Conclusie
1.Feiten
Oorzaak/Onderzoek politie
6.Samenvatting en conclusie
Kort voor het vertrek van meerdere medewerkers en [eiser 4] bleek de verlichting in het magazijn, blijkens de afgelegde verklaringen, niet meer ingeschakeld te zijn. Ook werd toen geen bijzondere geur waargenomen.
2.Procesverloop
I. Kunt u, na onderzoek van alle door partijen beschikbaar gestelde onderzoeksresultaten en overige bescheiden, die zicht (kunnen) geven op de oorzaak en het ontstaan van de brand, zo concreet mogelijk aangeven wat naar uw deskundig oordeel de oorzaak is geweest van het ontstaan van de brand op 31 maart 2008 in het magazijn achter de kledingzaak van Leerfashion?
ontstaansgebied I) heeft zich aantoonbaar niet in de richting van het kelderluik uitgebreid en ter plaatse van het kelderluik worden geen sporen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met een verticale branduitbreiding naar de ondergelegen kelderruimte (
ontstaansgebied II). Het ontbreken van deze sporen leidt naar de conclusie dat hier sprake is van twee separate brandhaarden welke elkaar niet kunnen hebben ingeleid of beïnvloed en waarbij een elektrische of mechanische oorzaak geheel kan worden uitgesloten. Derhalve moeten de beide brandhaarden het gevolg zijn van menselijk handelen in casu dat hier sprake is van brandstichting waarbij het verplaatsen van de (ingeschakelde) bouwlamp kan duiden op het bewust achterlaten van een ontstekingsbron naar het
ontstaansgebied Ikennelijk werd daarmee een vertraagde ontsteking beoogd.
De gevaarzetting van een bouwlamp is op grond van de resultaten van de door mij uitgevoerde proefnemingen vastgesteld. Gebleken is dat brandgevaar ontstaat als een ingeschakelde bouwlamp op minder dan 20 cm van een brandbare omgeving wordt geplaatst. Acuut brandgevaar ontstaat als warmte niet of onvoldoende aan de omgeving kan worden afgegeven en een proces van warmtestuwing opgang kan komen.
Het door Vos ter beschikking gestelde beeldmateriaal toont locale brandschade in magazijn II ontstaan aan een rugleuning en zitting van een bureaustoel en de bovenzijde van een bureau(legger): volgens Vos het gevolg van stralingswarmte (4.1.5 van dit deskundigenbericht). Dit brandbeeld is ook terug te vinden op een overzichtfoto van [A] , foto 19. Op deze opname is duidelijk zichtbaar dat in een ruim gebied rondom de stoel en het bureau geen vuurschade is ontstaan zodat stralingswarmte als oorzaak naar mijn oordeel kan worden uitgesloten.
. [A] -foto 49 toont dat [A] ten behoeve van het onderzoek slechts een klein deel van de vloerbedekking heeft verwijderd: duidelijk is hier de rand van het luik zichtbaar. Ter verduidelijking heb ik in de foto’s (bij benadering) het ontstaansgebied I en de locatie van het kelderluik aangegeven (foto 7).
I) ter linkerzijde van het kelderluik. Zichtbare branduitbreiding in de richting van het kelderluik ontbreekt en de vloerbedekking ter plaatse van het kelderluik lijkt nog intact.
zich niet in de richting van het kelderluik heeft uitgebreid (foto 8).
separate brandhaarden betreffen welke elkaar niet hebben ingeleid of beïnvloed.
) is sprake van enige roetafzetting zonder dat hier vuurschade is ontstaan hetgeen naar mijn oordeel duidt op een brand met een laag vlambed welke zich heeft beperkt tot de zakken en het kunststof tafelblad. (foto 14).
geen elektrische of mechanische oorzaak voor het ontstaan van de brand aanwezig was. In het gesprek dat ik had met [eisers 2 en 4] bevestigden zij het ontbreken van dergelijke ontstekingsbronnen.’
