Conclusie
SBS Broadcasting B.V.,
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Juridisch kader
Intrahof/Bart Smit-arrest [6] oordeelde Uw Raad dat voor matiging slechts plaats is, wanneer het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een
buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaatleidt:
Van de Zuidwind/Faase [8] . Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het enkele uiteenlopen van (de hoogte van) de schade en de boete onvoldoende is om tot matiging te oordelen. [9] Uiteraard is daarmee niet gezegd dat die omstandigheid geen rol mag spelen in de te maken afweging. Dat blijkt ook uit de kernoverweging uit
Intrahof/Bart Smit. Ook de omstandigheden waaronder de tekortkoming tot stand kwam, kunnen relevant zijn voor het oordeel van de rechter, zo werd al opgemerkt in de parlementaire behandeling. [10]
Van de Zuidwind/Faaseis verder benadrukt dat het oordeel van de rechter in belangrijke mate feitelijk van aard is en daarom in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst:
Intrahof/Bart Smitspeelt de vraag of dat arrest een streep heeft gezet door de leer uit de
Hauer/Monda-arresten (noch in
Intrahof/Bart Smit,noch in
Van de Zuidwind/Faaseis gerefereerd aan de
Hauer/Monda-arresten).
Hauer/Monda I [16] dat het, wanneer een boetebeding één bedrag bevat voor zeer uiteenlopende tekortkomingen, voor de hand ligt dat in beginsel de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de rechter van de matigingsbevoegdheid gebruik maakt om te kunnen differentiëren en de hoogte van de boete te kunnen bepalen. In
Hauer/Monda II [17] preciseerde Uw Raad echter dat de rechter daar niet toe verplicht is.
Hauer/Monda I:
Hauer/Monda II:
Hauer/Monda I, toevoeging A-G) arrest van de Hoge Raad houdt (…) niet in dat de rechter in het onderhavige geval het bedrag van de uiteindelijk verschuldigde boete moet differentiëren op de wijze als in het middel omschreven, maar slechts dat het in een geval als het onderhavige voor de hand ligt dat in beginsel de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de rechter van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik maakt op de nader in dit arrest omschreven wijze.”
Hauer/Monda I-arrest moeilijk te verenigen was met de terughoudende maatstaf van art. 6:94 BW Pro. In
Hauer/Monda IIis de maatstaf weliswaar afgezwakt tot een ‘zwakke vuistregel’, [18] maar overeind bleef dat de eenheidsboetes een bijzondere categorie vormden, met een eigen maatstaf. [19]
Intrahof/Bart Smit-arrest, waar ook sprake was een eenheidsboete, geen overwegingen wijdt aan de
Hauer/Monda-jurisprudentie. Dit stond in cassatie ook niet ter discussie en daardoor is niet duidelijk hoe de arresten zich tot elkaar verhouden, zoals Schelhaas [20] terecht opmerkt. In de feitenrechtspraak is wel aangenomen dat de
Hauer/Monda-jurisprudentie nog toepassing verdient. [21] Schelhaas [22] behandelt de eenheidsboetes in de Groene Serie nog als een afzonderlijke categorie. Olthof [23] noemt het
Hauer/Monda I-arrest ook als voorbeeld waarin aan de geldende maatstaf is voldaan.
Hauer/Monda-leer is verlaten met
Intrahof/Bart Smit. De gedachte was kennelijk dat de
Hauer/Monda-arresten niet te verenigen zijn met daarin geformuleerde sterke terughoudendheid. Dit is ook wat [eiser] betoogt in de cassatiedagvaarding onder 3.4-3.5, met als argument dat uit
Intrahof/Bart Smitvolgt dat een disproportionele discrepantie tussen boete en schade ‘niet doorslaggevend’ mag zijn voor een matiging. Daargelaten of die interpretatie van laatstgenoemd arrest helemaal juist is, zie ik niet in dat daaruit ook volgt dat differentiëren bij zeer uiteenlopende schendingen waarop het beding van toepassing is, niet meer aan de orde kan zijn, tenminste als één van de relevante te wegen omstandigheden van het geval die tot matiging kunnen nopen.
Intrahof/Bart Smitmet de
Hauer/Monda-arresten.
Intrahof/Bart Smitin zoverre wel sprake is van een verschuiving, dat de terughoudendheid die bij rechterlijke matiging van contractuele boetes betracht moet worden (weer) nadrukkelijker centraal is gesteld. Het gaat er daarbij volgens mij niet zozeer om of de
Hauer/Monda-leer achterhaald is of niet. Het aspect dat daarin is belicht, is in zekere zin opgegaan in de toetsing aan de hand van de relevante omstandigheden van het geval, zo men wil als ‘gezichtspunt’. De omstandigheid dat sprake is van een eenheidsboete voor zeer uiteenlopende tekortkomingen kan in sommige gevallen aanzienlijk gewicht in de schaal leggen.
