Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
tussen en door partijen[curs. hof] getroffen verbintenissen betreft en niet een gemotiveerde afdoening of toewijzing door een rechter. Grief 3 faalt derhalve.
Subonderdeel 1.2klaagt vervolgens dat het hof in rechtsoverweging 4.2 heeft miskend dat art. 3:307 BW Pro in beginsel is uitgewerkt, althans niet meer aan de orde is in het geval in een procedure waarin een rechtsvordering tot nakoming is ingesteld, ter comparitie een schikking is getroffen die is vastgelegd in een proces-verbaal. Een dergelijke procedure is, aldus het subonderdeel, dan al (op tegenspraak) gevoerd en kan niet nogmaals worden ingesteld zodat de termijn van art. 3:307 BW Pro niet meer van toepassing is. In dit geval is de wederpartij al aangesproken en heeft dit geresulteerd in een schikking.
subonderdelen 1.4 en 1.5bouwen op de vorige subonderdelen voort en klagen – zakelijk en verkort weergegeven – dat het hof in de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting omdat het miskent dat art. 3:307 BW Pro in dit geval toepassing mist en art. 3:324 BW Pro rechtstreeks van toepassing is dan wel analoog moet worden toegepast. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, althans heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Volgens subonderdeel 1.5 gaat het om meer dan alleen een afspraak, te weten een grosse waarbij een schikking is vastgelegd en die ten overstaan van de rechter is getroffen, na een op tegenspraak gevoerde procedure op basis waarvan een partij (al dan niet gedeeltelijk) zijn vordering kan executeren. Een partij die op de zitting instemt met een regeling in plaats van het op een vonnis of een arrest laten aankomen, mag door die keuze wat betreft verjaring niet in een slechtere positie geraken doordat die overeenkomst andermaal binnen het regime van art. 3:307 BW Pro zou komen. Volgens het subonderdeel miskent het hof bovendien dat, indien art 3:324 BW Pro toepassing zou missen en een grosse niet als rechterlijke uitspraak in de zin van art. 3:324 BW Pro kan worden gezien, de wet niet voorziet in een specifieke, van de hoofdregel van art. 3:306 BW Pro afwijkende verjaringstermijn voor grossen. Het hof had dit, al dan niet de rechtsgronden ambtshalve aanvullend op grond van art. 25 Rv Pro moeten beoordelen.
subonderdeel 2.3klagen dat het hof heeft miskend dat een conservatoir beslag, zolang het voortduurt, ten aanzien van een verjaring voortdurend stuitende werking heeft.
onderdelen 4 en 5zijn ‘voortbouwklachten’ en delen derhalve in het lot van de voorgaande onderdelen.