de kunststoffen en ander brandbaar materiaal ter hoogte van de stoel en het bureau(blad) in magazijn II niet zijn aangetast, hetgeen wel het geval zou zijn geweest indien sprake zou zijn geweest van stralings- en convectiehitte zoals Leerfashion c.s. betogen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
- dat er geen sprake is geweest van brandstichting en een separate brandhaard in de kelder, maar dat er in de kelder hoofdzakelijk smeltprocessen hebben plaatsgevonden zonder vuurbelasting in de kelder;
- dat er geen sprake is geweest van brandstichting en een separate brandhaard in magazijn II, maar dat de schade in magazijn II is ontstaan door stralingswarmte van hete rookgassen;
- dat het door Bolhuis onverklaard gelaten ingekoolde gedeelte aan de bovenkant van de rand van het kelderluik in magazijn I, een door ventilatie van hete rookgassen ontstaan spoor betreft;
- dat aan de door Bolhuis gedane proeven met de bouwlamp gebreken kleven die ertoe leiden dat de uitkomst(en) van die proeven onbetrouwbaar zijn;
- dat de door Bolhuis gemaakte “reconstructie” van de werksituatie in magazijn I onjuist is, omdat het krukje daarbij ten onrechte op het kelderluik is geplaatst;
- dat Bolhuis ondeskundig is op het gebied van brandoorzaakonderzoek;
- dat [eiser 4] zich thuis bevond rond het door Bolhuis afgeleide tijdstip van het ontstaan van de brand kort voor 18.23.50 uur;
- dat geen van de verzekerden brand heeft gesticht, niet in het minst omdat geen van de verzekerden in de gelegenheid was om dit te doen.
- de eerst tijdens de mondelinge toelichting ingenomen stelling van Bolhuis dat een “flashover” (in het Nederlands: vlamoverslag) absoluut voorwaardelijk nodig is voor een verticale doorslag (naar de kelder). Van drs. Vos vernamen Leerfashion c.s. dat die stelling onjuist is;
- de nieuwe (onjuiste) stellingen van Bolhuis ten aanzien van het tweede magazijn over (1) de temperaturen waarbij sporen ontstaan aan kunststof en (2) de uitwerking van de warmteoverdrachtsmechanismen straling, convectie en het onbesproken gelaten mechanisme “geleiding”. Ook daarmee kan, voor zover nodig, worden ontzenuwd dat er sprake is van een zogenaamde “separate brandhaard” in magazijn II;
- de stelling van Bolhuis dat uit te sluiten zou zijn dat de brand in magazijn 2 is ontstaan door stralingshitte;
- dat het brandtechnisch gedrag van plastic (de plastic zakken) bij brand anders is dan Bolhuis heeft gesteld, en dat het in de kelder teruggevonden plastic daarmee met aan vlampluimen (het zogenaamde open vuur van Bolhuis) is blootgesteld. Ook daarmee kan worden ontkracht dat er sprake is van een zogenaamde “separate brandhaard” in de kelder;
- het speculeren dat het ingekoolde gedeelte aan de bovenzijde van de rand van het kelderluik “oude schade” zou “kunnen zijn”. Dit brandspoor was er voor de brand met. Van “oude schade” is geen sprake. Hierover kunnen ook als getuigen worden gehoord, [eiser 2] , [eiser 4] , en [eiseres 3] ;
- de stelling zijdens Zevenwouden dat de lamp is geplaatst op 20 cm afstand van brandbare materialen.”
onder a, samengevat, dat het hof Leerfashion c.s. tot het leveren van het door hen aangeboden (tegen)bewijs had moeten toelaten. Het hof had het bewijsaanbod niet mogen passeren op de grond dat Vos ter zitting van het hof aanwezig is geweest en daar ook is gehoord. De zitting van 1 april 2014 betrof een aanvullend verhoor van de door de rechtbank benoemde deskundige Bolhuis dan wel een comparitie van partijen, waarbij Vos niet als getuige of deskundige is gehoord, en de zaak bevond zich toen nog in de fase van de beoordeling van de vraag of Zevenwouden in het haar opgedragen bewijs was geslaagd.
Het onderdeel klaagt
onder b, samengevat, dat het hof het aanbod tot het leveren van (tegen)bewijs door het horen van Vos als deskundige op de voet van art. 200 lid 1 Rv Pro ook niet mocht passeren op de grond dat Leerfashion c.s. geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijk tegenbewijs te leveren. Een verplichting tot het leveren van schriftelijk tegenbewijs op de door het hof gesuggereerde wijze, in plaats van tegenbewijs door middel van een verhoor van Vos als getuige-deskundige zoals door Leerfashion c.s. aangeboden, vindt geen grondslag in het recht. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat tegenbewijs tegen feitelijke vaststellingen in een deskundigenbericht vrij staat.
onder c, samengevat, dat het bewijsaanbod niet mocht worden gepasseerd op de grond dat Leerfashion c.s. de door Zevenwouden gestelde feiten niet voldoende concreet hebben betwist. De in de akte van 20 mei 2014 genoemde vraagpunten kunnen niet anders worden gelezen dan als een voldoende concrete betwisting van de bevindingen van Bolhuis. Het zou in strijd zijn met de ‘twee conclusieregel’ als van Leerfashion c.s. wordt verlangd dat zij daar in latere processtukken nog nieuwe stellingen over had moeten innemen. Voorts wijst het onderdeel op de overweging van het hof in rov. 5.30 van het tussenarrest van 30 juli 2013, dat de bezwaren van Leerfashion c.s. een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de bevindingen van de deskundige, alsmede op de vaststelling in rov. 5.33 van het tussenarrest, dat sprake was van een voldoende specifiek bezwaar van Leerfashion c.s. tegen de feitelijke vaststelling van Bolhuis dat er in magazijn II sprake was van een separate brandhaard en niet van convectie/stralingshitte.
