Conclusie
1.De feiten
Raad & Daad Thuisbegeleiding B.V. i.o inzake [voorletter en achternaam PGB-houder](hierna: de inzake-rekeningen). In de zorgovereenkomsten gesloten tussen Raad & Daad Thuisbegeleiding en de individuele PGB-houders was bepaald dat Raad & Daad als gemachtigde van laatstgenoemde optrad ten aanzien van de rekeningen waarop het door CZ Zorgkantoor toegekende budget werd gestort. [3]
2.Het procesverloop
primairde door haar betaalde voorschotten tot het beloop van € 173.444,75 en van
subsidiaireen bedrag van € 151.365,40.
primair, dat zij de onder 1.8 genoemde betalingen op de inzake-rekeningen onverschuldigd heeft verricht, dat zij zich door manipulaties van Raad & Daad heeft vergist ten aanzien van de persoon aan wie zij betaalde en dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij de bedragen overmaakte aan de individuele PGB-houders. Tussen haar en Raad & Daad bestond geen rechtsverhouding op grond waarvan de betalingen werden verricht. Gezien de onmiskenbare vergissing moet de curator het betaalde bedrag op grond van het arrest Ontvanger/Hamm q.q. [6] terugbetalen, aldus CZ Zorgkantoor. Volgens haar is aan het in voormeld arrest gestelde criterium voldaan omdat geen sprake was van een betaling op de faillissementsrekening maar van een betaling op geoormerkte inzake-rekeningen die evident slechts elke individuele PGB-houder betroffen.
Subsidiairvoert CZ Zorgkantoor ter onderbouwing van haar vordering aan dat zij een gewone boedelvordering heeft uit onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking.
3.Beoordeling van het cassatieberoep
subonderdeel 1aklaagt CZ Zorgkantoor - kort gezegd - dat het hof heeft miskend dat de onverschuldigde betaling in het onderhavige geval het gevolg is van een voor de toepassing van de Faillissementswet met een onmiskenbare vergissing op één lijn te stellen oorzaak. Volgens CZ Zorgkantoor vormt de inhoud van rov. 4.7 geen toereikende motivering van de verwerping van deze grondslag van de primaire vordering, in welk verband zij vooruitwijst naar de subonderdelen 1b en 1c. De rov. 4.7.1 en 4.7.2 vormen eveneens onvoldoende toereikende motivering van de verwerping van deze grondslag van de primaire vordering, omdat daarin slechts wordt ingegaan op de vraag of de onverschuldigde betaling haar oorzaak vindt in een onmiskenbare vergissing.
feitelijk(niet juridisch) afgescheiden waren van het (overige) vermogen van Raad & Daad. Volgens haar vormt die laatste omstandigheid op zichzelf al een voldoende rechtvaardiging voor toepassing van de in de jurisprudentie aangenomen terugbetalingsverplichting van de curator, aangezien deze moest begrijpen dat met de constructie van inzake-rekeningen beoogd werd om afgescheiden vermogens te creëren. [18] Naar mijn mening berust de klacht op een onjuiste rechtsopvatting. Nu betalingen op een gewone inzake-rekening evident niet tot juridische vermogensscheiding leiden, is de curator uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid niet gehouden tot onmiddellijke terugstorting.
subonderdelen 1b en 1ckomt CZ Zorgkantoor op tegen de overweging in rov. 4.7 dat de op de inzake-rekeningen betaalde bedragen ingevolge de tussen Raad & Daad en de individuele PGB-houders gesloten zorgovereenkomsten in laatste instantie (niet voor derden maar) voor Raad & Daad waren bestemd, die uit die bedragen onder meer de aan de PGB-houders verleende zorg betaalde. Deze overweging strekt louter en alleen ter staving van het onbestreden oordeel dat de inzake-rekeningen niet als kwaliteitsrekeningen kwalificeerden. De beide subonderdelen moeten dan ook bij gebrek aan belang falen.
objectiefgesproken aanleiding kon geven tot de veronderstelling dat er mogelijk wel een rechtsgrond voor de betaling aanwezig was.
wanneer geen rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan die de betaler, de gefailleerde of de curator aanleiding kon geven te veronderstellen dat er (mogelijk) wél een rechtsgrond aanwezig was voor de betaling in kwestie.Dan valt immers voor geen van de betrokkenen te miskennen dat de betaling bij vergissing is verricht, omdat duidelijk is dat zij bij gebreke van enige rechtsverhouding noch voor de gefailleerde noch voor de curator bestemd was, dan wel evident is dat de rechtsverhouding die tussen de betaler en de gefailleerde wél bestaat of heeft bestaan voor de betaling in kwestie geen rechtsgrond kon opleveren. Dit laatste zal zich in het bijzonder voordoen wanneer zonder meer duidelijk is dat de betaling slechts betrekking kan hebben op een reeds door een eerdere betaling tenietgegane schuld en er daarom geen twijfel over kan bestaan dat bij vergissing voor de tweede maal dezelfde vordering is voldaan, of wanneer het betaalde bedrag zodanig afwijkt van de schuld waarop de betaling betrekking heeft, dat daaruit zonder enige twijfel kan worden afgeleid dat de betaling van dit bedrag op een verschrijving of andere vergissing berust.