Van de Zuidwind/Faasein 3.6.4 in verband met de vraag hoe om te gaan met een discrepantie tussen verbeurde boete en opgetreden schade, dat ik hier graag met instemming citeer:
4.Bespreking van het cassatiemiddel
in fine:
subonderdeel I.1heeft het hof door deze strekking niet in zijn matigingsoordeel te betrekken miskend dat een boetebeding primair bedoeld is om de wederpartij tot nakoming te prikkelen, wat nu juist reden is terughoudend te zijn met matiging. Daargelaten dat de hierin gebezigde veronderstelling in zijn algemeenheid niet juist is – boetebedingen kunnen een nakomings- of schadefixerende functie hebben of beide elementen in zich bergen en per geval zal moeten worden bezien welke functie vooral van belang is – is de strekking van het onderhavige boetebeding (mede) tot nakoming wel meegewogen, zoals we hebben gezien in rov. 3.19.
ubonderdeel I.2klaagt dat het hof heeft miskend dat de rechter pas van diens matigingsbevoegdheid gebruik mag maken als het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, waarbij acht moet worden geslagen op alle concrete omstandigheden van het geval, waaronder de strekking van het boetebeding, wat niet zou zijn gebeurd. Nu die strekking tot nakoming wel is meegewogen door het hof, faalt deze klacht ook.
ubonderdeel I.3stelt dat door niet kenbaar de strekking van het beding mee te wegen, de hoge motiveringseisen van een rechterlijk matigingsoordeel zijn miskend en geen inzicht zou zijn gegeven in ’s hofs gedachtegang over deze strekking. Nu bedoelde strekking wel kenbaar is meegewogen in rov. 3.19, gaat ook deze deelklacht evenmin op.
onderdeel IIklaagt [eiser] over de wijze waarin het hof in rov. 3.17 de ernst van de overtreding van de met het boetebeding versterkte verbintenis door SBS in zijn oordeel betrekt. Het onderdeel is uitgewerkt in een twee deelklachten (subonderdelen II.1 en II.2) en een alleen voortbouwende klacht (subonderdeel II.3).
- De strekking van het onderhavige boetebeding: het aansporen van SBS om de privacybelangen van de familie [van eiser] te waarborgen (zie hiervoor nader subonderdeel I.4),
- het feit dat de gewraakte fragmenten vijf maal zijn uitgezonden (rov. 3.1.5 en 3.17),
- het feit dat [betrokkene 2] , zelfs zonder vermelding van het context, door derden herkenbaar is geweest, te meer die beelden waren uitgezonden als promotiemateriaal voor het bekende misdaadprogramma waarin deze oorspronkelijk zijn uitgezonden (rov. 3.6, de laatste volzin doorlopend naar pagina 5 en de eerste volzin op die pagina),
- het feit dat derden de mogelijkheid hebben om met technische hulpmiddelen stilstaande beelden te bekijken (rov. 3.6, laatste volzin), en
- het feit dat die derden kennelijk in die beelden zelfs aanleiding hebben gezien om de familie [van eiser] daarover in te lichten (rov. 3.6, één na laatste volzin).
subonderdeel II.3.
subonderdeel III.1.1) en de maatstaf van Uw Raad (
subonderdeel III.1.2) het al of niet bestaan van schade niet doorslaggevend zou mogen zijn.
doorslaggevendzijn geweest voor het matigingsoordeel. Het hof heeft namelijk ook andere omstandigheden in zijn matigingsoordeel betrokken, zoals de aard van de overeenkomst in rov. 3.18, de strekking van het beding in rov. 3.19 en de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen in rov. 3.16-3.19.
In zoverre meen ik dat de klacht ook is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, omdat niet ondenkbaar is dat deze discrepantie, zij het als onderdeel van de afweging van alle relevante omstandigheden, in voorkomende gevallen wel degelijk doorslaggevend kan zijn. De motiveringis hier
overigenskeurig gedaan door het hof.
mede(dus niet uitsluitend) een aansporingsfunctie had. Dat is een feitelijke uitleg voorbehouden aan het hof, die overigens in het licht van het partijdebat ook niet onbegrijpelijk is. Bovendien lees ik de overwegingen van het hof over de geleden schade ook zo, dat zij de ernst van de tekortkoming mede kleuren.
subonderdeel IV.1, omdat beide partijen in het boetebeding een absoluut verbod zouden hebben gezien op herhaling van de beelden. Bovendien is volgens dit subonderdeel de uitleg die het hof heeft gegeven zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
subonderdeel V.1 hetpartijdebat en het grievenstelsel miskend, alsmede het feit dat bij het matigingsoordeel alle omstandigheden van het geval betrokken dienen te worden en bovendien een oordeel gegeven dat zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is.
.Tot meer was het hof niet gehouden en van schending van het partijdebat en het grievenstelsel, zoals de klacht zonder nadere toelichting aandraagt, lijkt mij geen sprake. De klacht faalt.