless the context otherwise requires’, wordt tekort gedaan als het beginsel van wederkerigheid waarop het Verdrag is gebaseerd, geen fundament meer heeft in de nationale wetgevingen die mede de context vormen waarin het Verdrag moet functioneren. U merkte daarbij op dat de fictiefloonregeling geen equivalent had in de Belgische belastingwetgeving. Ook in casu blijkt niet van een vergelijkbare fictiefloonregeling in de Portugese belastingwetgeving. Ook uit HR
BNB2013/72 volgt dat u “grote betekenis” toekent aan wederkerigheid, in die zaak blijkende uit een gezamenlijke toelichting bij het belastingverdrag.
BNB2011/160 blijkt dat zelfs als een belastingverdrag van kracht is geworden ná internrechtelijke invoering van een genietingsfictie en zelfs als de verdragspartner tijdens de onderhandelingen op de hoogte was van die aanstaande invoering, de fictie daardoor niet automatisch verenigbaar is met de goede verdragstrouw en de verdragscontext als zij kan leiden tot verdragstoewijzing die niet strookt met de toewijzing die voortvloeit uit de aard van het desbetreffende inkomensbestanddeel en de context van de verdragstermen, terwijl niet blijkt dat de verdragspartner daarmee heeft ingestemd.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
BNB2011/160 [8] (zie 5.8 hieronder) en vanwege het ontbreken van een gezamenlijke toelichting zoals die in HR
BNB2013/72 de toepassing van de fictiefloonregeling op een inwoner van Polen onverenigbaar achtte met de goede verdragstrouw en de verdragscontext, ook al bestond de fictiefloonregeling al bij de totstandkoming van het verdrag met Polen. Tussen Nederland en Portugal is evenmin een gezamenlijke toelichting opgesteld waaruit het gezamenlijke standpunt blijkt dat het verdrag niet in de weg staat aan toepassing van art. 12a Wet LB. Enige bedoeling van de verdragsluitende partijen op dat punt kan evenmin worden afgeleid uit het protocol bij het verdrag. De belanghebbende acht Nederland niet bevoegd om ten laste van inwoners van Portugal belasting of premies te heffen over fictief loon.
BNB2011/160 [9] is in casu geen sprake van voorgenomen wetgeving, maar van wetgeving die al geruime tijd voor het sluiten van het Verdrag in werking was.
4.De wet, het belastingverdrag met Portugal en het OESO-Commentaar
Wet op de Loonbelasting 1964
BNB1992/379 (zie 5.1 hieronder) volgt dat het officiële commentaar bij het OESO-Modelbelastingverdrag van ‘grote betekenis’ is bij de uitleg van een bepaling in een belastingverdrag als die bepaling (in haar Engelse tekst) nagenoeg woordelijk overeenstemt met de overeenkomstige bepaling in het tijdens de verdragsonderhandelingen vigerende OESO-Model en in het verdrag zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij het OESO-Modelverdrag. Nu de Nederlandse en de Engelse tekst van art. 3(2) van het belastingverdrag met Portugal woordelijk gelijk luiden aan de officiële Nederlandse vertaling resp. de Engelse tekst van art. 3(2) van het OESO-modelverdrag zoals dat in 1998-1999 luidde en uit de verdragstekst en de Nederlandse toelichting [14] op te maken valt dat aansluiting is gezocht bij het OESO-modelverdrag zoals dat toen luidde, komt bij de uitleg van art. 3(2) van het verdrag met Portugal grote betekenis toe aan het in (de jaren vóór) 1999 vigerende OESO-commentaar. Dat zijn de commentaren 1996 en 1998. De paragrafen 11, 12 en 13 van de 1996 en 1998 Commentaren bij art. 3(2) van het OESO-Modelverdrag luiden:
5.Jurisprudentie
BNB1992/379 [15] overwoog u over de interpretatieve betekenis van het officiële commentaar bij het tijdens de verdragsonderhandelingen vigerende OESO-Modelbelastingverdrag:
BNB2003/379, HR
BNB2003/380 en HR
BNB2003/381, [16] alsmede in een arrest van tien jaar later, HR
BNB2013/72. [17] HR
BNB2003/380 [18] betrof een fictieve pensioenafkoop ex art. 11c Wet LB (nu art. 19b Wet LB) ten laste van een inwoner van Singapore; in de andere arresten was in geschil of de loonfictie ex art. 12a Wet LB doorwerkt naar art. 15 (loon) c.q. 16 (directeursbeloningen) van het belastingverdrag met België in die zin dat Nederland heffingsbevoegd was ter zake van fictief loon dat geacht werd genoten te zijn door een inwoner van België. HR
BNB2003/379 en HR
BNB2003/381 betroffen het oude belastingverdrag (1970) met België; HR
BNB2013/72 het nieuwe (2001).
