Art. 81 lid 1 ROArt. 328 SvArt. 331 lid 1 SvArt. 315 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor witwassen van personenauto met onverklaarde herkomst
De verdachte werd door het Hof Arnhem-Leeuwarden en de Rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor witwassen van een Mercedes personenauto die vermoedelijk met crimineel geld was aangeschaft. De auto, met een dagwaarde van €52.500, werd in Duitsland gekocht en gefinancierd door familieleden volgens de verdachte, maar deze verklaring was onvoldoende concreet en verifieerbaar.
De verdediging verzocht om het horen van vijf familieleden als getuigen om het alternatieve scenario van legale financiering te onderbouwen, maar dit verzoek werd door het Hof afgewezen wegens gebrek aan noodzaak en onvoldoende onderbouwing, mede vanwege inconsistenties in de verklaringen en het ontbreken van bewijsstukken zoals betalingsbewijzen.
De Rechtbank stelde vast dat verdachte geen aannemelijke verklaring kon geven voor de herkomst van het geld en dat het redelijkerwijs niet anders kon zijn dan dat de auto met misdaadgeld was gekocht. De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie en bevestigde het oordeel van het Hof en de Rechtbank, waarbij werd benadrukt dat voorwaardelijk opzet volstaat en dat het ontbreken van een concrete, verifieerbare verklaring door verdachte het vermoeden van witwassen niet wegneemt.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens witwassen van een Mercedes met onverklaarde herkomst.
Conclusie
Nr. 14/00256
Zitting: 10 maart 2015
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 20 december 2013 het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland, zitting houdende te Utrecht, van 29 juli 2013, waarbij verdachte wegens “witwassen” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 SrPro en waarbij de onder verdachte in beslag genomen personenauto (merk: Mercedes, type C63 AMG, voorzien van het kenteken [AA-00-BB]) is verbeurd verklaard, met overneming van gronden bevestigd, waarbij door het Hof aanvullend wordt overwogen dat het rekening heeft gehouden met art. 24 SrPro.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Namens verdachte heeft mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Uit het schriftelijk requisitoir dat is gehouden tijdens de zitting in eerste aanleg kan worden afgeleid dat de verdenking van witwassen in de onderhavige zaak voortvloeit uit het Project Ongebruikelijk Bezit. Het gaat daarbij om projectmatige integrale aanpak tussen ‘partners in de strafrechtelijke keten’ om zo effectief mogelijk criminaliteit met een ondermijnend karakter terug te dringen. Het betreft hier een 22-jarige verdachte van Marokkaanse komaf die zonder toereikende legale inkomsten rondrijdt in een Mercedes met een dagwaarde van 52.500 euro.
4. Het eerste middelklaagt over de (motivering van de) afwijzing door het Hof van het door de verdediging ter terechtzitting van 9 december 2013 gedane voorwaardelijk verzoek tot het horen van een vijftal getuigen (familieleden van de verdachte).
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 9 december 2013 houdt, als verklaring van de verdachte en voor zover hier van belang, het volgende in:
“(…)
De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
De auto is in Duitsland gekocht en is gefinancierd door de familie. De auto is bedoeld om in Marokko als vakantieauto te worden gebruikt. Dan kan de familie met het vliegtuig naar Marokko reizen. In Marokko kun je niet zulke goede auto's kopen. Het merendeel van de auto's daar wordt geïmporteerd uit Europa.
(…)
De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven -:
Als het zou moeten, kan mijn familie aantonen wie welk bedrag voor de auto heeft ingelegd. (…)
De verdachte verklaart desgevraagd - zakelijk weergegeven -:
Een bedrag van € 35.000,- is voor mij veel geld. Mijn familieleden die hebben bijgedragen, hebben een goede baan, maar mij is niet bekend wat zij verdienen. Ik denk niet dat het veel geld voor hen is, maar ik kan niet in hun portemonnee kijken. Een van mijn broers werkt in een laboratorium, een andere broer is vrachtwagenchauffeur en een zus werkt bij Campina. Ik ben student. Er is besproken wat zou worden ingelegd, maar ik weet niet meer precies hoe het is gegaan. Het spaargeld van de familieleden werd door mijn vader verzameld. Vervolgens is bekeken welke auto met dat budget zou worden aangeschaft.
(…)”
6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 9 december 2013 volgt dat de raadsman van verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn aan het Hof overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“ voorwaardelijk verzoek:
Mocht uw Hof onverhoopt niet tot een vrijspraak komen al dan niet vanwege het oordeel dat u meent dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is, dan wordt u verzocht de zaak te heropenen en de volgende getuigen te (doen laten) horen:
- [betrokkene 1], wonende te [woonplaats];
- [betrokkene 2], wonende te [woonplaats];
- [betrokkene 3], wonende te [woonplaats];
- [betrokkene 4], wonende te [woonplaats];
- [betrokkene 5], wonende te [woonplaats];
De getuigen zouden kunnen verklaren aangaande de door verdachte geschetste alternatieve scenario.”
7. De Rechtbank heeft bij vonnis van 29 juli 2013 bewezenverklaard (hetgeen door het Hof is bevestigd) dat verdachte:
“in de periode van 01 april 2012 tot en met 20 mei 2012, in Nederland en in Duitsland, een voorwerp, te weten een personenauto (merk: Mercedes, type C63 AMG, voorzien van het kenteken [AA-00-BB]), heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.”
8. In zijn arrest heeft het Hof voornoemd voorwaardelijk getuigenverzoek als volgt samengevat en afgewezen:
“Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen
De verdachte en zijn raadsman hebben verzocht, indien het hof niet tot een vrijspraak zou komen, het onderzoek te heropenen en vijf getuigen te (doen) horen, nu deze zouden kunnen verklaren over het door verdachte geschetste alternatieve scenario.
Het hof ziet geen noodzaak om nader onderzoek te (laten) verrichten, al dan niet door middel van het horen van getuigen en wijst het verzoek van de verdediging dan ook af. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het gezamenlijk aankopen van een auto door verschillende familieleden het hof niet onaannemelijk voorkomt, echter dit levert naar het oordeel van het hof nog geen begin van aannemelijkheid op met betrekking tot de concrete aanschaf van de auto en de legitieme herkomst van de middelen, waarmee die auto is gekocht. Dit klemt te meer, nu de door de verdediging aangedragen feiten gekenmerkt worden door een groot aantal inconsistenties, gezien de eerder afgelegde verklaringen, die verdere afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario.
(…)
BESLISSING
Het hof:
Wijst af het verzoek tot het horen van getuigen.
(…)”
9. De steller van het middel heeft, kort gezegd, aangevoerd dat het Hof ten onrechte op de inhoud van de door de getuigen af te leggen verklaringen is vooruitgelopen. Bovendien, zo lees ik de toelichting op het middel, heeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd en had het daarom in de rede gelegen de verdediging in de gelegenheid te stellen om dit alternatieve scenario aannemelijk te maken door de getuigen daaromtrent nader te bevragen.
10. Het in het middel bedoelde verzoek is een verzoek op de voet van de art. 328 enPro 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 SvPro, welke bepalingen ingevolge art. 415 SvPro ook in hoger beroep van toepassing zijn. Maatstaf bij de beoordeling van zo een verzoek is of het Hof het horen van de getuige noodzakelijk oordeelt. Dat het Hof het criterium van de gebleken noodzaak hier van toepassing heeft geacht, wordt dan ook terecht niet betwist.
