ECLI:NL:PHR:2015:677

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2015
Publicatiedatum
27 mei 2015
Zaaknummer
14/00674
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 408 SvArt. 450 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring wegens onvoldoende motivering psychische gesteldheid verdachte

De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter wegens diefstal en stelde te laat hoger beroep in. Het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. De verdediging voerde aan dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was vanwege ernstige psychiatrische problematiek van de verdachte, waaronder psychoses en angstaanvallen, en dat het hof dit onvoldoende had onderzocht.

De Hoge Raad herhaalt dat bij een beroep op verontschuldigbare termijnoverschrijding wegens psychische gesteldheid het hof moet onderzoeken of en hoe lang de verdachte niet in staat was het hoger beroep tijdig in te stellen. Dit onderzoek ontbrak in de motivering van het hof. De Hoge Raad acht de motivering onvoldoende en vernietigt het arrest.

De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof het psychisch functioneren van de verdachte gedurende de beroepstermijn moet onderzoeken en motiveren of de termijnoverschrijding aan de verdachte kan worden toegerekend.

De Hoge Raad benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij termijnoverschrijding en verwijst naar eerdere jurisprudentie over verontschuldigbare termijnoverschrijding en psychische problematiek.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de psychische gesteldheid van de verdachte en de verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding.

