Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2.1klaagt dat het oordeel in rov. 4.1 – 4.5 dat de man in zijn verzoek niet ontvankelijk is, rechtens onjuist althans onvoldoende gemotiveerd is.
Onder Iis deze klacht nader uitgewerkt: volgens de man heeft het hof in rov. 4.1 – 4.2 de regel miskend dat zodra de verwekker via zijn advocaat te kennen heeft gegeven dat hij het kind wil erkennen, de moeder slechts voorwaardelijk haar toestemming tot erkenning kan verlenen aan een andere man. De klacht
onder II, gericht tegen rov. 4.3 en 4.4, bouwt voort op de eerste klacht.
Onder IIIklaagt de man, samengevat, dat het hof bovendien heeft miskend dat art. 1:204 lid 3 BW Pro, voor zover hier van belang, een regeling bevat die betrekking heeft op de biologische vader die van de moeder geen toestemming krijgt om het kind te erkennen. Dit betekent, volgens de klacht, dat in het – volgens hem zich hier voordoende − geval dat de moeder de man bewust tot een bepaalde datum op uitsluitsel laat wachten omdat zij stelt eerst juridisch advies te willen inwinnen, niet aan de man kan worden tegengeworpen dat hij het inleidend verzoekschrift eerder had moeten indienen, op straffe van niet-ontvankelijkheid in zijn verzoek.
onderdeel 2.4mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten.