ECLI:NL:PHR:2015:147
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenarrest over internationale bevoegdheid faillissementsverzoek
In deze zaak heeft [verweerster] het faillissement van [verzoeker], woonachtig in België, aangevraagd bij de Nederlandse rechter. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde zich onbevoegd op grond van art. 3 lid Pro 1 Insolventieverordening (InsVo), omdat het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] niet in Nederland zou liggen.
Het hof ’s-Hertogenbosch vernietigde deze beslissing en oordeelde dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is, omdat het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland is gelegen. Het hof verwees de zaak terug naar de rechtbank om op de hoofdzaak te beslissen.
[verzoeker] stelde cassatieberoep in tegen deze bevoegdheidsbeslissing, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit beroep niet-ontvankelijk is omdat het hof slechts een tussenbeschikking heeft gegeven. Cassatieberoep tegen een tussenbeschikking is alleen mogelijk samen met cassatie tegen de eindbeslissing, tenzij uitzonderingen van toepassing zijn die hier niet gelden.
De Hoge Raad bevestigde dat het centrum van de voornaamste belangen van een natuurlijke persoon objectief en voor derden verifieerbaar moet worden vastgesteld, en dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd. De klachten over het oordeel van het hof worden als niet-ontvankelijk verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de tussenbeschikking van het hof wordt niet-ontvankelijk verklaard.