Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1heeft het hof miskend dat dit (essentiële) betoog – indien juist – kan meebrengen dat tussen de huurovereenkomst en de toezegging van [betrokkene 1] een zodanige samenhang bestaat dat Quintessa Texag slechts kan houden aan haar verplichting om de huurpenningen te voldoen indien en voor zover [betrokkene 1] de daarvoor benodigde middelen aan Texag had verstrekt of zou verstrekken.
subonderdeel 1.2(i) heeft het hof niet voldoende gerespondeerd op dit betoog als het is verworpen met de overweging dat Texag huur verschuldigd is en (ii) had het hof moeten responderen op het betoog dat de overeenkomst ook feitelijk zo is uitgevoerd.
Texag “huur” betaalt indien er bij Quintessa behoefte aan liquiditeiten is. In dat geval zorgt [betrokkene 1] er voor dat Texag over dat, door Quintessa benodigde geld kan beschikken.” (MvG nr. 26 onder d; zie ook MvG nr. 20 en vgl. nr. 47 onder a; pleitnota in appel, p. 2, tweede alinea). Maar Texag heeft ook gesteld dat was afgesproken dat geen huur behoefde te worden betaald c.q. dat sprake was van een schijnovereenkomst (zie CvA nr. 8; pleitnota in eerste aanleg nrs. 3 en 8; MvG nrs. 26 onder f en h; de toelichting op Grief I in nrs. 29 en 31; Grief II en de toelichting daarop in nrs 32-36; Grief III en de toelichting daarop in nrs. 37, 38 en 40; de slotsom in nr. 64; de pleitnota in appel, p. 2, eerste t/m derde alinea, p. 4, onderaan, p. 5, eerste t/m derde alinea, p. 6, derde alinea).
subonderdeel 2.1heeft het hof namelijk het bewijs beoordeeld als zou de bewijslast op Texag rusten en uit het oog verloren dat Texag tegenbewijs moest leveren en dat tegenbewijs geslaagd mag worden geacht als het door de akte geleverde bewijs zou zijn ontzenuwd.
in weerwil van de schriftelijke overeenkomst, geen huurbetaling aan Quintessa verschuldigd was.
subonderdeel 2.3, dat klaagt over een lezing van het arrest waarin het hof zou hebben geoordeeld dat Texag niet kon volstaan met tegenbewijs, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 2.2betoogt, volgt uit rov. 3.6 niet dat de akte de tussen partijen gesloten overeenkomst niet juist (althans onvolledig) weergeeft. Ook deze overweging beoogt, gezien rov. 3.5 en 3.9, kennelijk niets anders te zeggen dan dat moet worden onderscheiden tussen de verschuldigdheid van de huur volgens de huurovereenkomst en de betaling ervan volgens de toezegging van [betrokkene 1]. Het argument in de s.t. nr. 4.7, dat blijkens de huurovereenkomst Texag zelf als huurder de huurprijs dient te voldoen, kent aan deze overweging een lading toe die het hof daaraan niet heeft willen toekennen. Het argument in de s.t. lijkt overigens te veronderstellen dat de huurovereenkomst niet alleen meebrengt dat Texag als huurder huur verschuldigd is, maar ook dat zij (in afwijking van art. 6:30 lid 1 BW Pro) die huur zelf moet betalen althans niet door een ander bij de betaling daarvan geholpen zou mogen worden. Een dergelijk betoog is als ik het goed zie in feitelijke instanties niet gevoerd; het middel verwijst ter zake ook niet naar vindplaatsen in de stukken van het geding. Dit subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 2.4faalt in het voetspoor van de andere klachten.
subonderdeel 3.3voortbouwt op subonderdeel 2.3, deelt het lot daarvan.
uitsluitendtoegelaten tot het leveren van het bewijs dat [betrokkene 1] aan zijn zoon had toegezegd dat de huurbetalingsverplichting slechts een
schijnconstructiebetrof en dat Texag (daarom) in werkelijkheid geen huur hoefde te betalen, en heeft de kantonrechter daar strikt de hand aan gehouden. Zij merkt op dat Texag in eerste aanleg door de kantonrechter
nietis toegelaten tot bewijslevering met het oog op de door haar gestelde samenhang. De getuigen waren toen niet in de gelegenheid om daarover te verklaren (s.t. nr. 5.6). Dat was vanwege het beperkte probandum (s.t. nr. 5.7). Daaraan doet niet af dat het hof heeft erkend dat het probandum te beperkt was, omdat de getuigen niet waren gehoord over de vraag of de huurbetalingsverplichting (ook los van een eventuele schijnconstructie ten behoeve van de bank) onverbrekelijk samenhing met de liquiditeitsbehoefte van Quintessa en de nakoming van de toezegging van [betrokkene 1] (s.t. nr. 5.11).