BNB2003/379 [19] (HR
BNB2003/381 was vergelijkbaar) betrof een Nederlandse vennootschap met een in België wonende directeur/grootaandeelhouder (dga). Omdat ter zake van diens in Nederland verrichte werkzaamheden voor de vennootschap geen beloning was toegekend, nam de inspecteur ex art. 12a Wet LB een fictief loon in aanmerking ad ƒ 150.000. In geschil was of het belastingverdrag met België 1970 in de weg stond aan Nederlandse heffing over dat fictieve loon. Bij gebrek aan omschrijving in het verdrag van de in art. 15 en Pro 16 gebruikte termen “salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door” respectievelijk “tantièmes, prestatiegelden en andere beloningen verkregen door”, interpreteerde het Hof deze begrippen op grond van art. 3(2) van het Verdrag weliswaar in beginsel naar de betekenis die zij volgens de Nederlandse fiscale wetgeving hadden op het moment van verdragstoepassing, maar maakte het een uitzondering voor het geval een verdragsluitende Staat door de betekenis van niet-omschreven uitdrukkingen in het nationale recht te wijzigen het verdrag deels buiten werking zou stellen. Het Hof oordeelde dat toepassing van de fictiefloonregeling onder bestaande verdragen dat effect had en tot dubbele belasting zou leiden in strijd met doel en strekking van het Verdrag. Het Hof oordeelde dat het fictieve loon daarom niet onder de artt. 15 en 16 van het Verdrag 1970 viel en dat het heffingsrecht blijkens de restbepaling (art. 22) was toegewezen aan België.
BNB2003/379:
BNB2005/233 [20] betrof een dga en diens pensioen-BV die beiden naar België verhuisden, waarop de Inspecteur de waarde per 1 oktober 1996 van de pensioenaanspraak tot het loon van de dga rekende. U achtte dat in strijd met de goede verdragstrouw omdat Nederland aldus poogde de verdragskwalificatie van iets dat naar zijn aard pensioen was, om te kwalificeren naar loon. De desbetreffende nationale wet was in 1994 ingevoerd; het toepasselijke verdrag stamde uit 1970. U overwoog:
Stb.927, is een aantal bepalingen in de Wet LB ingevoerd, waaronder artikel 11c, lid 1, letter a. De regeling komt er op neer dat ingeval een handeling tot gevolg heeft dat een pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken, op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het tijdstip waarop die handeling geschiedt, de (waarde van de) pensioenaanspraak tot het (belastbare) loon gaat behoren als loon uit een vroegere dienstbetrekking. De bedoeling van de wetgever is dat daardoor de (waarde van de tot dan opgebouwde) pensioenaanspraak, ook in het geval de werknemer niet in Nederland woont, door Nederland in de belastingheffing kan worden betrokken.
BNB 2003/380). De toepassing van artikel 11c, lid 1, letter a, van de Wet LB in het onderhavige geval - een verdragssituatie - dient derhalve als strijdig met het bepaalde in artikel 18 van Pro het Verdrag achterwege te blijven.”