Voor het getuigenverhoor bepaalt art. 166 Rv Pro dat de rechter verplicht is om een partij toe te laten tot
getuigenbewijsals zij bewijs aanbiedt van feiten die betwist zijn en die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat een partij (in hoger beroep) tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. [4] Voor een aanbod van een partij om bewijs te leveren door het horen van een
partijdeskundigegeldt niet een vergelijkbare verplichting. Art. 200 lid 1 Rv Pro bepaalt namelijk dat de rechter op verzoek van een partij een deskundige
kanhoren die niet door de rechter is benoemd (een partijdeskundige). Uit het woord ‘kan’ is af te leiden dat hier sprake is van een discretionaire bevoegdheid van de rechter. [5] De Hoge Raad heeft bevestigd dat het is overgelaten aan het beleid van de rechter die over de feiten oordeelt, of hij behoefte heeft aan deskundige voorlichting door het horen van een (partij)deskundige. [6] Deze rechterlijke vrijheid om al dan niet over te gaan tot het horen van een partijdeskundige, sluit aan bij de discretionaire bevoegdheid die de rechter heeft om te beslissen of hij over gaat tot het inwinnen van een deskundigenbericht. Volgens vaste rechtspraak is het immers overgelaten aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt of hij gebruik maakt van de bevoegdheid om zich te laten voorlichten door een deskundige. [7] Het verschil in benadering tussen enerzijds het ‘in-beginsel-recht’ van een partij om getuigen te doen horen en anderzijds de vrijheid van de rechter om al dan niet een deskundige in te schakelen c.q. een partijdeskundige te doen horen, laat zich eruit verklaren dat het bij getuigenbewijs gaat om bewijslevering ten aanzien van de vaststelling van
feitenen bij deskundigenbewijs om
voorlichting of adviesaan de rechter. Bewijslevering ten aanzien van feiten ligt bij uitstek in het domein van
partijen, zodat zij degenen zijn die daarover zeggenschap hebben. Daaruit vloeit dan hun ‘in-beginsel-recht’ voort. Het voorgelicht of geadviseerd worden ligt daarentegen in het domein van de
rechter, zodat de zeggenschap daarover bij de rechter ligt. Bij verdere doordenking zijn er de nodige vraagtekens te plaatsen bij dit onderscheid, omdat het uiteindelijk zeer diffuus is. [8] In de rechtspraak van de Hoge Raad fungeert het echter bij verschillende bewijsrechtelijke leerstukken als uitgangspunt.
Verder is nog op te merken dat een bewijsaanbod ook kan zien op het horen van een persoon in
zowelzijn hoedanigheid als partijdeskundige als die van getuige. In dat geval is zowel art. 200 Rv Pro als art. 166 Rv Pro van toepassing. [11]
Omdat de eis van voldoende specificatie (die niet gesteld mag worden) en die van voldoende gemotiveerde betwisting (die wel gesteld mag worden) niet altijd scherp te scheiden zijn, [14] kan het soms lastig zijn om te beoordelen of een partij moet worden toegelaten tot tegenbewijs.
Wanneer de rechter een deskundigenbericht heeft ingewonnen, brengt het recht op tegenbewijs mee dat een partij moet worden toegelaten tot bewijslevering indien zij aanbiedt bewijs te leveren tegen
feitelijke vaststellingenin het deskundigenbericht. [15] Dit recht op tegenbewijs kan echter niet worden doorgetrokken naar de situatie dat een partij tegenbewijs wil leveren tegen een deskundigenbericht door het doen horen van een
partijdeskundige. De in art. 200 lid 3 Rv Pro neergelegde aanspraak op tegenbewijs door het doen horen van een partijdeskundige geldt hier niet. [16] In deze situatie geschiedt de beoordeling van het verzoek ‘gewoon’ volgens art. 200 lid 1 Rv Pro. [17] Het is dan dus aan de discretionaire bevoegdheid van de rechter overgelaten om te bepalen of hij gevolg geeft aan het verzoek om een partijdeskundige te doen horen.