11. De raadsman heeft het verzoek toegelicht door te verwijzen naar het door verdachte geschetste alternatieve scenario. Dat alternatieve scenario houdt in dat de auto in Duitsland is gekocht, dat de auto is gefinancierd door familieleden en bestemd is om in Marokko als familieauto te worden gebruikt. In het kader van de financiering heeft verdachte nog gezegd dat zijn familieleden een goede baan hebben en dat de inleg besproken is, maar dat verdachte daarover alleen weet dat vader het geld heeft verzameld. In de motivering van de afwijzing door het Hof ligt in het bijzonder besloten dat het Hof de onderbouwing van het verzoek op cruciale onderdelen onvoldoende heeft geoordeeld. Ik licht dat nader toe.
12. De gebrekkige onderbouwing heeft kennelijk volgens het Hof geen betrekking op de mogelijkheid dat de auto (mede) is aangekocht door verschillende familieleden. Dat komt het Hof namelijk niet onaannemelijk voor. Van ongeoorloofd vooruitlopen op verklaringen is hier geen sprake. Dat doet zich namelijk met name voor indien de rechter juist niet tot uitgangspunt wenst te nemen wat de getuige ten gunste van een verdachte kan verklaren. [1] Kortom, voor de volledigheid van het onderzoek acht het Hof het niet noodzakelijk dat de getuigen de verklaring van de verdachte ten overstaan van de rechter bevestigen. [2]
13. De gebrekkige onderbouwing van het verzoek bestaat volgens het Hof uit het volgende. De aankoop door verschillende familieleden zegt volgens het Hof nog niets (immers: “geen begin van aannemelijkheid”) over de concrete aanschaf van de auto en de herkomst van het geld waarmee de auto is aangeschaft. Over de aankoop van de auto heeft verdachte, hoewel hij daarover ter terechtzitting is ondervraagd, niet veel anders gezegd dan dat de auto in Duitsland is aangeschaft en contant is betaald. Van wie en waar hij de auto heeft gekocht, licht verdachte niet toe, ook niet aan de hand van enig schriftelijk bescheid zoals bijvoorbeeld een betalingsbewijs. Over het tijdstip van de aankoop verklaart verdachte uiteenlopend (vgl. ook zijn verklaring ter zitting van de Rechtbank). Juist bij de aankoop van de auto gaat het om in het kader van de betwisting van het witwassen cruciale informatie die in het algemeen betrekkelijk eenvoudig te verschaffen moet zijn. Daar komt nog bij dat het Hof ook als ervan wordt uitgegaan dat van een gezamenlijke aankoop sprake is geweest, meent dat dit nog niets zegt over de herkomst van de koopsom. Over de wijze en de omvang van de financiering door de familieleden heeft verdachte inderdaad niets te berde gebracht, omdat “hij niet meer precies [weet] hoe het is gegaan”. Het Hof wijst nog op de, ook in het licht van eerdere verklaringen, inconsistenties in het alternatieve scenario dat ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd. Ook daarmee loopt het Hof niet vooruit op enige verklaring van een getuige. Bij de onderbouwing van een getuigenverzoek mag van de verdediging worden verwacht dat wordt uitgelegd waarom hetgeen een inconsistentie lijkt dat niet is.
14. Het eerste middel faalt, omdat het Hof is gebleven binnen de wettelijke criteria voor de beoordeling van een getuigenverzoek en de motivering van het Hof niet ontoereikend of onbegrijpelijk is.
15. Het tweede middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van het tenlastegelegde witwassen. [3] De steller van het middel heeft aangevoerd dat het Hof heeft miskend dat het achterwege blijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte in het onderhavige geval geen betekenis mag hebben in de bewijsvoering en het Hof heeft miskend dat de door verdachte gegeven verklaring niet hoogst onaannemelijk is en min of meer verifieerbaar is en daarom bij de vorming van het bewijsoordeel niet zonder meer terzijde mocht worden gesteld.
16. Zoals gezegd, heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank met overneming van gronden bevestigd. De Rechtbank heeft witwassen bewezenverklaard. De bewezenverklaring is hiervoor reeds weergegeven onder 7. Met betrekking tot de bewijsvoering van het bewezenverklaarde witwassen houdt het vonnis van de Rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende in [4] :
“4.3 Het oordeel van de rechtbank(1)
(…)
Het bewijs
Op 20 mei 2012 wordt verdachte in Utrecht als bestuurder van een Mercedes, type C63 AMG, met kenteken [AA-00-BB] staande gehouden. Tussen de documenten die verdachte overhandigt zit een keuringsrapport gericht aan een Frans/Belgisch adres. Op dit rapport staat dezelfde Mercedes met een ander kenteken ([CC-00-DD]). Het is verbalisant ambtshalve bekend dat Duitse exportkentekens veelvuldig gebruikt worden door criminelen, omdat ze via internet verkrijgbaar zijn.(2)
Op 30 april 2012 wordt door verbalisant [verbalisant 1] een Mercedes met Duits exportkenteken [EE-00-FF] gezien in een garagebox in Bodegraven. De garagebox wordt afgesloten door een jonge Marokkaanse man, die de Mercedes kort ervoor in de garagebox had geparkeerd. De jongen stapt vervolgens in een Volkswagen Golf met kenteken [GG-00-HH] en rijdt weg. De Volkswagen Golf staat op naam van verdachte.(3)
Op 13 mei 2012 worden door verbalisant [verbalisant 1] twee Marokkaans uitziende jonge mannen gezien bij de garagebox in Bodegraven. Zij reden in de Volkswagen Golf met kenteken [GG-00-HH]. Eén van de mannen opende de garagebox een stukje. De verbalisant zag wederom een Mercedes, maar nu met kenteken [AA-00-BB].(4)
Uit navraag bij de eigenaar van de garage, blijkt dat verdachte de garage gehuurd heeft rond 1 april 2012 voor een periode van drie maanden. Verdachte heeft de eigenaar van de garage 375 euro betaald voor drie maanden. Verdachte heeft de eigenaar verteld dat hij er een Mercedes in wilde zetten in afwachting van de export van de Mercedes naar Marokko.(5)
Verbalisant [verbalisant 2] spreekt telefonisch met [betrokkene 6]. Zij verklaart dat zij geen geld heeft ingelegd voor de aanschaf van de Mercedes en dat zij verder geen verklaring wil inleggen. Zij verklaart verder dat haar vader in de war moet zijn geweest als hij heeft gezegd dat zij geld heeft ingelegd.(6)
De dagwaarde van de Mercedes is € 52.500,--.(7)
Uit opgevraagde gegevens van de belastingdienst blijkt dat verdachte in 2010 € 735,-- aan zorgtoeslag en € 6.880,-- aan studiefinanciering heeft ontvangen en in 2011 € 846,-- aan zorgtoeslag en € 5.170,97 aan studiefinanciering heeft ontvangen.(8)
Verdachte heeft verklaard dat hij de garagebox in Bodegraven heeft gehuurd voor een periode van drie maanden om de Mercedes in te zetten. Verdachte is regelmatig bij de garagebox geweest. Verdachte heeft verder verklaard dat hij de Mercedes rond begin mei heeft gekocht met contant geld in Duitsland en dat hij in de Mercedes heeft gereden.(9)
Bewijsoverwegingen
Op grond van bovenstaande redengevende feiten en omstandigheden en in aanmerking genomen dat tijdens het onderzoek niet van een legale herkomst van het geldbedrag is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van verdachte een ernstig vermoeden van witwassen met betrekking tot de Mercedes bestaat. Van verdachte mag dan ook worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld waarmee de Mercedes is aangeschaft. Die verklaring dient concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn (Hoge Raad 13 juli 2010, NJ 2010/460).