BNB-noot gaat Kavelaars in op toepassing van verdragen die onderhandeld zijn ná de invoering van potentieel verdragskwalificatiewijzigende internrechtelijke bepalingen:
Verdragstoepassing/goede trouw
BNB2013/72 [21] betrof een orthodontistenpraktijk in Nederland met een in België wonende bestuurder en middellijk enig aandeelhouder. Van de praktijk werd over € 77.017 fictief loon ex art. 12a Wet LB nageheven. Anders dan in HR
BNB2003/379 was inmiddels, sinds 1 januari 2003, het nieuwe belastingverdrag met België (2001) van toepassing. Opnieuw was in geschil of het verdrag in de weg stond aan toepassing van de fictiefloonregeling. Bij het nieuwe verdrag is een gezamenlijke artikelsgewijze toelichting opgesteld en aan beide parlementen voorgelegd, die – voor zover hier relevant – luidt: [22]
BNB2003/379 en HR
BNB2003/381:
FED2013/4 bij dit arrest aan:
V-N2012/57.11 aan:
BNB2011/160 [24] ging onder meer over de vraag of een conserverende aanslag ter zake van pensioenrechten van een emigrant onder het nieuwe belastingverdrag met België in strijd was met de goede verdragstrouw. U achtte conservering op zichzelf toegestaan omdat sommige post-emigrationele besmette handelingen tot heffingsrecht voor de bronstaat Nederland zouden leiden, maar merkte op dat de Ontvanger niet zou mogen invorderen als het heffingsrecht naar aanleiding van zo’n handeling aan de woonstaat België zou toekomen. U achtte niet van belang dat België ten tijde van het sluiten van het nieuwe belastingverdrag op de hoogte was van de – toen nog voorgenomen – conserveringswetgeving en evenmin dat het nieuwe verdrag pas van kracht was geworden na inwerkingtreding van de Nederlandse conserveringswetgeving:
BNB2011/160 meent Kavelaars niettemin dat deze benadering nuancering behoeft (voetnoten niet overgenomen):
6.(Andere) commentaren
recycleik eerst een deel van de conclusie voor HR
BNB2003/379:
C. Art. 3, lid 2: verwijzing naar nationaal recht; dynamische interpretatie; de “context” van het verdrag; verhouding tot art. 31 Weens Pro Verdragenverdrag
Committee on Fiscal Affairsvan de OESO meende [26] dat reeds min of meer
communis opiniowas dat bij interpretatie van niet-gedefinieerde verdragstermen raadpleging van het nationale recht ten tijde van de verdragstoepassing (“i.e. when the tax is imposed”) de voorkeur heeft boven raadpleging van het recht ten tijde van de verdragsluiting, en heeft de Modeltekst aangepast “to make this point explicitly”.
interpretative mutual agreementprocedure) en (ii) het voorzien in niet-voorziene gevallen (art. 25, lid 3, tweede volzin, OESO-Model; de zgn.
legislative mutual agreementprocedure). Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel inzake de fiscale behandeling van pensioenen [32] is in de Eerste Kamer de vraag gesteld hoe verdragspartners reageren op het Nederlandse standpunt dat nationaalrechtelijke ficties op grond van dynamische interpretatie in aanmerking moeten worden genomen bij de verdragskwalificatie van inkomsten. De regering antwoordde: [33]
mismatchesoptreden en dubbele belasting ontstaat.
BNB2003/379; PJW] (zie r.o. 3.3. van het arrest) voor de uitlegmethode expliciet verwezen naar art. 3, tweede lid, OESO waaraan in overeenstemming met die bepaling wordt aangegeven dat de desbetreffende termen dynamisch moeten worden uitgelegd. Een dergelijke dynamische interpretatie vindt echter haar grens indien een verdragsstaat een verdrag deels buiten werking stelt door wijziging van termen in het nationale recht die in het verdrag niet worden gedefinieerd te wijzigen. Daarvan is met de fictiefloonbepaling van art. 12a Wet LB 1964 sprake hetgeen leidt tot een onaanvaardbare dubbele heffing. De Hoge Raad sluit zich in essentie bij die benadering aan maar vermeldt daarbij wel expliciet dat een interpretatie met behulp van art. 3, tweede lid, OESO niet op voorhand het gebruik van ficties en forfaits uitsluit. Ook de Hoge Raad geeft daarbij in navolging van het hof aan dat dit evenwel niet zo ver mag gaan dat daardoor de heffingsbevoegdheid van de andere staat wordt verschoven naar Nederland. Tevens is relevant dat op dit punt reeds voldoende is dat de fictie een (gedeeltelijke) verschuiving met zich kan brengen.
