ECLI:NL:HR:2007:AZ5500
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling trachten te bewegen en kwalificatie medeplegen in Opiumlandsverordening 1960
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, waarin verdachte werd veroordeeld voor het trachten te bewegen van een ander om behulpzaam te zijn bij de uitvoer van cocaïne. De Hoge Raad behandelt de uitleg van het begrip 'trachten te bewegen' zoals bedoeld in artikel 11a van de Opiumlandsverordening 1960, gelijkluidend aan artikel 10a van de Opiumwet.
De Hoge Raad oordeelt dat het niet vereist is dat de persoon die wordt bewogen nog geen gedachte had aan het beoogde misdrijf voordat de dader hem trachtte te bewegen. Een vooraf bestaande bereidheid sluit niet uit dat sprake is van trachten te bewegen. De bewezenverklaring steunt op verklaringen van betrokken politieambtenaren en medeverdachten, waaruit blijkt dat verdachte een geldbedrag aanbood in ruil voor het ongemoeid doorlaten van drugskoeriers.
Daarnaast verbetert de Hoge Raad ambtshalve de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit tot medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een opzettelijk gepleegd feit zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Opiumlandsverordening. Het beroep van verdachte wordt voor het overige verworpen en het arrest van het Hof wordt bevestigd, behoudens de verbeterde kwalificatie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf en verbetert ambtshalve de kwalificatie tot medeplegen.