ECLI:NL:PHR:2015:68
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt vrijspraak poging tot uitlokking moord wegens onjuiste rechtsopvatting
Verdachte werd door het Hof Arnhem veroordeeld voor poging tot doodslag en mishandeling, maar vrijgesproken van poging tot uitlokking van moord. Het Openbaar Ministerie stelde cassatie in tegen deze vrijspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onterecht aan de uitlokking nadere eisen stelde omtrent de concreetheid van het bewegen tot het misdrijf, zoals plaats, tijd en wijze van uitvoering.
De verklaring van de getuige [betrokkene 1], ondersteund door briefjes met adresgegevens en een geldbedrag als belofte, werd door het hof betrouwbaar geacht, maar onvoldoende concreet bevonden om tot een bewezenverklaring te komen. De Hoge Raad stelt dat zulke nadere eisen niet uit de wetsgeschiedenis of rechtspraak volgen en dat het hof daarmee een onjuiste rechtsopvatting hanteerde.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het beroep in cassatie van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van middelen.
De zaak betreft de periode van 23 juli tot en met 2 augustus 2010 te Arnhem, waarin verdachte zou hebben gepoogd [betrokkene 1] te bewegen tot het beroven van het leven van twee personen. De bewijsvoering steunde op verklaringen en handschriftvergelijkingen die voldoende steun boden. De Hoge Raad benadrukt dat het bewijs niet uitsluitend op één getuige mag rusten, maar hier voldoende werd ondersteund.
Deze uitspraak verduidelijkt de interpretatie van artikel 46a Sr omtrent poging tot bewegen tot een misdrijf en benadrukt dat het niet vereist is dat het bewegen tot een misdrijf plaatsvindt met nadere specificaties over tijd, plaats en wijze.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens onjuiste rechtsopvatting van het hof.