Conclusie
2.Procesverloop
i) te verklaren voor recht dat ASR op grond van de tussen partijen geldende verzekeringsovereenkomsten gehouden is om de schade te vergoeding die [eiser] heeft geleden bij de brand in de nacht van 2 op 3 mei 2010,
3.Bespreking van het cassatiemiddel
i) vraag d van de door ASR opgestelde en door [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst ingevulde vragenlijst (
“Heeft u of uw bedrijf reeds eerder schade geleden door een te verzekeren gebeurtenis? Zo ja, wat was de oorzaak, oe groot was de schade en wanneer trad de schade op?”) concreet genoeg is geformuleerd om de verzekeringnemer duidelijk te maken dat ASR over eerdere brandstichtingen wilde worden ingelicht, [5]
eerste onderdeel [9] bestrijdt het door het hof in rov. 4.8 gegeven oordeel dat [eiser] de verzekering sloot terwijl hij zich, zoals onder rov. 4.3 overwogen, bewust was van het risico dat nadere schade zou worden toegebracht aan het café en van het feit dat voor ASR van belang was om kennis te nemen van dat risico. Deze overweging is volgens de klacht onbegrijpelijk, nu zij tegenstrijdig is met rov. 4.3 (en 4.4.) waarin is opgenomen dat [eiser] ‘had moeten weten’ respectievelijk ‘behoorde te begrijpen’ en ‘wist, of althans behoorde te weten’ dat de eerdere schade(s) voor ASR van belang was (waren). Dat is iets anders dan dat [eiser] dit
wist.De overweging gaat aldus mank, zo betoogt het onderdeel.
tweede onderdeeltrekt het middel ten strijde tegen de overweging in rov. 4.8 dat de omstandigheid dat [eiser] de verzekeringsovereenkomst heeft gesloten terwijl hij zich bewust was van het risico dat nadere schade zou worden toegebracht aan het café en terwijl hij wist dat het voor ASR van belang was om kennis te nemen van dat risico maakt dat sprake is voor opzet tot misleiding. Volgens de klacht is dit onvoldoende, omdat ook moet worden vastgesteld met welk doel de verzekerde informatie heeft verzwegen alvorens kan worden geoordeeld dat er sprake is van opzet tot misleiding (
subonderdeel 2.1). [10] De overweging van het hof had bovendien hooguit tot een rechterlijk vermoeden van opzet tot misleiding kunnen leiden, waartegen tegenbewijs openstond. Het hof heeft dit miskend, althans het oordeel terzake onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel
(subonderdeel 2.2). [11] Ten slotte heeft het hof miskend, dat het [eiser] had moeten toelaten tot tegenbewijs, althans onvoldoende gemotiveerd waarom het [eiser] hiertoe niet heeft toegelaten (
subonderdeel 2.3). [12]
derde onderdeel [13] bouwt hierop voort, door aan te voeren dat het hof in rov. 4.8 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ofwel te oordelen dat [eiser] de bewijslast van het opzet tot misleiding droeg ofwel door te oordelen dat aan een aanbod tot tegenbewijs de eis mag worden gesteld dat het aanbod voldoende is gespecificeerd.
het subonderdeel 1eerst een toelichting op het begrip ‘opzet tot misleiding’.
DOMMERING-VAN RONGEN,
Titel 7.17 BW Belicht, 2005, p. 40”. [18]
het opzet de verzekeraar te misleiden.Onder het oude recht had de Hoge Raad dit al aangenomen in zijn arrest van 30 november 1973 (Van der Beek-van Dartel) in het kader van de reikwijdte van art. 1364 oud Pro BW.
Zo hier, als van Dartel gedacht heeft, dat, nu er nog niet gevorderd was, van der Beek gezien haar mededelingen de woonvergunning nog wel zou kunnen krijgen. Of als ze gedacht zou hebben dat van der Beek bij het Bureau Huisvesting wel zou hebben geïnformeerd. Zoiets zal zij dan wel moeten bewijzen. Het nalaten van de mededeling zou dan wellicht dom of lichtzitting zijn.”
ofeen aspirant-verzekeringnemer relevante feiten heeft verzwegen is echter wel degelijk een andere dan de vraag
waaromde aspirant-verzekeringnemer deze feiten heeft verzwegen. Voor de vraag of er opzet tot misleiding heeft bestaan is juist die laatste vraag cruciaal. Het onderscheid tussen beide vereisten dringt zich overigens duidelijker op indien de aspirant-verzekeringnemer niet
wistdat de verzwegen feiten voor de verzekeraar van belang waren, maar dat wel had
horen te weten. In dat geval is voldaan aan het vereiste onder i). Hoe in een dergelijk geval echter sprake kan zijn van het opzet om de verzekeraar te misleiden valt niet goed in te zien.
subonderdeel 1.1 en 1.2.
wist(of ervan uitging dat) deze feiten voor ASR van belang waren. Het hof heeft dit kennelijk ook onderkend doordat het in rov. 4.8 overweegt dat [eiser] dergelijke wetenschap had.
Het subonderdeel 1.1faalt hiermee.
subonderdeel 1.2aldus dat hierin wordt geklaagd dat het hof bij de beoordeling of sprake is van opzet tot misleiding een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd dan wel de maatstaf op onjuiste wijze heeft toegepast. M.i. is hiervan geen sprake. Het hof heeft allereerst vastgesteld dat [eiser] zich bewust was van het risico dat nadere schade zou worden toegebracht aan het café en van het feit dat dit voor ASR van belang was (vereiste onder i) en heeft vervolgens uit de bijkomende omstandigheid dat [eiser] desondanks een op het inschatten van juist dat risico gerichte eenduidige vraag onjuist heeft beantwoord de conclusie getrokken dat het ‘niet anders kan zijn’ dan dat [eiser] heeft gehandeld met het opzet ASR te misleiden (vereiste onder ii). Daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Hierbij merk ik op dat de vraag óf gelet op alle omstandigheden van het geval sprake is van opzet tot misleiding zozeer verweven is met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. [23] Het oordeel van het hof is op dit punt niet onbegrijpelijk en is evenmin onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 2.2geen belang heeft.
het subonderdeel 2.2niet.