Conclusie

Nr. 14/00674
Zitting: 24 maart 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 december 2013 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de Rechtbank te Haarlem van 20 juni 2012, waarbij de verdachte wegens “diefstal” bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur één maand, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. S. Kubicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelbehelst de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Volgens de steller van het middel heeft het hof het in hoger beroep gevoerde verweer, inhoudende dat er sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, verworpen.
4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank te Haarlem van 20 juni 2012 is op 5 mei 2012 in persoon uitgereikt aan de verdachte op een politiebureau in Haarlem.
(ii) De officier van justitie heeft op 15 juni 2012 door middel van een “transportorder” aan de commandant van de parketpolitie verzocht om op 20 juni 2012 het transport van de verdachte van zijn toenmalige detentieadres naar de rechtbank te doen uitvoeren. Bij de stukken bevindt zich niet een door de verdachte ondertekende afstandsverklaring betreffende de terechtzitting in eerste aanleg.
(iii) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 20 juni 2012 is noch de verdachte noch een gemachtigde raadsman verschenen. Vervolgens heeft de politierechter de verdachte bij vonnis van diezelfde datum bij verstek veroordeeld. Het vonnis vermeldt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde was gedetineerd.
(iv) Mr. E.M.C. van Nielen, advocaat te Amsterdam, heeft door middel van een faxbericht van 10 april 2013 een schriftelijke bijzondere volmacht zoals bedoeld in art. 450, derde lid, Sv verleend aan een medewerker van de strafgriffie van de Rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) om namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter. Vervolgens is op diezelfde datum de “akte instellen hoger beroep” opgemaakt.
5. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotitie, heeft de raadsvrouwe van de verdachte verzocht de verdachte ondanks de overschrijding van de appeltermijn ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, nu er sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden, die de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar maken. De raadsvrouwe heeft ter onderbouwing van dit verweer het volgende aangevoerd. Er kan niet worden vastgesteld dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn op de terechtzitting in eerste aanleg van 20 juni 2012, aangezien er geen afstandsverklaring is en het proces-verbaal van die terechtzitting niet is uitgewerkt. Voorts werd de verdachte niet bijgestaan door een advocaat. Het lag niet in de lijn der verwachting dat het openbaar ministerie de vervolging in de onderhavige zaak afzonderlijk zou voortzetten, aangezien de verdachte kort na zijn aanhouding en heenzending voor de onderhavige zaak voor een andere zaak in voorlopige hechtenis heeft gezeten tot aan de inhoudelijke behandeling van die zaak in september 2012 en het openbaar ministerie in die zaak voornemens was om een ISD-maatregel te vorderen, terwijl die maatregel uiteindelijk ook is opgelegd. De raadsvrouwe van de verdachte in die andere zaak was vóór 10 april 2013 niet op de hoogte van de onderhavige zaak. De verdachte heeft voorafgaand aan zijn ISD-maatregel nog enkele openstaande gevangenisstraffen uitgezeten, terwijl de in de onderhavige zaak opgelegde gevangenisstraf toen niet is geëxecuteerd. Ten slotte is er sprake van psychische problematiek bij de verdachte. Uit een rapportage van PI “De Tafelbergweg”, die is opgemaakt in het kader van de tussentijdse toets van de aan de verdachte opgelegde ISD, blijkt dat de verdachte zwakbegaafd is en dat hij last heeft van psychoses en angstaanvallen. Ook uit een reclasseringsrapport betreffende de verdachte van 13 september 2012 blijkt van het bestaan van psychiatrische problematiek, hetgeen de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep voor de verdachte verontschuldigbaar maakt, aldus de raadsvrouwe.
Zoals blijkt uit het proces-verbaal van voornoemde terechtzitting, heeft de advocaat-generaal bij het hof in reactie op het verweer van de raadsvrouwe opgemerkt dat zij zich aansluit bij de conclusie van de raadsvrouwe, dat het hoger beroep weliswaar tardief is ingesteld maar dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is.
6. De raadsvrouwe heeft ter onderbouwing van haar verweer verwezen naar de door de plaatsvervangend vestigingsdirecteur opgemaakte rapportage van de penitentiaire inrichting Amsterdam, locatie “De Tafelbergweg” betreffende de verdachte van 9 september 2013. Deze rapportage bevindt zich bij de stukken van het geding. De rapportage, die is opgemaakt in het kader van een andere strafzaak tegen de verdachte, houdt onder verwijzing naar eerdere rapporten onder meer het volgende in. De verdachte is zwakbegaafd, heeft last van angstaanvallen en het is niet helder of zijn psychoses worden veroorzaakt door cocaïnegebruik of door schizofrenie. Aan de verdachte is een ISD-maatregel opgelegd met als begindatum 8 februari 2013 en als (voorlopige) einddatum 8 februari 2015. Geadviseerd wordt deze maatregel voort te zetten.
7. Voorts heeft de raadsvrouwe ter onderbouwing van haar verweer verwezen naar het reclasseringsadvies betreffende de verdachte van 13 september 2012. Ook dit stuk bevindt zich bij de stukken van het geding. Dit door een reclasseringswerker in de onderhavige zaak opgemaakte reclasseringsadvies houdt onder meer het volgende in. De verdachte kampt met ernstige psychiatrische problemen, zodat behandeling binnen een forensisch psychiatrische kliniek geïndiceerd is. Hij kan psychotisch worden door het gebruik van cannabis en/of cocaïne en daardoor delictgevaarlijk worden. De verdachte is gediagnosticeerd met een psychotische stoornis, voortkomend uit zijn middelengebruik. Daarnaast zou er onderliggend sprake zijn van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. In juni 2012 (ten tijde van de behandeling van de onderhavige zaak in eerste aanleg) heeft de verdachte verklaard dat hij veel last heeft van angsten en is de verdachte wegens zijn psychiatrische problematiek op de bijzondere zorgafdeling van een penitentiaire inrichting geplaatst. Geadviseerd wordt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
8. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Het hoger beroep is niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn ingesteld. De omstandigheid dat de verdachte geen afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de zitting (in eerste aanleg) aanwezig te zijn, laat op zichzelf onverlet dat de beroepstermijn veertien dagen na 20 juni 2012 is verstreken. Voorts kan op basis van de enkele mededeling dat de verdachte psychische problemen had, niet worden aangenomen dat het te laat instellen van het hoger beroep niet aan de verdachte kan worden toegerekend.
9. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien er sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden, die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. [1] Daarbij kan worden gedacht aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend. [2] Daarnaast kan worden gedacht aan vóór het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit. [3] Ten slotte kan van een dergelijke verontschuldigbaarheid sprake zijn indien de overschrijding van de termijn het gevolg is van (ander) handelen of nalaten van de overheid. [4]
10. In een situatie zoals de onderhavige, waarin door de verdediging een beroep is gedaan op verontschuldigbare termijnoverschrijding (onder meer) vanwege de psychische problematiek van de verdachte, dient het hof te doen blijken een onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of en, zo ja, gedurende welke periode na het vonnis van de rechter in eerste aanleg de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid heeft verkeerd dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld. Een termijnoverschrijding gedurende een zodanige periode zou de verdachte niet kunnen worden toegerekend. In een dergelijk geval is de verdachte ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep indien hij, nadat de verhindering zoals hiervoor bedoeld is opgeheven, alsnog zo spoedig mogelijk hoger beroep heeft ingesteld of doen instellen. [5]
11. In het onderhavige geval diende de verdachte ingevolge art. 408, eerste lid, onder a, Sv binnen veertien dagen na het vonnis van de politierechter van 20 juni 2012, te weten uiterlijk op woensdag 4 juli 2012, hoger beroep in te stellen, aangezien de inleidende dagvaarding in persoon aan de verdachte is betekend. De appelakte is evenwel pas op woensdag 10 april 2013 opgemaakt. Daarmee is de wettelijke termijn voor het instellen van hoger beroep overschreden.
12. Het hof heeft ter motivering van zijn oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep onder meer overwogen dat op basis van de enkele mededeling dat de verdachte psychische problemen had niet kan worden aangenomen dat het te laat instellen van het hoger beroep niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Gelet op hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte onder verwijzing naar een tweetal rapportages heeft aangevoerd, had het hof zijn beslissing in het licht van hetgeen hiervoor onder 10 is voorop gesteld nader dienen te motiveren. Van een “enkele mededeling” was geen sprake. De raadsvrouwe heeft ter onderbouwing van het verweer dat de verdachte kampte met ernstige psychiatrische problemen waardoor hij niet tijdig hoger beroep heeft kunnen instellen immers verwezen naar de hiervoor onder 6 weergegeven rapportage en het hiervoor onder 7 weergegeven reclasseringsadvies. Uit die stukken kan worden afgeleid dat de zwakbegaafde verdachte (ook) gedurende de termijn waarin hij hoger beroep diende in te stellen kampte met ernstige psychiatrische problemen, waarvoor hij diende te worden behandeld in een forensisch psychiatrische kliniek. Ook volgt daaruit dat de verdachte last had van angstaanvallen en psychoses en dat hij een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken had. Gelet op het aangevoerde, had het hof dienen te onderzoeken of en, zo ja, gedurende welke periode na het vonnis van de politierechter de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid heeft verkeerd dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat het hof een dergelijk onderzoek heeft verricht. Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde verweer onvoldoende gemotiveerd verworpen en de verdachte ontoereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. [6]
13. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3378, rov. 2.3, HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3112, rov. 2.3-2.4, HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1557,
2.Vgl. HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429,
3.Vgl. HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2539,
4.Vgl. HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1165, rov. 3.4.
5.Vgl. HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429,
6.Vgl. HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429,