De rechtbank stelt vast dat verdachte niet met een dergelijke verklaring is gekomen. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat de Mercedes is gekocht met geld dat door verschillende familieleden is ingelegd, maar deze verklaring heeft de politie niet kunnen toetsen, omdat de familieleden van verdachte geen gehoor geven op oproepen van de politie om een verklaring af te komen leggen. Ook heeft verdachte niet concreet verklaard welke familieleden geld hebben ingelegd en hoe veel geld is ingelegd. Dat een aantal familieleden van verdachte samen één brief heeft verzonden met de boodschap dat zij geld hebben ingelegd, acht de rechtbank niet voldoende. Daarbij komt dat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat voor de aanschaf van de auto geen schriftelijke koopovereenkomst is opgemaakt en dat hij evenmin een kwitantie van het betaalde geld heeft ontvangen. Daargelaten het feit dat de rechtbank een dergelijke gang van zaken bij de aanschaf van een auto als de onderhavige niet zonder meer geloofwaardig voorkomt, betekent dit dat ook deze documenten niet voorhanden zijn om de door verdachte gegeven verklaring te ondersteunen.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van verdachte niet concreet is onderbouwd en niet verifieerbaar is. De rechtbank acht zijn verklaring voor de herkomst van de gelden dan ook niet aannemelijk geworden en gaat hieraan voorbij.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan het naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet anders zijn dan dat de Mercedes is aangeschaft met gelden die van misdrijf afkomstig zijn. Gelet op hetgeen verdachte heeft verklaard, wist verdachte dat ook.
(1) Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier 09POB187, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 137, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
(2) Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 79 en 80.
(3) Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 81 en 82.
(4) Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 82.
(5) Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 83.
(6) Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 108.
(7) Het proces-verbaal van relaas, pagina 9.
(8) Het proces-verbaal van verstrekking gevorderde gegevens, pagina 44.
(9) De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 juli 2013.”
17. Het volgende dient te worden vooropgesteld. Dat een onder een verdachte aangetroffen voorwerp "uit enig misdrijf afkomstig is", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. [5] Voor wetenschap daarvan is voorwaardelijk opzet voldoende. [6] Het is aan het openbaar ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Indien de door de rechter vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij met een verklaring komt die het witwasvermoeden weerlegt en een legale herkomst van het voorwerp aannemelijk maakt. [7] Dat betekent niet dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. [8] Het openbaar ministerie zal daarnaar nader onderzoek dienen te verrichten. Wel zal de verklaring van de verdachte voldoende concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand al volslagen onwaarschijnlijk moeten zijn. [9] In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld, terwijl zich ook nog het geval kan voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft. [10] Ook indien voor een op het eerste oog verifieerbare verklaring na nader onderzoek geen enkele steun te vinden blijkt, zal de rechter deze verklaring terzijde kunnen stellen.
18. Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer (i) dat de verdachte een garagebox in Bodegraven heeft gehuurd voor een periode van drie maanden, in welke garagebox op 30 april 2012 door een verbalisant een Mercedes met een Duits exportkenteken [EE-00-FF] is gezien en op 13 mei 2012 een Mercedes met kenteken [AA-00-BB], (ii) dat de verdachte op 20 mei 2012 als bestuurder van de Mercedes met kenteken [AA-00-BB] is staande gehouden en daarbij documenten heeft overhandigd, waaronder een keuringsrapport waarop dezelfde Mercedes staat, maar met een ander kenteken ([CC-00-DD]), en dat het de verbalisant ambtshalve bekend is dat Duitse exportkentekens veelvuldig worden gebruikt door criminelen, omdat ze via internet verkrijgbaar zijn, (iii) dat de dagwaarde van de Mercedes € 52.500,- bedraagt en dat uit opgevraagde gegevens van de belastingdienst is gebleken dat verdachte in 2010 € 735,- aan zorgtoeslag en € 6.880,- aan studiefinanciering heeft ontvangen en in 2011 € 846,- aan zorgtoeslag en € 5.170,97 aan studiefinanciering en (iv) dat door verdachte is verklaard dat hij de garagebox in Bodegraven heeft gehuurd voor een periode van drie maanden om de Mercedes in te zetten, dat hij daar regelmatig is geweest en dat hij de Mercedes rond begin mei heeft gekocht met contant geld in Duitsland en dat hij in de Mercedes heeft gereden.