geen van de driegenoemde betrokkenen (betaler, failliet, curator) een aanleiding voor de veronderstelling van de aanwezigheid van een rechtsgrond voor de betaling kan zijn gerezen. Dit vereiste impliceert immers dat zo’n aanleiding er wel kan zijn voor de ene, maar niet voor de andere betrokkene. Voorts ben ik met de curator [20] van mening dat de in het subonderdeel voorgestane objectieve toets geen onderscheidend vermogen zou hebben: deze zou meebrengen dat iedere betaling zonder rechtsgrond (behoudens in geval van verval van een rechtsgrond met terugwerkende kracht) onder de Ontvanger/Hamm q.q.-regel valt.
subonderdelen 2b en verderbevatten voornamelijk motiveringsklachten die zijn gericht tegen het oordeel dat in dit geval geen sprake is van een onmiskenbare vergissing in de zin dat (in elk geval) voor de curator onmiskenbaar was dat de betalingen niet voor hem of voor Raad & Daad bestemd waren, dan wel zonder rechtsgrond plaatsvonden. De verschillende subonderdelen betreffen steeds een of meer van de omstandigheden die het hof in rov. 4.7.2 in aanmerking heeft genomen en aan voornoemd oordeel ten grondslag liggen. Ik begrijp de overweging aldus dat het hof uiteenzet waarom de curator in de (gewezen) rechtsverhouding tussen CZ Zorgkantoor, Raad & Daad en de PGB-houders aanleiding heeft kunnen vinden te veronderstellen dat er (mogelijk) wel een rechtsgrond aanwezig was voor de betaling in kwestie. Het hof schetst - kort gezegd - de driehoeksverhouding waarin CZ Zorgkantoor PGB-budgetten niet uitkeerde aan de PGB-houders, maar desbewust betaalde op inzake-rekeningen van Raad & Daad, waaruit Raad & Daad zichzelf vervolgens rechtstreeks voldeed in verband met door haar ten behoeve van de PGB-houders verrichte zorgwerkzaamheden uit hoofde van de gesloten zorgovereenkomsten. Deze gang van zaken heeft CZ Zorgkantoor deels in stand gelaten door maar beperkt in te grijpen op de constructie met de inzake-rekeningen [21] . Tegen deze achtergrond bezien, behoefde de slotsom van het hof geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
subonderdeel 2dkan deze omstandigheid niet aan ’s hofs oordeel bijdragen. Zij stelt dat de machtiging er veeleer op wijst dat partijen de bedoeling hadden dat de rekeningen op naam van de PGB-houders zouden staan. Het dient immers geen doel om Raad & Daad te machtigen voor haar eigen bankrekeningen. CZ Zorgkantoor klaagt daaropvolgend dat het hof heeft verzuimd in zijn beoordeling te betrekken dat in de zorgovereenkomsten was bepaald dat de rekeningen waarop de PGB-voorschotten werden gestort, op naam van de PGB-houders dienden te staan.
subonderdeel 2e. Volgens CZ Zorgkantoor wijst deze omstandigheid er juist op dat de betalingen aan Raad & Daad berustten op een (in elk geval) voor de curator onmiskenbare vergissing. Uit het feit dat Raad & Daad als zorgverlener zorgwerkzaamheden ten behoeve van de PGB-houders verrichtte volgt immers dat zij jegens deze PGB-houders en niet jegens CZ Zorgkantoor aanspraak op betaling had. De overweging dat de zorgcontracten inhielden dat de kosten rechtstreeks door CZ Zorgkantoor werden betaald, is volgens haar onbegrijpelijk. Zij stelt expliciet te hebben aangevoerd dat in deze overeenkomsten juist was bepaald dat de rekeningen waarop de voorschotten werden gestort op naam van de PGB-houders dienden te staan.
subonderdeel 2fklaagt CZ Zorgkantoor dat het onbegrijpelijk is dat het hof gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat in 2009 voor haar al duidelijk was dat er sprake was van inzake-rekeningen van Raad & Daad en dat zij daarop deels heeft ingegrepen. CZ Zorgkantoor wijst erop dat zij heeft gesteld dat zij ervan uit ging dat de rekeningen waarop werd betaald wél op naam van de PGB-houders stonden en dat in die gevallen waarin duidelijk was dat zulks niet het geval was een bericht uitging naar Raad & Daad en de PGB-houder met de mededeling dat op die rekening geen voorschotbetalingen meer mochten geschieden.
