ECLI:NL:PHR:2015:348

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2015
Publicatiedatum
31 maart 2015
Zaaknummer
13/05473
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 414 SvArt. 328 SvArt. 331 SvArt. 315 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest Hof wegens nietigheid onderzoek en onvoldoende motivering aanhouding en getuigenverzoek in witwaszaak

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van witwassen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. De verdediging stelde onder meer dat het Hof ten onrechte het verzoek tot aanhouding van de zaak afwees om nadere stukken te bestuderen die pas ter terechtzitting in hoger beroep aan het dossier waren toegevoegd. Tevens werd geklaagd over het niet horen van een bankmedewerkster uit Liechtenstein als getuige.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof de stukken die deel uitmaken van het dossier onterecht buiten beschouwing heeft gelaten zonder de verdediging in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten, waardoor het onderzoek ter terechtzitting nietig is. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom het verzoek tot het horen van de getuige is afgewezen, met name omdat de verdediging pas ter terechtzitting met belastende verklaringen werd geconfronteerd.

De overige middelen, waaronder klachten over de causaliteit en relativiteit van de schadevergoeding, worden verworpen. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor een nieuw oordeel. De zaak betreft complexe bewijsvoering rondom witwassen met internationale elementen en de toepassing van procesrechtelijke waarborgen in hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Conclusie

Nr. 13/05473
Zitting: 3 maart 2015
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 29 oktober 2013 verdachte wegens primair “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en heeft het aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest is vermeld.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. P.M. van Russen Groen, advocaat te ‘s-Gravenhage, vijf middelen van cassatie voorgesteld. [1]

