Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Geding voor de Rechtbank en het Hof
4.Geding in cassatie
De Haan [13] hadden de douaneautoriteiten bij de aanvang van het onderzoek [14] diverse containers kunnen blokkeren en de daar bij behorende aangiften buiten werking kunnen stellen. De betreffende containers waren haars inziens onomstotelijk individualiseerbaar. Deze passieve gedraging van de douaneautoriteiten is aan te merken als een bijzondere situatie die toepassing van artikel 239 van Pro het CDW rechtvaardigt.
Sopropé [16] geformuleerde eisen is niet voldaan.
Sopropéhad belanghebbende moeten doen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van hof Amsterdam van 12 januari 2012.
5.Schending rechten van verdediging (middelonderdeel (6))
Sopropégeformuleerde eisen niet zijn voldaan. In een procedure inzake een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 239 van Pro het CDW is in mijn visie geen plaats voor een beroep op het verdedigingsbeginsel. De betreffende belastingplichtige dient het verzoek op eigen initiatief in en het ligt op zijn weg aan te tonen dat aan de twee cumulatieve voorwaarden is voldaan (zie hierna in hoofdstuk 6). Blijkens
Sopropéis het verdedigingsbeginsel van toepassing ingeval de douaneautoriteiten voornemens zijn een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Een verzoek op grond van artikel 239 van Pro het CDW is geen bezwarend besluit, omdat het verzoek enkel kan leiden tot het al dan niet terugbetalen of kwijtschelden van de betaalde douanerechten. Belanghebbende is bij een negatieve beslissing op het verzoek niet slechter af dan wanneer geen verzoek was ingediend. Belanghebbende had een beroep op het arrest
Sopropémoeten doen in de eerdere procedure voor het Hof en de Hoge Raad met betrekking tot de utb’s (zie punt 1.1 van deze conclusie). Ik verwijs in verband hiermee voorts naar de punten 49-51 van
Schenker Customs Agency/Commissie [18] :
6.Artikel 239 van Pro het CDW - billijkheidsclausule
Nederland/Commissie [20] overwoog het HvJ dat terugbetaling of kwijtschelding een uitzondering vormt, waardoor de bepalingen inzake de terugbetaling of kwijtschelding strikt moeten worden uitgelegd:
omstandighedendie van de
zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.”
British American Tobacco [23] over de voorloper van artikel 239 van Pro het CDW, artikel 13 van Pro Verordening 1430/79 van 2 juli 1979 [24] (met mijn cursivering): [25]
een algemene billijkheidsclausuledie is bedoeld voor andere situaties dan die welke in de praktijk meestal aan de dag treden en waarvoor bij de vaststelling van de verordening een bijzondere regeling kon worden getroffen (zie onder meer arresten van 12 maart 1987, Cerealmangimi en Italgrani/Commissie, 244/85 en 245/85, Jurispr. blz. 1303, punt 10, en 18 januari 1996, SEIM, C-446/93, Jurispr. blz. I-73, punt 41).”
bijzondere situatiesdan die welke zijn bedoeld in de afdelingen A tot en met D, die het gevolg zijn van
omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheidvan de kant van de betrokkene inhouden (…)”
Söhl & Sölke [27] (met mijn cursivering):
artikel 13van verordening (EEG) nr. 1430/79 (…)
in essentie overgenomen in artikel 239van het douanewetboek.
De rechtspraakvan het Hof betreffende voormeld artikel 13
dient dus eveneens te gelden voor artikel 239 van Pro het douanewetboek.”
zelf[beslist] of zij terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of uitvoer verleent wanneer het gaat om bijzondere omstandigheden die geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden.”
beslissen.
beoordelenof sprake is van een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van Pro het CDW, maar dat deze taak is weggelegd voor de Commissie en/of het HvJ. Volgens belanghebbende mogen de douaneautoriteiten dus noch
beoordelennoch
beslissen. In mijn visie is dit standpunt onjuist. Ik licht dit toe aan de hand van de tekst van artikel 905 van Pro de UCDW en de gewezen jurisprudentie van het HvJ.
het bestaankan worden aangetoond van
bijzondere omstandigheden die
geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheidvan de zijde van de belanghebbende inhouden,
verwijstde lidstaat waaronder de beschikkende douaneautoriteit ressorteert
de zaak door naar de Commissie ter behandelingvolgens de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909 wanneer:
deze autoriteit van oordeelis dat de
bijzondere situatiehet
gevolgis van een
verzuimvan de
Commissie, of
het bedragwaarvoor de belanghebbende ingevolge
dezelfde bijzondere omstandigheden aansprakelijkis en dat, in voorkomend geval, met meerdere in- en uitvoerverrichtingen verband houdt,
hoger is dan of gelijk is aan 500 000 EUR.”
reeds een beschikking heeft genomenin
een zaakwaarin zich
feitelijk en juridisch vergelijkbare omstandigheden hebben voorgedaan;
reeds een zaak die feitelijk en juridisch vergelijkbaaris bij de Commissie
is ingeleid.”
legt de Lid-Staatwaaronder deze autoriteit ressorteert
het geval voor aan de Commissieter behandeling overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909.
