In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een advocaat een beroepsfout had gemaakt door na het leggen van executoriaal derdenbeslag niet binnen vijf jaar de verjaring van de vordering te stuiten. Pegroam vorderde schadevergoeding omdat de verjaring zou zijn ingetreden, waardoor inning van een vordering niet meer mogelijk was.
Het hof stelde vast dat het executoriaal derdenbeslag op juiste wijze was gelegd en dat uit jurisprudentie, parlementaire geschiedenis en literatuur blijkt dat het leggen van executoriaal beslag een voortdurende stuitende werking heeft op de verjaring. Dit betekent dat zolang het beslag gehandhaafd blijft, de verjaring niet opnieuw begint te lopen.
De advocaat mocht er dan ook vanuit gaan dat geen aanvullende stuitingshandelingen nodig waren. Het arrest van het hof van 10 april 2012, waarin werd geoordeeld dat de executiebevoegdheid was verjaard, had geen gezag van gewijsde tussen de advocaat en Pegroam en kon daarom niet worden toegepast.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank dat de advocaat aansprakelijk stelde, wees de vorderingen van Pegroam af en veroordeelde Pegroam in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de advocaat geen beroepsfout had gemaakt door geen nadere stuitingshandelingen te verrichten.