BNB2003/380; PJW] is ten aanzien van pensioenafkoop een identieke beslissing genomen. Een dergelijke afkoop wordt naar Nederlands recht aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking, terwijl het desbetreffende verdrag pensioenafkoop als (soortgelijk aan) pensioen kwalificeert. Wel is de motivering hier in die zin enigszins anders doordat de Hoge Raad zich beroept op het eergenoemde art. 31 Verdrag Pro van Wenen. De goede verdragstrouw brengt met zich dat een toewijzingsregel in het verdrag waarbij de heffing exclusief aan een van de lidstaten wordt toegewezen niet kan worden uitgehold of ontgaan door het opnemen van een daartoe strekkende bepaling in de wetgeving van de andere staat. Het laat zich naar het oordeel van de commissie niet goed verklaren op grond waarvan in het ene arrest een beroep wordt gedaan op art. 3, tweede lid, OESO terwijl in het andere arrest art. 31 Verdrag Pro van Wenen wordt ingeroepen. Temeer nu de beoordelingen de facto identiek zijn. Wel is het opvallend dat in arrest 37 657 de Hoge Raad spreekt over het door een verdragsstaat – in casu Nederland – ontgaan van het verdrag. In HR 18 juni 2004, 39 385, BNB 2004/314 is de hiervoor uiteengezette lijn eveneens toegepast op fictieve rente. Toentertijd was de fictieve rente geregeld in art. 24, vierde lid, Wet IB 1964; het daarvoor de facto in de plaats getreden art. 3.92 Wet IB 2001 kan naar het oordeel van de commissie niet als zodanig worden gekwalificeerd nu dit geen fictie betreft. In BNB 2004/314 volgt de Hoge Raad de lijn zoals die uiteen is gezet in meergenoemd arrest BNB 2003/379, dat wil zeggen dat aansluiting wordt gezocht bij art. 3, tweede lid, OESO. Ook overigens sluit de motivering naadloos aan bij meergenoemde jurisprudentie.
BNB2007/41;PJW]. [39] Het is alleen jammer dat de Hoge Raad zich hier geheel niet over uitlaat. Overigens is een beoordeling of sprake is van een voordeel ten gunste van de belastingplichtige wellicht niet steeds even gemakkelijk te maken, bijvoorbeeld omdat het reeds de vraag is of het erom gaat dat de belastingplichtige daadwerkelijk wordt bevoordeeld of dat reeds voldoende is dat heffingsbevoegdheid verschuift ten gunste van het andere land dan dat de fictie heeft ingevoerd. De commissie veronderstelt dat de laatste visie de juiste is, hetgeen ook aansluit bij de beoordeling van de Hoge Raad dat het erom gaat dat reeds voldoende is dat de heffingsbevoegdheid zou kunnen verschuiven ten nadele van de andere staat.”
escapeis voor het geval de interpretatie van niet-omschreven verdragstermen op basis van de wetgeving van de verdragsluitende staat die het verdrag toepast tot een onjuist of onwenselijk resultaat zou leiden. Hij liet optekenen:
BNB2003/379; PJW] zou afgeleid kunnen worden dat dit wel kan, omdat er geen sprake is van een eenzijdige posterieure wijziging van de Nederlandse nationale wetgeving. Echter, door in het onderhavige arrest zo nadrukkelijk in te gaan op de toelichting bij het verdrag, zou ook verdedigbaar kunnen zijn dat indien een toelichting bij een verdrag ontbreekt, de ficties en forfaits niet zonder meer doorwerken onder de belastingverdragen, ook al bestonden die al ten tijde van het afsluiten van het betreffende belastingverdrag. Ik voel zelf meer voor de eerste lezing. Op het moment dat ficties ten tijde van het overeenkomen van een belastingverdrag in de nationale wet zijn opgenomen, hebben de verdragsluitende staten er kennis van kunnen nemen. In dergelijke situaties zou naar mijn mening de forfaits en ficties gewoon onder de toepassing van het betreffende verdrag moeten vallen.”