Behalve in geval van twijfel kan de douaneautoriteitdie het besluit moet nemen
zelf tot de kwijtschelding of terugbetaling van de rechten overgaan, wanneer zij van oordeel is dat aan de voorwaarden van artikel 239, lid 1, van het wetboek is voldaan,
mitshet bedrag ten gevolge van eenzelfde buitengewone situatie die eventueel op meer in- of uitvoertransacties betrekking heeft, per bedrijf
niet hoger is dan 50 000 ECU. (…) In alle andere gevallen wijst de beschikkende douaneautoriteit het verzoek af.”
de inning van de traditionele eigen middelenkrachtens artikel 8 van Pro Besluit 2000/597/EG (…) in de
eerste plaats de taak is van de lidstaten,
verdient het aanbeveling de autoriteitenvan de lidstaten
in eerste instantie zelf te laten beslissenof in- of uitvoerrechten, al dan niet achteraf (…) moeten worden terugbetaald of kwijtgescholden krachtens artikel 239 van Pro de genoemde verordening [het CDW].
echter wenselijk, teneinde de
gelijke behandeling van alle marktdeelnemers te waarborgen en de financiële belangen van de Gemeenschappen veilig te stellen, de
verplichting te handhavendat
bepaalde dossiers ter beslissing aan de Commissie worden voorgelegd,
met namewanneer de
lidstaten van mening zijndat een
gunstige beschikkingmoet worden genomen en a) de Commissie mogelijk een vergissing of verzuim heeft begaan, of b) de in het dossier beschreven omstandigheden verband houden met communautaire onderzoeken op grond van Verordening (EG) nr. 515/97 (…), of c) het bedrag aan rechten 500 000 EUR of meer is.”
bijzondere omstandigheden, en
bijzondere omstandighedenaansprakelijk is hoger is dan € 500.000.
beoordelenof sprake is van een bijzondere omstandigheid. Indien zij menen dat daarvan geen sprake is, is daarmee de kous af. Indien de douaneautoriteiten echter menen dat wel aan de twee cumulatieve voorwaarden (waaronder de ‘bijzondere omstandigheid’) is voldaan, zijn zij niet zelfstandig bevoegd over een daadwerkelijke terugbetaling/kwijtschelding van een dergelijk bedrag te
beslissenc.q. deze vast te stellen, maar moeten zij de zaak doorsturen naar de Commissie. De Commissie
beoordeeltvervolgens zelf of inderdaad aan de voorwaarden is voldaan en, zo ja,
beslistdan dat tot terugbetaling of kwijtschelding moet worden overgegaan. Het HvJ overwoog in verband hiermee in
Trans-Ex-Importonder meer (cursivering van mijn hand):
een beslissing tot kwijtschelding van de rechten te nemen, is zij gehouden na te gaan of op grond van de argumenten tot een bijzondere situatie in de zin van artikel 905, lid 1, van de verordening, die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhoudt, kan worden geconcludeerd en, in voorkomend geval, de zaak voor te leggen aan de Commissie, die op grond van de toegezonden gegevens beoordeelt of er sprake is van een bijzondere situatie die de kwijtschelding van de rechten rechtvaardigt.
om vast te stellen, of de betrokken situatie een bijzondere situatie in de zin van artikel 905, lid 1, van de verordening is, die kwijtschelding van rechten door de Commissie rechtvaardigt.
na te gaan, of er omstandigheden zijn waardoor de verzoeker in een situatie kan verkeren die uitzonderlijk is, vergeleken met die van de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten.”
Bacardi [32] :
beslissingsbevoegdheidvan de Commissie (zie in die zin, arrest Trans-Ex-Import, reeds aangehaald, punten 19 en 20).”
Heuschen & Schrouff Oriental Foods Trading). Voor het overige faalt middelonderdeel (1) dus ook.