4.Het eerste en het tweede middel

4.1.
Het eerste middel klaagt over de (motivering van de) afwijzing door het Hof van het door de verdediging gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde in de gelegenheid te worden gesteld nadere stukken (de stukken die naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan Liechtenstein zijn toegevoegd aan het dossier) te bestuderen waarvan de verdediging eerst ter terechtzitting in hoger beroep kennis heeft kunnen nemen. Het tweede middel klaagt over de beslissing van het Hof bij de beraadslaging geen acht te slaan op de inhoud van voornoemde stukken welke deel uitmaken van het procesdossier. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
4.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 15 oktober 2013 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:
(…)
- een schriftelijke bescheid, opgemaakt door [verbalisant] namens Financial Intelligence Unit op 2 november 2009 te Liechtenstein;
(…)
De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven-:
Ik weet niet meer of de reis met de trein rechtstreeks was of dat ik misschien ergens ben overgestapt. Dat herinner ik me niet meer. Het geld is in twee keer overgeboekt naar Liechtenstein. Er zat een dag of veertien tussen. Zodra het geld op de rekening in Liechtenstein stond, zou ik het opnemen en contant terugbrengen naar Nederland. Ik weet niet meer wat ik bij de bank in Liechtenstein heb gezegd over de reden dat ik het geld nodig had. Ik weet niet meer of ik gezegd heb dat het geld voor een huis in Spanje voor mijn moeder bestemd was. Ik kan me dat niet herinneren. Ik zal het wel gezegd hebben. Ze stellen daar vragen over de reden dat je geldbedragen contant opneemt. Ik heb maar een lulverhaal opgehangen. Ik hang hier geen lulverhaal op. Ik kan me voorstellen dat u het lastig vindt om te bepalen wat u nu moet geloven.
De voorzitter houdt mij voor dat er achtduizend euro is overgebleven op de rekening in Liechtenstein. Volgens mij heb ik de rekening leeggemaakt en is er niets overgebleven.
De voorzitter houdt mij voor dat ik op 5 augustus 2009 nog eens geld heb opgenomen in Liechtenstein.
De raadsman merkt op dat hij niet beschikt over de stukken die naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan Liechtenstein zijn toegevoegd aan het dossier van zijn cliënt.
De bode verstrekt de raadsman een kopie van de stukken.
Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor een halfuur, teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen om de stukken te bestuderen en te bespreken met zijn cliënt.
Na hervatting verzoekt de raadsman om de zaak aan te houden, zodat hij meer gelegenheid heeft om de nieuwe stukken te bestuderen en de verdediging voor te bereiden.
De voorzitter merkt op dat het hof sinds 22 maart 2013 beschikt over het dossier, dat de stukken betreffende het rechtshulpverzoek toen al deel uitmaakten van het dossier en dat de raadsman het dossier had kunnen inzien.
De advocaat-generaal verzet zich tegen aanhouding. Er is door de voorzitter de inhoud van één stuk voorgehouden, welke inhoud simpel van inhoud is. De overige stukken zijn niet relevant voor het bewijs.
Het hof trekt zich terug voor beraad.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen. Tot op heden is alleen de inhoud van een stuk afkomstig van Financial Intelligence Unit van 2 november 2009 voorgehouden aan de verdachte. Dat stuk is opgesteld in de Duitse taal en de voorzitter heeft de inhoud in de Nederlandse taal voorgehouden. In het licht van de tenlastelegging en de door de verdachte afgelegde verklaring is er geen begin van aannemelijkheid dat de overige stukken die naar aanleiding van het rechtshulpverzoek aan het dossier zijn toegevoegd, van belang zijn voor de beantwoording van enige vraag in het licht van de tenlastelegging. Het hof zal geen acht slaan op de overige stukken en zal een kopie van het hiervoor genoemde voorgehouden stuk aan het proces-verbaal van de zitting hechten.
Mocht het hof bij de beraadslaging in raadkamer menen dat de stukken alsnog van belang zijn, dan zal het onderzoek worden heropend en zullen de stukken alsnog aan de orde worden gesteld.”
4.3.
De steller van het middel richt zijn pijlen op de vaststelling van het Hof dat de overige stukken niet van belang kunnen zijn voor de beantwoording van “enige vraag in het licht van de tenlastelegging”, terwijl het daarnaast heeft overwogen geen acht te slaan op die stukken en tevens heeft overwogen die stukken wel te betrekken bij de beraadslaging in raadkamer. Voorts is aangevoerd dat het oordeel van het Hof omtrent deze stukken onverlet laat dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld aannemelijk te maken dat deze stukken wellicht wel van belang hadden kunnen zijn voor de verdediging noch de mogelijkheid is geboden zich ter verdediging op die stukken te beroepen.
4.4.
Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het Hof en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt. Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de verdachte het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging dienen te betrekken. [2]
4.5.
Het Hof heeft dat laatste miskend. Immers, het heeft de desbetreffende stukken die deel uitmaakten van het procesdossier – na bestudering daarvan (zoals volgt uit hetgeen hiervoor is weergegeven onder 4.2.) – buiten beschouwing gelaten. Daarnaast heeft het Hof de verdediging niet in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de relevantie van de stukken. De middelen zijn dan ook terecht voorgesteld. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
4.6.
Het eerste en het tweede middel slagen. Voor het geval de Hoge Raad daarover anders mocht oordelen, bespreek ik ook de overige middelen.