19. Deze door de Rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen het oordeel van de Rechtbank dat ten aanzien van verdachte een ernstig vermoeden van witwassen met betrekking tot de Mercedes bestaat. Van de verdachte mag dan ook worden verlangd, zoals door de Rechtbank is overwogen, dat hij met een verklaring komt die het witwasvermoeden weerlegt en een legale herkomst aannemelijk maakt. De alternatieve lezing van de verdachte houdt in dat de auto is gekocht met geld dat door verschillende familieleden is ingelegd. De Rechtbank heeft daaromtrent overwogen dat de verdachte niet concreet heeft verklaard welke familieleden geld hebben ingelegd en hoeveel geld is ingelegd en dat verdachte heeft verklaard dat voor de aanschaf van de auto geen schriftelijke koopovereenkomst is opgemaakt en dat hij evenmin een kwitantie van het betaalde geld heeft ontvangen voor de aanschaf, zodat de alternatieve lezing van verzoeker niet verifieerbaar is. Voorts heeft de Rechtbank kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de alternatieve verklaring van de verdachte, voor zover deze op het eerste oog wel verifieerbaar leek, na onderzoek door de politie geen steun blijkt te vinden, nu de familieleden geen gehoor hebben gegeven op oproepen van de politie om een verklaring af te komen leggen en daarnaast, zo blijkt uit de bewijsvoering, een familielid, [betrokkene 6], zelfs heeft ontkend geld te hebben ingelegd. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de Rechtbank deze alternatieve lezing op grond van het voorgaande als zijnde niet aannemelijk terzijde gesteld. Het oordeel van de Rechtbank, en daarmee ook van het Hof, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de Mercedes is aangeschaft met gelden die van misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist, is dan ook niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.
20. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 ROPro ontleende motivering.
21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
2.Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, in het bijzonder r.o. 2.8..
3.In de toelichting op het middel wordt (met een verwijzing naar de ter terechtzitting van 9 december 2013 aan het Hof overgelegde pleitnota) aangegeven dat ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging, kort en zakelijk samengevat, is aangevoerd dat de Rechtbank de verdachte ten onrechte het achterwege blijven van een aannemelijke verklaring heeft tegengeworpen, terwijl volgens de Rechtbank de omstandigheden een ernstig vermoeden van witwassen met zich meebrengen en mitsdien van verdachte een verklaring mag worden verlangd. Waar de Rechtbank eerst uitging van een ernstig vermoeden, concludeert zij vanwege enkel het achterwege blijven van een dergelijke verklaring dat het niet anders kan zijn dat de Mercedes is aangeschaft met gelden die van misdrijf afkomstig zijn. Dit oordeel van de Rechtbank kon volgens de verdediging in hoger beroep geen stand houden, nu de gegeven omstandigheden in het licht van de Europese jurisprudentie niet dusdanig belastend zijn dat van verdachte een disculperende verklaring mag worden verlangd en nu de Rechtbank een te strenge toets heeft aangelegd waar het aankomt op de inhoud van de verklaring van de verdachte. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is afgeweken, maar in strijd met art. 359 lid 2 SvPro niet de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid, nu het Hof heeft volstaan met een bevestiging van het vonnis van de Rechtbank, terwijl de verweren, zoals vervat in de pleitnota, zich juist keren tegen het vonnis van de Rechtbank. Gelet op de zinsnede in de schriftuur “[dat] de verdediging […] zulks uiterst onbevredigend [acht] nu het hof de laatste feitelijke instantie is”, maar de steller van het middel daaraan verder geen conclusie verbindt en nu het middel is gepresenteerd in de sleutel van de onvoldoende met redenen omklede bewezenverklaring, zal daarop in deze conclusie evenwel niet afzonderlijk worden ingegaan.
4.De voetnoten heb ik onder het citaat weergegeven.