Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Wet, jurisprudentie en literatuur
BNB1978/16) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of kosten, welke een van tafel en bed gescheiden vrouw, die uit dien hoofde een uitkering tot levensonderhoud genoot, heeft moeten maken voor rechtsbijstand in de daaropvolgende procedure tot ontbinding van het huwelijk, kunnen worden aangemerkt als aftrekbare kosten in de zin van artikel 35, lid 1, Wet IB 64. De Hoge Raad overwoog: [8]
BNB1983/108) lag de vraag voor of belanghebbende de kosten die hij maakte ter beëindiging van zijn alimentatieverplichting in aftrek mocht brengen. De Hoge Raad overwoog: [9]
BNB1986/265), waren proceskosten gemaakt met het doel een uiteindelijke vermindering van de door belanghebbende verschuldigde alimentatie. In de fiscale procedure was in geschil of die kosten voor aftrek in aanmerking kwamen. De Hoge Raad overwoog: [10]
BNB1995/283) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of proceskosten die betrekking hebben op een procedure over de vaststelling van de alimentatieverplichting behoren tot de aftrekbare kosten dan wel persoonlijke verplichtingen. De Hoge Raad overwoog: [11]
BNB1995/283 overwogen dat de onthouding van het aftrekrecht voor alimentatie-betalende partijen niet discriminerend is. [12] De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen die uitspraak afgedaan met artikel 81 RO Pro. [13] In de aantekening bij dat arrest schrijft de redactie van Vakstudie-Nieuws: [14]
V-N2009/49.5, en HR 5 juli 1995, nr. 30330, BNB 1995/283 (de niet-aftrekbaarheid van kosten van een civiele procedure inzake alimentatie is niet in strijd met art. 26 IVBPR Pro). In dit kader wijzen wij nog op de Europeesrechtelijke arresten die in onze aantekening in
V-N2009/59.5 zijn vermeld (Della Ciaj/Italië en zaak M.A. en anderen tegen Finland). Overigens geldt dat door het maken van kosten als de onderhavige een (fors) bedrag aan toekomstige uitgaven wordt bespaard. De kosten gaan derhalve voor de baat uit, hoe zuur dat ook is. Dat het door belanghebbende gedane beroep op de hardheidsclausule aan het verkeerde adres is gericht, behoeft geen nader betoog. Dat betreft een bevoegdheid die aan de Staatssecretaris van Financiën toekomt. Nu overigens niets blijkt van goedkeurend beleid van de staatssecretaris gebaseerd op de voormelde bepaling, komt het hof noch de Hoge Raad toe aan een toetsing (vergelijk HR 29 maart 2002, nr. 36513, BNB 2002/174).
BNB2002/20) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of de door de belanghebbende gemaakte kosten van een procedure over de verhaalsbijdrage ter zake van de aan zijn ex-echtgenote verstrekte bijstandsuitkering als aftrekbare kosten dan wel als persoonlijke verplichting in aftrek konden worden gebracht. De Hoge Raad overwoog: [15]
BNB1983/108, vindt de Staatssecretaris van Financiën dat aftrek niet mogelijk is. In navolging van eerdere jurisprudentie heeft de Hoge Raad in een procedure ter bestrijding van de verhaalsbijdrage ex art. 93 ABW Pro geoordeeld dat deze kosten moeten worden gelijkgesteld aan proceskosten gemaakt in een procedure ter vermindering van de alimentatieplicht en derhalve niet zijn aan te merken als aftrekbare kosten c.q. persoonlijke verplichtingen (HR 23 november 2001, nr. 36584,
BNB2002/20).