5.Het derde middel

5.1.
Het middel klaagt dat het Hof het door de verdediging gedane (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van een getuige (een bankmedewerkster uit Liechtenstein) ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, heeft afgewezen en valt uiteen in twee deelklachten.
5.2.
De eerste deelklacht richt zich tegen de afwijzing van het Hof van het ter terechtzitting van 15 oktober 2013 gedane verzoek tot het horen van de getuige en luidt dat het Hof een onjuist criterium heeft aangelegd, dan wel dat het Hof het gebruikte criterium te strikt heeft gehanteerd. Daartoe is aangevoerd dat de verdediging ter terechtzitting van het Hof voor het eerst is geconfronteerd met de verklaring van de getuige. Deze belastende verklaring is de verdachte voorgehouden en wordt door de verdachte betwist. De bankmedewerkster uit Liechtenstein is in geen enkel stadium van de procedure gehoord. Onder die omstandigheden had het Hof het criterium van het verdedigingsbelang dienen te hanteren, althans had het Hof (nu het verzoek tot het horen van de getuige eerst tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting is gedaan) het noodzakelijkheidscriterium dienen te hanteren op een wijze die niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt. Het Hof heeft er evenwel geen blijk van gegeven het noodzakelijkheidscriterium in deze verruimde zin te hebben toegepast, aldus de steller van het middel.
5.3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 15 oktober 2013 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De raadsman voert het woord -zakelijk weergegeven-:
Ik verzoek het hof om de zaak aan te houden, teneinde de medewerkster van de bank in Liechtenstein als getuige te horen. Mijn cliënt betwist de verklaring van de medewerkster. Het is in het licht van de tenlastelegging noodzakelijk dat de medewerkster wordt gehoord als getuige. Het gaat mij om de medewerkster die heeft waargenomen dat mijn cliënt bij de bank geld heeft opgenomen. Mijn cliënt is verrast door deze verklaring en wordt hiermee pas nu geconfronteerd.
(…)
Het hof trekt zich terug voor beraad.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek wordt afgewezen, nu het hof het niet noodzakelijk acht om de medewerkster van de bank in Liechtenstein te horen. Verdachte heeft op vragen van het hof geantwoord dat het zo zou kunnen zijn dat hij een verhaal heeft verteld dat zijn moeder geld nodig had voor de aankoop van een stuk grond in Spanje, een naar eigen zeggen lulverhaal, en dat hij in ieder geval niet heeft verteld dat het geld werd opgenomen ten behoeve een kennis die in echtscheiding lag. In het licht van de verklaring van verdachte thans ter terechtzitting ziet het hof niet de noodzaak om hieromtrent de verzochte getuige te doen horen.”
5.4.
Het in het middel bedoelde verzoek is een verzoek op de voet van de art. 328 en Pro 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv Pro, welke bepalingen ingevolge art. 415 Sv Pro ook in hoger beroep van toepassing zijn. Maatstaf bij de beoordeling van zo een verzoek is of het Hof het horen van de getuige noodzakelijk oordeelt.
5.5.
In HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 is geoordeeld dat naar de bewoordingen van de wettelijke maatstaven en volgens de invulling die daaraan in de jurisprudentie is gegeven, het noodzakelijkheidscriterium de rechter, in ieder geval in abstracto, een ruimere marge biedt om een verzoek niet te honoreren dan het criterium van het verdedigingsbelang. In dat arrest is dit onderscheid echter gerelativeerd in die zin dat ingeval de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken, zoals de aanvulling op het verkorte vonnis, de eis van een eerlijke procesvoering – tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist – meebrengt dat het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter die omstandigheid in hun afweging dienen te betrekken bij gebruikmaking van de wettelijk voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium. Dat kan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt. [3]
5.6.
De steller van het middel klaagt dat het Hof er niet uitdrukkelijk blijk van heeft gegeven het noodzakelijkheidscriterium in deze verruimde zin te hebben toegepast. Ook als juist zou zijn dat het noodzakelijkheidscriterium in onderhavige zaak niet wezenlijk verschilt van het criterium van het verdedigingsbelang, is evenwel onjuist dat het Hof dit expliciet tot uitdrukking had behoren te brengen. Reeds daarom faalt de eerste deelklacht.
5.7.
De tweede deelklacht heeft betrekking op het herhaalde, dit maal voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van de getuige en houdt in dat het Hof niet op dit verzoek heeft beslist, terwijl de voorwaarde die de verdediging heeft verbonden aan het herhaalde verzoek is vervuld. Daartoe is aangevoerd dat het Hof, door de ter terechtzitting van het Hof van 15 oktober 2013 afgelegde verklaring van de verdachte tot het bewijs te bezigen, mede de verklaring van de bankmedewerkster uit Liechtenstein voor het bewijs heeft gebruikt. Het onderwerp van een huis in Spanje als de bestemming van het op te nemen geldbedrag komt immers enkel aan de orde in de brief van de Financial Intelligence Unit.
5.8.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 15 oktober 2013 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De raadsman doet voorts voorwaardelijk het verzoek om de bankbedienden in Liechtenstein te horen als getuige. Indien het hof voor de bewijsconstructie gebruik maakt van de stukken die naar aanleiding van een rechtshulpverzoek zijn toegevoegd aan het dossier, en waarvan de verdediging eerst ter terechtzitting in hoger beroep kennis heeft genomen, is de voorwaarde voor het verzoek vervuld.”
5.9.
In zijn arrest heeft het Hof met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de getuige het volgende overwogen:
“De raadsman heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan om de bankbedienden in Liechtenstein die hebben verklaard over het opnemen van verdachte van de litigieuze geldbedragen, te horen als getuige. Indien het hof voor de bewijsconstructie gebruik zou maken van de stukken die naar aanleiding van een rechtshulpverzoek zijn toegevoegd aan het dossier, en waarvan de raadsman - naar hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard - eerst ter terechtzitting in hoger beroep kennis heeft genomen, zou de voorwaarde voor het verzoek vervuld zijn.
Nu het hof de stukken (die naar aanleiding van het rechtshulpverzoek aan het aan het hof door de rechtbank toegezonden dossier zijn toegevoegd) niet voor het bewijs bezigt, behoeft op het voorwaardelijke verzoek niet te worden beslist.”
5.10.
De bewezenverklaring berust op 16 bewijsmiddelen. Bewijsmiddel 9 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

9. Deverklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 15 oktober 2013, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:
(…)
Het geld is in twee keer overgeboekt naar Liechtenstein. Er zat een dag of veertien tussen. Zodra het geld op de rekening in Liechtenstein stond, zou ik het opnemen en contant terugbrengen naar Nederland. Ik weet niet meer wat ik bij de bank in Liechtenstein heb gezegd over de reden dat ik het geld nodig had. Ik weet niet meer of ik gezegd heb dat het geld voor een huis in Spanje voor mijn moeder bestemd was. Ik kan me dat niet herinneren. Ik zal het wel gezegd hebben. Ze stellen daar vragen over de reden dat je geldbedragen contant opneemt. Ik heb maar een lulverhaal opgehangen.”
5.11.
Dat de voorwaarde van het herhaald verzoek is vervuld, lijkt mij niet juist. Het Hof heeft geen stukken voor het bewijs gebezigd die (rechtstreeks) naar aanleiding van het rechtshulpverzoek zijn toegevoegd aan het dossier. Een ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte betreft immers niet zo een stuk. Dat het ter terechtzitting besproken (en in bewijsmiddel 9 opgenomen) onderwerp van een huis in Spanje als bestemming van het op te nemen geldbedrag ter sprake is gekomen naar aanleiding van de inhoud van het schriftelijk bescheid van de Financial Intelligence Unit, hetgeen wel een stuk betreft dat (rechtstreeks) naar aanleiding van het rechtshulpverzoek is toegevoegd aan het dossier, maakt dat niet anders. Zo ruim als in het middel wordt voorgestaan had het Hof de gestelde voorwaarde namelijk niet hoeven opvatten.
5.12.
Het derde middel faalt in beide onderdelen.