zonder enige twijfel’. Verondersteld dat de onderhavige betalingen door CZ Zorgkantoor bij vergissing op de inzake-rekeningen van Raad & Daad zijn verricht, was deze vergissing niet als zodanig zonder enige twijfel door de curator te herkennen, doordat betrokkenen de betalingen ook in het verleden in strijd met de inhoud van de zorgcontracten en de toepasselijke wettelijke voorschriften op en via de inzake-rekeningen lieten plaatsvinden. Niet valt in te zien hoe de in het subonderdeel genoemde omstandigheden deze twijfel hadden kunnen wegnemen. Wat betreft de beide eerste aandachtspunten: de praktijk was nu juist dat betrokkenen in strijd met de wettelijke voorschriften handelden, hetgeen ook blijkt uit de inhoud van de genoemde brief. Wat betreft het derde aandachtspunt: de omstandigheid dat Raad & Daad de eigen constructie met inzake-rekeningen niet goed heeft begrepen, noopt niet tot de conclusie dat CZ Zorgkantoor zich daaromtrent ook heeft vergist. Het hof heeft uitdrukkelijk aangenomen dat CZ Zorgkantoor wist dat het rekeningen van Raad & Daad betrof. Wat betreft het vierde aandachtspunt: uit de door CZ Zorgkantoor bedoelde feitelijke gang van zaken - weergeven onder 41 in de conclusie van antwoord - kan met enige goede wil worden afgeleid dat het voor haar niet zonder meer duidelijk was dat het hier om inzake-rekeningen ging. Die omstandigheid kan in het gunstigste geval twijfel oproepen omtrent de vraag of sprake is geweest van een bewuste betaling op de inzake-rekeningen, zij kan niet tot het oordeel leiden dat het voor de curator op die grond zonder enige twijfel duidelijk was dat de betaling berustte op een vergissing. Slotsom is dat ook dit subonderdeel faalt.
subonderdeel 2hbetreft de overweging dat in 2009 al voor CZ Zorgkantoor duidelijk was dat er sprake was van inzake-rekeningen van Raad & Daad. Het berust op de lezing dat het hof heeft geoordeeld dat deze omstandigheid meebrengt dat CZ Zorgkantoor had behoren te weten dat de voorschotbetalingen op 4, 5 en 10 januari 2010 geschiedden op inzake-rekeningen die op naam van Raad & Daad stonden, en klaagt dat dit oordeel onjuist is. Voor de vraag of sprake is van een onmiskenbare vergissing is volgens haar rechtens irrelevant of de betaler wist of behoorde te weten dat onverschuldigd werd betaald. Het oordeel is volgens CZ Zorgkantoor in dat geval ook onvoldoende gemotiveerd op de eerder in de subonderdelen f en g genoemde gronden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet te begrijpen op grond waarvan zij had behoren te weten dat de rekeningen waarop de voorschotbetalingen werden verricht niet op naam van de desbetreffende PGB-houders stonden.
subonderdeel 2bklaagt CZ Zorgkantoor dat het oordeel dat in dit geval geen sprake is van een onmiskenbare vergissing in de zin dat (in elk geval) voor de curator onmiskenbaar was dat de betalingen niet voor hem of voor Raad & Daad bestemd waren, dan wel zonder rechtsgrond plaats vonden, ontoereikend is gemotiveerd in het licht van de door haar gestelde omstandigheden:
subonderdeel 2cmet - kort gezegd - de toevoeging dat het hof in zijn motivering aan dit aspect onvoldoende recht heeft gedaan met de overweging dat het feit dat de betaling op inzake-rekeningen op enig moment in strijd was met de wettelijke eisen waaraan bij de betalingen van PGB-budgetten moest worden voldaan, “niet afdoet” aan het oordeel dat geen sprake is van een onmiskenbare vergissing.
onderdeel 3komt CZ Zorgkantoor op tegen rov. 4.7.3 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat sprake is van een negatieve boedel betekent dat CZ Zorgkantoor geen belang heeft bij haar grief IV, waarmee zij terecht betoogt dat de rechtbank ten onrechte de subsidiaire vordering buiten behandeling heeft gelaten. CZ Zorgkantoor klaagt dat het hof heeft miskend dat rechtens irrelevant is of de boedel ten tijde van het wijzen van het arrest negatief is. Zolang het faillissement niet is afgewikkeld, kan niet worden uitgesloten dat de toestand van de boedel alsnog dusdanig zal worden dat de concurrente boedelvordering wel geheel of gedeeltelijk kan worden toegewezen. Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel volgens CZ Zorgkantoor onvoldoende gemotiveerd. Niet valt immers in te zien dat reeds ten tijde van het wijzen van het arrest als vaststaand kon worden aangenomen dat bij het afwikkelen van het faillissement zal blijken dat de concurrente boedelvordering geheel onvoldaan zal blijven. Bovendien stelt CZ Zorgkantoor te hebben aangevoerd dat zij ook een rechtens te respecteren belang bij toewijzing van de subsidiaire vordering heeft, omdat de rechtmatigheid van het gelegde beslag daarmee is gegeven. Het hof heeft verzuimd op deze stelling te reageren.