HR BNB 2011/142 [34] . De belanghebbende in die zaak had voor de douanekamer aangevoerd dat niet de inspecteur bevoegd is te beslissen op de onderhavige verzoeken doch de Commissie. De belanghebbende was van mening dat de Inspecteur de onderhavige verzoeken om kwijtschelding had dienen door te zenden aan de Commissie. Het Hof ging niet expliciet op dit betoog in, maar oordeelde dat in die zaak sprake was van een bijzondere omstandigheid, dat belanghebbende geen kennelijke nalatigheid kon worden verweten en dat de inspecteur de zaak moest doorzenden aan de Commissie. De staatssecretaris van Financiën was het daarmee niet eens en ging in cassatie. Ditmaal betoogde de staatssecretaris dat de nationale autoriteiten niet bevoegd zijn een oordeel te geven over de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in deze bepaling, maar dat dat de taak van de Commissie is. A-G Van Hilten concludeerde in die zaak dat de douaneautoriteiten van de lidstaten zélf mogen beslissen op verzoeken om terugbetaling in de zin van artikel 239 van Pro het CDW, tenzij zij menen dat tot terugbetaling moet worden overgegaan én het geval in kwestie valt onder het bereik van artikel 905, lid 1, van de UCDW. In dát geval moeten zij het verzoek ter beslissing aan de Commissie voorleggen. De Hoge Raad ging echter niet expliciet op deze problematiek in, vernietigde de uitspraak wegens een motiveringsgebrek en wees de zaak terug naar hof Amsterdam. Van Casteren annoteert bij dit arrest in BNB: [35]
een tweetrapsraket, waarbij de lidstaten de eerste beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden is voldaan, zelf uitvoeren, en bij een bevestigend antwoord de Commissie uiteindelijk de knoop doorhakt en de finale beschikking neemt.Met het oog op de eisen die aan de aanlevering van het dossier aan de Commissie worden gesteld, ligt het voor de hand dat de nationale rechter in voorkomende gevallen niet zelf de voorleggingsprocedure opstart, maar de inspecteur opdraagt een en ander te verzorgen.
”
Punten
Van Vlietmenen dat het hier gaat om aangevers die niet rechtstreeks in opdracht van een belanghebbende aangifte doen voor de goederen, maar de goederen die binnen het grondgebied van de Unie arriveren krachtens wettelijke aanwijzing ‘ambtshalve’ - dat wil zeggen (ook) zonder uitdrukkelijke opdracht - mogen aangeven, zoals in Nederland (destijds) PTT Post B.V.. [38] Dit onderdeel is mijns inziens in casu niet van toepassing.
7.Bijzondere situatie en klaarblijkelijke nalatigheid (middelonderdeel (5))
wanneer de omstandighedenwaardoor de betrekkingen tussen de marktdeelnemer en de administratie worden gekenmerkt,
van dien aardzijn dat het
niet billijk zou zijnom eerstgenoemde
een nadeel te berokkenendat hij
normaliter niet zou hebben ondergaan(zie arrest van 26 maart 1987, Coopérative agricole d'approvisionnement des Avirons, 58/86, Jurispr. blz. 1525, punt 22).” [42]
omstandighedenvan het
concrete geval volgtdat
de belastingschuldigein een
uitzonderlijke situatie verkeert vergeleken met de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten, en hij
zonder de bijzondere omstandighedenhet aan de boeking achteraf van de douanerechten verbonden
nadeel niet zou hebben ondervonden(zie in die zin arrest van 26 maart 1987, Coopérative agricole d’approvisionnement des Avirons, 58/86, Jurispr. blz. 1525, punt 22).” [43]
Hewlett Packard France [46] : Het afgaan op een onjuiste inlichting aan een tot dezelfde groep behorende vennootschap, verstrekt door de douaneautoriteiten van een andere lidstaat, kan onder bepaalde omstandigheden een bijzondere situatie vormen (punten 42-43);
Eyckeler & Malt [47] : Vervalsingen van echtheidscertificaten waarvan bij latere controle blijkt dat ze vals zijn, behoren in beginsel tot een bedrijfsrisico. De onderhavige vervalsingen konden echter slechts tot aanzienlijke overschrijdingen van het tariefcontingent voor ‘Hilton beef’ leiden, omdat de Commissie haar verplichting om de toepassing van het contingent te controleren niet is nagekomen. Daardoor was sprake van een situatie die wordt gekenmerkt door buitengewone omstandigheden (punten 188-191);
De Haan [48] : Er is sprake van een bijzondere situatie indien de nationale autoriteiten overtredingen en onregelmatigheden hebben toegelaten, teneinde een netwerk beter op te kunnen rollen, de fraudeurs te kunnen identificeren en bewijzen te kunnen verzamelen of versterken, terwijl de belanghebbende niet in kennis is gesteld van het verloop van dat onderzoek en zij de douaneschuld moest dragen (punt 53);
Aslantrans/Commissie [49] : Een mogelijk geval van corruptie bij de diensten van de nationale administratie, terwijl een causaal verband bestaat tussen deze omstandigheden en het ontstaan van de douaneschuld, kan een bijzondere situatie opleveren (punt 39);
British American Tobacco [50] : Wanneer de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht, dat de plaatsing daarvan onder de regeling voor communautair douanevervoer meebrengt, het gevolg is van de handelswijze van een undercoveragent van de douanerecherche, kan sprake zijn van een bijzondere situatie (punten 65);
Cas SpA [51] : Het niet nakomen van de Commissie van haar verplichtingen tot toezicht en controle op de juiste toepassing van de associatieovereenkomst kan een bijzondere situatie opleveren (punten 128-131); en
Portugal/Transnáutica [52] : Er kan sprake zijn van een bijzondere situatie in het geval de autoriteiten (van Portugal) een toereikende doorlopende zekerheid hadden berekend en het stellen van de zekerheid hadden gecontroleerd (punten 77-79).