Hieruit volgt dat ook als het gaat om het leveren van tegenbewijs, een onderscheid moet worden gemaakt tussen een bewijsaanbod dat ziet op het leveren van tegenbewijs door het doen horen van getuigen, en een aanbod dat ertoe strekt tegenbewijs te leveren door het doen horen van een partijdeskundige. Ook hier laat het verschil in benadering zich verklaren doordat het in het eerste geval gaat om tegenbewijs ten aanzien van
feiten, en in het tweede verschil om tegenbewijs ten aanzien van het door de deskundige aan de rechter gegeven advies of de verstrekte voorlichting (vgl. onder 3.4).
door een verhoor van drs. Vos als deskundige ex artikel 200 lid 1 Rv Pro”. Uit de formulering van dit aanbod blijkt dat Leerfashion c.s. Vos wilden horen in zijn hoedanigheid van deskundige. Uit het aanbod blijkt niet dat zij hem (eventueel:
ook) wilden horen in zijn hoedanigheid van getuige. Zoals hiervoor is besproken, bestaat er geen aanspraak op tegenbewijs door het doen horen van een partijdeskundige, behoudens de situatie dat het gaat om ‘tegen-verhoor’ (art. 200 lid 3 Rv Pro). Ter voorkoming van misverstanden merk ik op dat Bolhuis op de zitting van 1 april 2014 níet is gehoord als partijdeskundige, maar op de voet van art. 194 lid 5 Rv Pro. Bolhuis was immers door de rechtbank als deskundige benoemd. Op grond van art. 200 lid 1 Rv Pro heeft de rechter die over de feiten oordeelt, de vrijheid om al dan niet over te gaan tot het horen van een partijdeskundige. Dat geldt ook in geval dat sprake is van een aanbod tot het leveren van tegenbewijs. Dit betekent dat de klachten falen voor zover zij inhouden dat het hof het in de akte van 20 mei 2014 gedane verzoek om Vos als partijdeskundige te horen, had moeten honoreren.
brandoorzaakdeskundige Vos(…)
als getuige-deskundige’. Voor het aldus begrepen aanbod om Vos te horen in zijn hoedanigheid van partijdeskundige, geldt dan weer dat het aan de discretionaire bevoegdheid van de rechter is overgelaten om het aanbod van een partij om een partijdeskundige te doen horen al dan niet te honoreren. Of het daarbij gaat om gewoon bewijs of tegenbewijs, is daarbij niet van belang (zie onder 3.7).
getuigezou worden gehoord. [19] Dit zou volgens hen duidelijk zijn uit het feit dat is aangeboden om Vos ‘onder ede’ te horen. Alleen een getuige wordt immers onder ede gehoord; een partijdeskundige niet. Ter ondersteuning van hun stelling dat het bewijsaanbod ook bedoeld was om Vos als getuige te horen, verwijzen Leerfashion c.s. verder naar de eerste drie van de acht bulletpoints uit de opsomming onder 5.3 van de appeldagvaarding (waarop het bewijsaanbod betrekking heeft), waarbij het volgens hen gaat om feitelijke vaststellingen.
Ook dit betoog gaat naar mijn mening niet op. Uit het enkele feit dat het bewijsaanbod vermeldt dat Vos onder ede een verklaring kan afleggen, had het hof redelijkerwijs niet hoeven te begrijpen dat Leerfashion c.s. door het horen van Vos tegenbewijs wilde leveren tegen feitelijke vaststellingen in het deskundigenrapport.
Naar aanleiding daarvanheeft bovendien een verhoor van Bolhuis plaatsgevonden, waarbij die bezwaren zijn voorgehouden aan Bolhuis. Ook Vos heeft daarbij zijn standpunt naar voren kunnen brengen, zij het dat hij toen niet formeel als getuige dan wel als partijdeskundige is gehoord. Vervolgens zijn ná het deskundigenverhoor nog nadere stukken in het geding gebracht, waarop Bolhuis zijn standpunt mede baseerde. [20] Redelijkerwijs hadden Leerfashion c.s. - in vervolg op deze processuele ontwikkelingen - in hun nadien genomen akte (dat is de akte van 20 mei 2014, die hiervoor onder 3.9 is besproken) dan ook nader moeten preciseren op welke feitelijke stellingen hun tegenbewijsaanbod tot het horen van Vos als getuige - in dit stadium van de procedure - betrekking op had. Die eis is niet in strijd met de twee-conclusie-regel en geldt ook niet als een (niet toegestane) eis van specificatie van een aanbod tot tegenbewijs. Het gaat slechts om de óók bij tegenbewijs geldende eis, dat sprake moet zijn van een voldoende gemotiveerde betwisting van de feiten waartegen een partij tegenbewijs wil leveren. Zoals gezegd, hangt de invulling van die eis af van de ontwikkeling van het processuele debat in het concrete geval. Uit de laatste zin van rov. 2.12 blijkt dat ook het hof deze maatstaf voor ogen heeft gehad.