6.Het vierde en het vijfde middel

6.1.
De middelen, die klagen over de toewijzing door het Hof van de vordering van de benadeelde partij, lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Het vierde middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat er causaal verband bestaat tussen de door de benadeelde partij geleden schade en het bewezenverklaarde feit. Het vijfde middel klaagt dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het door de verdediging gevoerde verweer dat er geen sprake is van relativiteit tussen het bewezenverklaarde feit en het feit ten gevolge waarvan door de benadeelde partij schade is geleden.
6.2.
Ten laste van de verdachte is onder primair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 29 juni 2009 tot en met 29 december 2009, in Nederland, en te Liechtenstein en in Duitsland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen (een) voorwerp(en), te weten (een) (grote) geldbedrag(en), voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, en van voornoemde geldbedragen de herkomst heeft verhuld, althans heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde geldbedragen was terwijl hij, verdachte, telkens wist dat die geldbedragen- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
6.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de benadeelde partij [benadeelde partij] geleden materiële schade en de verdachte uit dien hoofde veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 220.090,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juli 2009 tot aan de dag van de voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover een van de mededaders aan zijn verplichting tot schadevergoeding heeft voldaan, de verdachte in zoverre van zijn betalingsverplichting is bevrijd. Het Hof heeft de verdachte voorts de verplichting opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, met de in dat verband gebruikelijke bepalingen. Het Hof heeft daaromtrent het volgende overwogen:

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 220.090,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De raadsman heeft gemotiveerd betoogd dat tussen de door [benadeelde partij] geleden schade en het door verdachte gepleegde strafbare feit geen rechtstreeks verband bestaat in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof overweegt hieromtrent dat zonder het ter beschikking stellen van de bankrekeningen van [betrokkene 1] en [verdachte] en het contant maken van het geld, de schade van het slachtoffer niet was ontstaan. Immers, het geld is rechtstreeks van de rekening van de benadeelde overgemaakt via overschrijvingskaarten op de rekening van [betrokkene 1]. De bewezenverklaarde handeling staat in rechtstreeks verband met de wegnemingshandeling (middels de ontvreemde overschrijvingskaarten) en is zodanig bepalend voor het ontstaan van de schade, dat deze schade moet worden gezien als het rechtstreekse gevolg van de bewezenverklaarde gedraging.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
6.4.
Het vierde middel faalt reeds gelet op HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:216 [4] , welke zaak [5] samenhangt met onderhavige zaak en waarin de Hoge Raad met betrekking tot een soortgelijk middel heeft geoordeeld dat het tevergeefs is voorgesteld. Daarbij merk ik op dat de bewijsvoering in onderhavige zaak in essentie overeenkomt met de bewijsvoering in voornoemde samenhangende zaak.
6.5.
Ook het vijfde middel, dat wordt gepresenteerd in de sleutel van het ontbreken van een reactie op een door de verdediging gevoerd verweer, faalt, nu het Hof heeft geoordeeld dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. In dat oordeel ligt immers een positieve beantwoording van de relativiteitstoets besloten. [6]
6.6.
Ook het vierde en het vijfde middel falen.
7. Het eerste en het tweede middel zijn terecht voorgesteld. Het derde, vierde en vijfde middel falen en kunnen, indien de Hoge Raad over de eerste twee middelen anders oordeelt, worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Een afschrift van de schriftuur van de verdachte als bedoeld in art. V lid 1 van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad is pas op 19 februari 2015 aan de benadeelde partij toegezonden. Dit betekent dat er gelet op de termijn van dertig dagen vermeld in lid 2 van dit artikel nog een verweerschrift van de benadeelde partij kan binnenkomen. Mocht dit zich inderdaad voordoen dan ben ik desgewenst uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
2.Vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409 en HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1287, NJ 2011/45 (en BO1590).
3.Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441.
4.Zie bijvoorbeeld ook HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256.
5.Het betreft de zaak tegen [betrokkene 2] (13/05764), waarin door mijn ambtgenoot mr. Bleichrodt op 25 november 2014 is geconcludeerd (ECLI:NL:PHR:2014:2829).
6.Zie voor een bespreking van causaliteit en relativiteit de noot van C.P.M. Cleiren onder HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2093, NJ 2014/398.