BNB2011/160 en HR
BNB2013/72) uit van het standpunt dat de Staatssecretaris thans inneemt: [42]
7.Toepassing; beoordeling van middel (ii)
BNB2003/379 (zie 5.3) hield in dat er weliswaar ook onder belastingverdragen ruimte bestaat voor toepassing van nationaal-wettelijke forfaits of ficties zoals die van art. 12a Wet LB, maar niet als zij de – naar de aard van het desbetreffende (fictieve) inkomensbestanddeel bepaalde – toewijzing van heffingsbevoegdheid kunnen wijzigen. Alsdan vereist de ‘context’ ex art. 3(2) anders dan eenzijdige nationale invulling van de termen ‘beloning’ en ‘verkregen’. U achtte daarom heffing over feitelijk niet genoten fictief loon ten laste van een inwoner van België onder het eerder gesloten verdrag in strijd met de goede verdragstrouw. Een eenzijdige posterieure wijziging van nationale wetgeving die geen equivalent heeft in de nationale wetgeving van de andere Staat kan niet een verschuiving in de verdeling van heffingsbevoegdheid legitimeren.
BNB2013/72 (zie 5.6) daarentegen betrof het 2001-belastingverdrag met België (van toepassing vanaf 1 januari 2003), dat stamt van ruim ná invoering van het litigieuze art. 12a Wet LB (1 januari 1997) en ter zake waarvan aan de beide nationale parlementen een gezamenlijke artikelsgewijze van de regeringen was verstrekt. U kwam in die zaak tot een tegengesteld oordeel, onder meer overwegende dat ‘grote betekenis’ toekwam aan die gezamenlijke artikelsgewijze toelichting, die expliciet inhield dat de fictiefloonregeling van art. 12a Wet LB onder dat verdrag kan worden toegepast.
BNB2013/72 is er geen gezamenlijke toelichting van de verdragspartners en is er ook overigens niets waaruit enig gemeenschappelijk standpunt kan volgen met betrekking tot de toepassing van eenzijdige ficties, met name de Nederlandse heffing over fictief loon.
BNB2013/72, met name over de vraag wat in die zaak de doorslag gaf: (i) dat het verdrag van later datum was dan de fictiefloonregeling of (ii) de ‘grote betekenis’ die toekomt aan een aan beide parlementen voorgelegd gezamenlijk standpunt van de verdragssluiters over de toepassing van nationaalrechtelijke ficties die de verdragstoewijzing anders kunnen doen uitvallen dan op grond van de aard van het nog te realiseren inkomensbestanddeel mag worden verwacht. Het standpunt van de Staatssecretaris impliceert dat art. 3(2) OESO-Model meebrengt dat verdragsonderhandelende Staten zich elk zelfstandig op de hoogte moeten stellen van mogelijke verdragstoewijzingsbeïnvloedende ficties en antimisbruikbepalingen in de belastingwetgeving van de andere Staat en dat op dit punt geen precontractuele informatieplicht bestaat, laat staan een vereiste van instemming. De vraag rijst dus of – ook als de talen van de nationale onderhandelaars wederzijds ontoegankelijk zijn en het verdrag daarom mede in een derde authentieke taal luidt (veelal het Engels; zoals ook in casu) – de verdragspartner bekend verondersteld mag worden met de (volledige) ten tijde van de verdragssluiting geldende nationale wetgeving op het gebied van de belastingen waarop het verdrag ziet, inclusief eventuele verdragstoewijzingsbeïnvloedende ficties, én geacht mag worden met hun toewijzingseffecten in te stemmen als hij die niet – voor de latere verdragstoepassers zichtbaar - aan de orde stelt.
alhet inkomen dat niet onder één van de andere inkomenstoewijzingsbepalingen valt. U vermeed echter ook het restartikel. Ik neem aan dat u wilde voorkomen dat eenzijdige ficties zoals art. 12a Wet LB wél tot toewijzing aan Nederland zouden leiden als het toepasselijke belastingverdrag toevallig geen restartikel bevat. Het daartoe door u aangevoerde argument dat een fictie “geen inkomsten te voorschijn (doet) komen die vatbaar zijn voor belastingheffing door [de] woonstaat” geldt echter voor alle toewijzingsbepalingen, zodat het niet kan verklaren waarom het restartikel niet van toepassing is, hoewel art. 10 of Pro 13 of 15 of 16 (potentieel) wél van toepassing zou zijn. Als iets niet voor heffingstoewijzing aan de woonstaat vatbaar is, is het per definitie onder geen enkele toewijzingsbepaling aan die Staat toewijsbaar. Het argument dat een fictie geen inkomsten creëert die vatbaar zijn voor heffing door de andere Staat leidt juist onafwendbaar tot de slotsom dat ficties onder geen enkele toewijzingsbepaling vallen en de fingerende Staat dus zijn gang kan gaan zonder zich om het verdrag te bekommeren. Het is duidelijk dat u dat niet wilde, maar het (gewenste) resultaat en de rechtskundige redenering ernaartoe stroken mijns inziens niet met elkaar. De stelling dat een fictie geen inkomsten creëert die vatbaar zijn voor heffing door de andere Staat lijkt mij overigens voor bestrijding vatbaar als die andere Staat er in zijn wetgeving dezelfde fictie op na houdt.