geenbijzondere situaties:
Hewlett Packard France [53] : Indien Hewlett Packard France ten tijde van de aangifte de goederen meteen had aangegeven onder de tariefpost die later de juiste bleek te zijn, had deze vennootschap geen rechten hoeven te betalen, omdat die goederen in aanmerking kwamen voor een preferentiële behandeling binnen de grenzen van een tariefplafond. De overschrijding van het tariefplafond en de daaropvolgende herinvoering van de rechten vormen, naar het oordeel van het HvJ, immers een normaal ondernemersrisico, ook voor degenen die ten gevolge van een vergissing die pas na de overschrijding van het plafond is ontdekt, niet de preferentiële behandeling hebben gekregen (punten 40-41);
Aslantrans/Commissie [54] : Diefstal van goederen door een groep die behoort tot de georganiseerde misdaad, tekortkomingen in het politieonderzoek, onderzoek naar een van corruptie verdachte ambtenaar waarvan later bleek dat de vermeende corruptie geen gevolgen heeft voor de onderhavige zaak, (al zou dat het geval zijn) geen specifieke maatregelen ter versterking van de veiligheid genomen door de bevoegde autoriteiten, terwijl het af te leggen traject aan een hoger risico van diefstal blootstaat dan andere marktdeelnemers op andere Europese trajecten, en geen actie ondernemen van de Commissie tegen de institutionele zwakheden van de grensoverschrijdende misdaadbestrijding in de Europese Unie waardoor het plegen van diefstallen wordt vergemakkelijkt, zijn geen bijzondere situaties (punten 58-62); en
Schenker Customs Agency/Commissie [55] : De situatie dat certificaten van oorsprong achteraf vals, vervalst of ongeldig blijken, levert geen bijzondere situaties op (punten 62 en 63).
DP Grup [56] dat de douaneautoriteiten “bij de aanvaarding van een douaneaangifte (…) geen standpunt in[nemen] over de juistheid van de door de aangever verstrekte informatie, waarvoor laatstgenoemde zelf verantwoordelijk is”. Hieruit leid ik af dat het ontbreken van documentatie bij de aangifte of het overleggen van geen of onjuiste gegevens geen bijzondere situatie is. Punt 5.1 van de hofuitspraak ziet (deels) op deze omstandigheid. Ik sluit me bij dat oordeel aan.
Binder [59] en
Heuschen & Schrouff Oriental Foods Trading BV [60] . Voorts verkeerde belanghebbende, mijns inziens, niet in een uitzonderlijke situatie vergeleken met de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten (zie punt 6.24). Ook dit kan niet worden gezien als een bijzondere situatie.
Söhl & Sölke [62] :
hetzelfde doel hebben, te weten
betaling achterafvan in- of uitvoerrechten
te beperken tot de gevallen waarin een dergelijke betaling gerechtvaardigd is en verenigbaar met een zo fundamenteel beginsel als het vertrouwensbeginsel.
Hieruit volgt, dat
de voorwaarden die gelden voor de toepassing van deze artikelen, namelijk wat artikel 13 van Pro verordening nr. 1430/79 betreft, dat de
betrokkene zich niet schuldig heeft gemaakt aan manipulatie of kennelijke nalatigheid, en wat artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 betreft,
dat de douaneautoriteiten geen vergissing hebben begaan die de belastingschuldige redelijkerwijs kon ontdekken,
op dezelfde wijzemoet worden uitgelegd.”
Ricosmos [65] :