BNB1992/379 ‘grote betekenis’ toe aan het tijdens de verdragsonderhandelingen bestaande officiële commentaar bij dat model. Dat brengt in casu mee dat van grote betekenis is het commentaar bij art. 3(2) van het OESO-Modelverdrag 1996 dat voor de betekenis van niet-omschreven verdragstermen verwijst naar nationaal (belasting)recht. Paragraaf 13 vermeldt dat (
curs. PJW) “a State should not be allowed to make a convention partially inoperative by amending
afterwardsin its domestic law the scope of terms not defined in the Convention”. Zoals het Hof overwoog, is in casu geen sprake van ‘afterwards’.
BNB2003/379 (r.o. 3.4.4): aan de
permanency of commitments, die in art. 3(2) OESO-Model tot uitdrukking komt in het voorbehoud ‘tenzij de context anders vereist’, wordt tekort gedaan als het beginsel van wederkerigheid waarop het Verdrag is gebaseerd, geen fundament meer heeft in de nationale wetgevingen die mede de context vormen waarin het Verdrag moet functioneren. U merkte op dat de fictiefloonregeling geen equivalent had in de Belgische belastingwetgeving. In casu is niet gesteld of gebleken dat zich een vergelijkbare fictiefloonregeling in de Portugese wetgeving ophield. Raadpleging van het
European Tax Handbook/
IBFD Country Surveys [45] leidt evenmin tot enige aanwijzing dat Portugal er een dergelijke regeling op na hield of houdt. Ook uit HR
BNB2013/72 volgt dat u “grote betekenis” toekent aan wederkerigheid, in die zaak blijkende uit een gezamenlijke toelichting bij het belastingverdrag, waaruit volgde dat ook al had België geen vergelijkbare fictie, er kennelijk voor België iets anders tegenover de Nederlandse fictietoepassing stond.
BNB2011/160 (zie 5.8) ten slotte, leert dat ook al is een belastingverdrag van kracht geworden ná internrechtelijke invoering van een genietingsfictie en was de verdragspartner tijdens de onderhandelingen op de hoogte van die aanstaande invoering, die fictie daarmee niet automatisch verenigbaar is met de goede verdragstrouw en de verdragscontext als zij kan leiden tot verdragstoewijzing die niet strookt met de toewijzing zoals die voortvloeit uit de aard van het desbetreffende inkomensbestanddeel en de normale betekenis en context van de verdragstermen. De Staatssecretaris acht dat arrest en de daarop gebaseerde, boven (5.7) geciteerde uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in casu niet maatgevend omdat in casu geen sprake is van voorgenomen wetgeving maar van wetgeving die al geruime tijd voor het sluiten van het Verdrag in werking was getreden. Ik zie echter niet waarom of hoe het zou uitmaken dat de verdragspartner op de hoogte was van
reeds geldendeof van
bijna geldendenationale ficties. Ik leid uit het arrest af dat in geval van eenzijdige ficties die de heffingstoewijzing volgens de normale verdragscontext kunnen wijzigen, de verdragspartner daarvan niet alleen op de hoogte moet zijn, maar ook rechtens relevant moet hebben doen blijken (dus minstens in zijn eenzijdige toelichting aan zijn parlement) in te stemmen met die potentiële wijziging in verdragstoewijzing en de daaruit mogelijk resulterende dubbele belasting, die niet past in de normale (OESO-)context van een belastingverdrag. Ik merk op dat het European Tax handbook/de IBFD Country Survey voor Nederland in 1999 geen melding maakte van de Nederlandse fictiefloonregeling. [46]